Vanaf het Stationsplein, waar hij uit de tram was gestapt, slenterde De Cock naar het zonovergoten Damrak. De brede entree van Amsterdam zag er prachtig uit. De vlaggen op de steigers van de rondvaartboten wapperden vrolijk tegen een strak blauwe hemel. De schoongestraalde beurs van Berlage glansde in zijn volle pracht. Op de terrasjes, in rieten stoelen, zaten toeristen al aan een vroege pils.
De grijze speurder verkeerde in een puike stemming. Een korte, intensieve nachtrust had zijn geest verkwikt. Met een glimlach om zijn mond luisterde hij naar vreemde taal- en keelklanken, keek naar flanerende luitjes om zich heen, naar mooie jonge vrouwen in hun weinig verhullende zomerse dracht, en vond dat het leven zoet was.
Misdaad leek ineens ver weg… sluimerend in een verzonken wereldje, waarmee hij niets van doen had.
Bij de Oudebrugsteeg zou hij linksaf moeten slaan om in de Warmoesstraat te komen, maar gedreven door een blij gevoel van vrijheid, liep hij door naar de Dam, ging daar op een bank zitten en keek met een onbekommerd gemoed naar de duiven. Een lange magere man met een grijze verwilderde baard, hurkte bij de vogels neer. Uit zijn beide tot kommetjes gekromde handen, pikten de duiven wild fladderend het voer dat hij voor ze had meegebracht. Het tafereeltje vertederde De Cock en hij bleef er naar kijken. Plotseling, over de duiven en het hoofd van de man heen, werd de aandacht van de rechercheur getrokken door een oud dametje, dat dwars de Dam overstak. Ze kwam vanuit de richting Nieuwe Kerk en wandelde naar de Kalverstraat. Het was niet zozeer haar houding, die hem opviel, of haar gestalte, maar meer de wijze waarop ze was uitgedost:
Ze droeg een zwart dophoedje met een voile en een strakke japon uit de charlestontijd.
'Marlies,' lispelde hij verbaasd, 'Marlies van Haesbergen.' Hij stond van de bank op, liep om de man met de duiven heen en begon de vrouw te volgen. Het gebeurde automatisch, zonder dat hij er over nadacht wat hij deed. Het was intuïtie, een onberedeneerd gevoel, dat hij het moest doen.
Ondanks het nog vroege uur was het druk in de Kalverstraat. Maar het kostte hem geen moeite om haar in het oog te houden. Het zwarte dophoedje wipte voor hem uit.
Ineens was hij haar kwijt. Het zwarte hoedje was verdwenen. De Cock schold op zichzelf. Hij wist uit ervaring dat 'het volgen' niet zijn sterkste zijde was. Angstig blikte hij om zich heen en ontdekte haar tot zijn opluchting voor de etalage van een parfumerie. Aan de overzijde bleef hij staan, er voor zorgend, dat zijn beeld niet spiegelend in de etalageruit was te zien.
Nadat ze blijkbaar haar keuze had gemaakt, stapte ze de zaak binnen. Na enkele minuten kwam ze er weer uit met een pakje in een plastic zak. Na nog een blik in de etalage, liep ze verder de Kalverstraat in.
Toen de Munttoren al in zicht was, liep ze rechts de Heilige Weg op. Ook daar toonde ze een uitgebreide belangstelling voor diverse etalages, zodat De Cock moeite had om uit haar gezichtsveld te blijven. Op het moment dat de grijze speurder het gevoel kreeg dat Marlies van Haesbergen gewoon even uit winkelen was gegaan en dat hij dus voor niets achter haar aan sjokte, zag hij haar op het Koningsplein een reisbureau binnenstappen. De Cock wachtte geduldig. Het duurde geruime tijd. Eerst na ongeveer twintig minuten kwam ze weer naar buiten en liep terug naar de Heilige Weg.
De oude rechercheur bleef staan. Na enige overwegingen besloot hij haar niet langer te volgen en stapte het reisbureau binnen.
Een knappe vrouw van achter in de dertig, in een hooggesloten blouse, stevende achter de balie op hem af.
'Waarmee kan ik u van dienst zijn?'
De Cock bracht zijn beminnelijkste glimlach.
'Ik wilde u vragen wat die oude dame die zojuist wegging, hier kwam doen.'
De vrouw keek hem enkele seconden verbaasd aan. 'Dat… eh, dat gaat u niets aan.' Het klonk kribbig. De Cock knikte nadrukkelijk. 'Toch… het gaat mij wel aan,' sprak hij beslist, doch gemoedelijk. 'Ik ben rechercheur van politie, verbonden aan het bureau Warmoesstraat.' Hij tastte in de binnenzak van zijn colbert naar zijn legitimatiebewijs. 'Het is voor ons van het allergrootste belang om te weten wat mevrouw Van Haesbergen hier kwam doen.' 'U kent haar?'
De Cock plooide zijn lippen in een tuitje. 'Ik heb haar wel eens ontmoet,' sprak hij ontwijkend. De vrouw liep statig van hem weg naar een keurige heer in een fraai grijs flanellen kostuum, die aan een bureau verderop zat. Na wat gefluister kwamen ze samen terug. De heer bekeek het legitimatiebewijs van De Cock nauwkeurig en langdurig. Daarna noteerde hij de naam van de speurder op een blocnote. De oude rechercheur zag het gelaten aan.
'Let op de 'ceeooceekaa',' gniffelde hij. 'Daar ben ik nogal trots op.'
De keurige heer keek verstoord op.
Als u die dame, mevrouw Van Haesbergen, kent, waarom vraagt u het haar dan zelf niet?'
'Omdat ik vrees, dat ze mij niet de waarheid zal vertellen.'
De keurige heer zuchtte omstandig.
'Mevrouw,' sprak hij kort, 'boekte bij ons een reis.'
De Cock knikte begrijpend.
'Waarheen?'
'George Town op Great Exuma.' De rechercheur trok zijn wenkbrauwen op. 'Waar ligt dat?'
De heer in het keurig flanel reageerde volkomen verrast. De onkunde van de oude rechercheur verbaasde hem zichtbaar. 'Op de Bahama's!'
De Cock deed de deur van de grote recherchekamer open en slenterde op zijn gemak naar Vledder, die achter zijn bureau ijverig op een oude schrijfmachine rammelde. 'Weet Smalle Lowietje al wat voor een dooie het was?' vroeg hij.
De jonge rechercheur liet zijn vingers rusten en keek op. 'De Smalle heeft wel gebeld. Een half uurtje geleden. Hij vertelde dat hij zijn best had gedaan, maar dat hij toch niet veel verder was gekomen.' Vledder grinnikte. 'In penozekringen schijnt men toch niet alles te weten.'
De Cock gebaarde achteloos. 'Afwachten. Lowietje heeft nog niet veel tijd gehad om te informeren.' Hij zwiepte zijn oude hoedje naar de kapstok en nam plaats achter zijn bureau. 'Zwarte Archie?'
Vledder schoof de schrijfmachine van zich af.
'Is volgens de Smalle nog steeds niet boven water.' Hij zweeg even en keek De Cock peinzend onderzoekend aan.
'Wat ben je laat vanmorgen?'
De Cock plukte aan het puntje van zijn neus.
'Ik ben achter een vrouw aan gelopen.'
'Jij?'
'Ja.'
'Op jouw leeftijd?' De Cock deed verrast.
'Wat mankeert er aan mijn leeftijd?' vroeg hij quasi verwonderd. Vledder maakte een nonchalant gebaartje. 'Een beetje oud om nog op vrijersvoeten te gaan.' De Cock bromde een verwensing.
'Daar is men nooit te oud voor,' antwoordde hij pinnig. 'Bovendien had ik geen amoureuze bedoelingen. Ik zag Marlies van Haesbergen op de Dam en toen ben ik achter haar aan gegaan. Ze heeft vanmorgen een reis geboekt naar de Bahama's.' Vledder keek hem met grote ogen aan. 'Wat?'
De Cock knikte bedaard. 'George Town op Great Exuma.' 'Hoe weetje dat?'
'Ik zag haar op het Koningsplein een reisbureau binnen gaan. Ik heb gewacht tot ze weer naar buiten kwam en daarna ben ik naar binnen gestapt en heb gevraagd wat onze oude vriendin kwam doen.'
Vledder schudde ongelovig zijn hoofd. 'Wat moet ze op de Bahama's?'
Commissaris Buitendam, de lange, statige politiechef van het bureau Warmoesstraat, wuifde met een slanke hand. 'Ga zitten, De Cock,' sprak hij geaffecteerd. De oude rechercheur schudde zijn hoofd.
'Ik blijf liever staan,' reageerde hij nukkig. Hij had geen hekel aan de commissaris, maar trachtte toch zo veel mogelijk elk contact met hem te vermijden, bang, dat de politiechef zich autoritair in zijn onderzoeken zou mengen. De Cock had zo zijn eigen mening over opsporingstactiek en — technieken.
Buitendam maakte een berustend gebaartje. 'Zoals je wilt.' Hij zweeg even om indruk te maken, strekte zijn rug en ademde diep: 'Ik vrees, dat je dit keer te ver bent gegaan, De Cock. Onze Officier van Justitie, Mr. Schaaps, die mij zojuist hierover belde, neemt de zaak zeer ernstig op.' De Cock veinsde verwondering. 'Welke zaak?'
De commissaris schraapte zijn keel.
'Mr. Meturovski, een advocaat van de baggeronderneming Vreedenbergh aan de Keizersgracht, heeft tegen jou en Vledder een klacht ingediend.' 'Wat voor een klacht?'
Commissaris Buitendam bracht zijn beide handen naar voren en drukte de vingertoppen tegen elkaar.
'Huisvredebreuk.' 'Wat?'
De commissaris trok zijn gezicht in een ernstige plooi. 'Sprak ik niet duidelijk?' vroeg hij streng. De Cock knikte.
'Zeker, maar de klacht wekt mijn verbazing. Ze is volkomen onterecht. Vledder en ik hebben geen huisvredebreuk gepleegd.' Buitendam raadpleegde zijn aantekeningen. 'In de klacht staat, dat jij en Vledder gisteravond in Bergen aan de Eeuwige Laan wederrechtelijk de villa van de heer Vreedenbergh zijn binnengedrongen. Dit volgens een getuigenis van de heer Johan de Mindere, de butler van de heer Vreedenbergh, die jullie in de hal van de villa aantrof.' 'Dat klopt.'
Op het gezicht van de commissaris verscheen een grijns. 'Dus toch huisvredebreuk.' De Cock zwaaide afwerend.
'Ik maak bezwaar tegen het woord 'wederrechtelijk' in de klacht. Er is in het geheel geen sprake van enige onrechtmatigheid. De omstandigheden dwongen ons de villa binnen te gaan.' 'Wat voor omstandigheden?' De Cock maakte een vermoeid gebaartje.
'Gisteravond,' zo loog hij met overtuiging, 'kreeg ik een telefoontje van een man, die zich presenteerde als de heer Vreedenbergh. Hij vertelde dat hij directeur was van een grote baggeronderneming, gevestigd aan de Keizersgracht.' Hij keek even op. 'En dat is binnen ons district.' De commissaris knikte instemmend.
'De heer Vreedenbergh,' ging De Cock verder, 'zei, dat hij tot de ontdekking was gekomen dat er ernstige moeilijkheden op het kantoor waren en dat hij die moeilijkheden graag met mij wilde bespreken.'
'Wat voor moeilijkheden waren dat?' De Cock spreidde zijn beide handen.
'Dat weet ik niet. Ik heb het hem uiteraard wel gevraagd. Hij zei alleen, dat ze verband hielden met misdadige activiteiten. Verder wilde hij via de telefoon niet gaan. Ik heb hem toen uitgenodigd om naar de Warmoesstraat te komen.'
'En?'
'De heer Vreedenbergh zei, dat dat voor hem onmogelijk was. Hij ia bevond zich thuis in zijn villa aan de Eeuwige Laan in Bergen en de omstandigheden daar waren van dien aard, dat hij zijn villa niet durfde te verlaten. Letterlijk zei hij tegen mij: Ik waag mij liever niet buitenshuis.' 'Hij zei niet waarom?' De Cock schudde zijn hoofd.
'Nee, dat zei hij niet.' De oude rechercheur zuchtte omstandig. 'Ik… eh, ik geef toe… het was alles wat vaag, maar voor mij toch alarmerend genoeg om met Vledder onmiddellijk naar Bergen te rijden.' Hij zweeg even. 'Toen we met de auto bij de villa kwamen, leek die totaal verlaten. Er brandde nergens licht. Dit, gevoegd bij het feit dat wij de buitendeur open aantroffen, achtten wij zo verdacht, dat wij besloten een onderzoek in te stellen.' Hij glimlachte verontschuldigend. 'We hadden net de deur achter ons dichtgedaan, toen die butler plotseling binnenstapte.' Commissaris Buitendam keek de oude rechercheur met gefronste wenkbrauwen doordringend aan. Secondenlang. Op zijn bleke wangen verschenen blosjes.
'De Cock,' sprak hij met trillende stem, 'dit verhaal is van A tot Z gelogen.'
De grijze speurder trok gelaten zijn schouders op. 'Mijn oude moeder zei altijd tegen mij: Kind, het geloof kan ik je niet geven.' De commissaris wond zich zichtbaar op.
'Het interesseert mij geen moer wat ze zei.' Zijn stem sloeg over. 'Ik heb met jouw oude moeder niets te maken.' De Cock keek hem verwonderd aan. 'Ik wel.'
Commissaris Buitendam slikte. Zijn adamsappel wipte op en neer. Het duurde geruime tijd voor hij zijn zelfbeheersing had hervonden. Hij sloot even zijn ogen.
'Luister, De Cock… de heer Vreedenbergh is met vakantie op de Bahama's. Hij kon jou dus onmogelijk uitnodigen voor een bezoek aan zijn villa in Bergen… om wat dan ook te bespreken. Verder verklaart de butler met klem, dat de toegangsdeur tot de villa door hem deugdelijk was gesloten en de heren Van der Grauw en Middelkoop van de baggeronderneming getuigen, dat er geen sprake is van ernstige moeilijkheden op hun kantoor aan de Keizersgracht.. zeker niet van criminele aard.' De Cock grijnsde breed.
'Wat had ik dan in Bergen te zoeken?'
Commissaris Buitendam reageerde buitengewoon fel. 'Precies… ik had graag datje mij daarover klaarheid verschaft.' De Cock stak zijn brede kin naar voren. In zijn grijze ogen blonk strijdlust.
'U verwacht toch niet,' sprak hij uiterst cynisch, 'dat ik vrijwillig medewerking verleen aan een valse aanklacht tegen mij en Vledder?' Hij schudde zijn hoofd. 'Dat kunt u vergeten. Ik ben alleen bereid om volledig opening van zaken te geven als men mij een klacht overlegt, die door de heer Vreedenbergh in persoon is gedaan en door hem is ondertekend. Zegt u dat maar tegen de Officier.'
Commissaris Buitendam stond op. Hij zag rood tot diep in zijn nek en zijn neusvleugels trilden. Bevend strekte hij zijn arm naar de deur.
'Eruit.'
De Cock ging.