Het duurde lange seconden voordat butler Johan zich zijn situatie volledig bewust was. De expressie van verwarring en verbazing, die zijn knappe gezicht had ontsierd, vergleed. Hij sloot zijn half open mond en trok zijn donkere wenkbrauwen iets samen. Met een blik vol minachting monsterde hij de gestalte voor zich. 'Wie bent u?'
Het klonk hooghartig met een zweem van argwaan.
De Cock hield zijn glimlach vast. De grillige accolades rond zijn mond dansten vrolijk.
'Mijn naam is De Cock… met ceeooceekaa.' Hij duimde over zijn schouder. 'En dat is mijn collega, Vledder. Wij zijn rechercheurs van politie.' 'Rechercheurs?' De Cock knikte.
'Wij doen dienst aan het politiebureau in de Warmoesstraat te Amsterdam.'
Butler Johan bracht zijn hoofd iets naar achteren en trok zijn gezicht strak. 'Mag ik vragen hoe u hier bent binnen gekomen?' vroeg hij streng.
De oude rechercheur maakte een verontschuldigend gebaartje. 'De deur stond open,' loog hij. Butler Johan schudde zijn hoofd.
'Dat kan niet,' zei hij beslist. 'Toen ik wegging, heb ik de deur gesloten. Ik ben daar altijd zeer zorgvuldig in.'
'Hij was open,' hield De Cock vol. 'Het verbaasde ons ook.' Hij hield de mimiek op het gelaat van de butler nauwlettend in het oog.
'Het is… eh, dat wij ons zorgen maakten… anders waren wij, ondanks die open deur, niet naar binnen gegaan.'
'U… eh, u maakte zich zorgen?'
De Cock knikte nadrukkelijk.
'De stem van de heer Vreedenbergh klonk bepaald angstig toen hij ons belde en vroeg om naar de Eeuwige Laan in Bergen te komen,' loog hij weer.
Butler Johan trok diepe rimpels in zijn voorhoofd. 'De heer Vreedenbergh vroeg aan u,' herhaalde hij op ongelovige toon, 'om naar de Eeuwige Laan in Bergen te komen?' De Cock spreidde zijn beide handen met de handpalmen naar voren. 'Hij zei, dat hij moeilijkheden had… of verwachtte… ernstige moeilijkheden, die verband hielden met het kantoor van zijn baggeronderneming aan de Keizersgracht in Amsterdam.' 'Wat voor moeilijkheden?'
De Cock lachte schaapachtig. Hij bracht een domme uitdrukking op zijn gezicht. Het was schijn. Inwendig genoot hij van het spel. 'Dat zou hij ons juist vertellen… hier in Bergen… persoonlijk. Ik heb er wel naar gevraagd, maar via de telefoon wilde hij niet verder op de moeilijkheden ingaan.' 'Wanneer belde de heer Vreedenbergh u?'
De Cock schoof de mouw van zijn colbert iets terug en keek op zijn horloge. 'Ik schat zo een goed uur, anderhalf uur geleden. Wij zijn na het telefoontje onmiddellijk in de wagen gestapt.' Butler Johan reageerde niet direct. Hij nam de tijd om zijn waardigheid te hervinden. Met trage bewegingen trok hij zijn jas uit en hing die aan de kapstok in de hal. Daarna stapte hij loom op De Cock af. 'Ik vrees,' sprak hij hooghartig, 'dat u beiden het slachtoffer bent geworden van een misplaatste grap. De heer Vreedenbergh kan u niet gebeld hebben voor een afspraak. Hij is niet in Nederland. De heer Vreedenbergh vertoeft al enige dagen op de Bahama's.' Hij zweeg even. 'Ik heb ook niets vernomen over ernstige moeilijkheden op het kantoor van de onderneming in Amsterdam. Ik neem ook niet aan dat er moeilijkheden zijn. De heren Van der Grauw en Middelkoop hadden mij zeker op de hoogte gebracht.' De Cock keek vragend.
'Wie zijn de heren Van der Grauw en Middelkoop?' 'Mededirecteuren van de heer Vreedenbergh.' De oude rechercheur knikte begrijpend.
'Mag ik,' vroeg hij onderdanig, 'mij met een van de heren in verbinding stellen? Ziet u, het telefoontje klonk zo geloofwaardig.' Het gezicht van de butler kleurde.
'Nee,' sprak hij gedecideerd, 'dat mag u niet. U kunt op mijn gezag gerust aannemen dat er op het kantoor van de onderneming geen moeilijkheden zijn en dat het niet de heer Vreedenbergh was, die belde. De heer Vreedenbergh is voor enkele weken met vakantie naar de Bahama's. Daaraan bestaat niet de geringste twijfel. Ik bracht hem persoonlijk met de wagen naar Schiphol.' De Cock gleed peinzend met zijn pink over de rug van zijn neus. 'Waren… eh, waren zijn reisdocumenten in orde?' Butler Johan knikte heftig. 'Uiteraard. Het is nu eenmaal de taak van een butler om toe te zien dat alles in orde is: bagage, reisdocumenten, tickets.'
De Cock keek op. Hij hield zijn blik strak op de butler gericht. 'Tickets,' sprak hij traag. 'Tickets voor de heer Vreedenbergh.' Om zijn mond gleed een grijns. 'Enkele reis… bestemming… hemel of hel… maar niet de Bahama's.'
Ze reden met een matig gangetje van Bergen terug naar Amsterdam. Het regende niet meer. De avondhemel was helder, met fel fonkelende sterren en een bleke, sikkelvormige maan. De Cock staarde somber voor zich uit. Het zat hem dwars dat hij zich van leugens had moeten bedienen om zijn aanwezigheid in de villa te verklaren. Zijn hand tastte in de binnenzak van zijn colbert naar het paspoort van de heer Vreedenbergh. Het was een troef, zo besefte hij, die hij nooit zou kunnen uitspelen zonder te moeten toegeven dat hij in strijd met zijn bevoegdheden als rechercheur in een bureaulade had gesnuffeld.
'Onze bevoegdheden,' sprak hij plotseling luid, 'blinken uit door beperkingen.'
Vledder keek hem van opzij aan. 'Het wordt tijd, dat jij je die beperkingen eens bewust wordt. Door de komst van die butler zaten we toch aardig in de nesten.'
'Och kom. Hij moet het verhaal van die open deur maar slikken.'
'Vond je het verstandig?'
'Wat?'
'Om aan die hooghartige butler duidelijk te maken dat jij gelooft, dat de heer Vreedenbergh dood is?' De Cock trok zijn schouders op.
'Ik weet niet wat in deze zaak verstandig is,' antwoordde hij wrevelig. 'Ik heb nog nooit zo iets dwaas meegemaakt. Het is net alsof ik met een blinddoek voor door een donkere kamer loop.' Vledder lachte. 'Dat is wel erg duister.' De Cock knikte.
'De narigheid is, dat we vrijwel niets kunnen ondernemen. Het is allemaal zo vaag. Maar van één ding ben ik zeker… die butler liegt.'
'Bewijs dat eens.'
'Inderdaad. Zo is het met deze hele affaire… bewijs eens, dat de heer Vreedenbergh dood is.' Vledder zuchtte diep.
'Kunnen we ons niet in verbinding stellen met de politie op de Bahama's en vragen of zij een onderzoek voor ons willen instellen?'
De Cock schudde zijn hoofd.
'Je hebt van de butler gehoord dat de heer Vreedenbergh geen adres heeft achtergelaten.'
'Dat is toch vreemd?'
De Cock zwaaide met zijn armen.
'Natuurlijk is dat vreemd,' reageerde hij theatraal. 'Als directeur van zo'n gigantische baggeronderneming zou hij elk moment van de dag bereikbaar moeten zijn. Ook in zijn vakantie.' Hij maakte een berustend gebaartje. 'Maar het kan. Het is heel goed mogelijk, dat een vermoeide directeur op een zeker moment zegt, dat hij niet meer bereikbaar wil zijn.'
'We kunnen de politie op de Bahama's toch een telex sturen met zijn signalement?'
De Cock grinnikte. 'De Bahama's, lieve jongen, bestaan uit meer dan drieduizend eilanden, klippen en riffen. En dat over een lengte van ongeveer veertienhonderd kilometer.'
Vledder keek zijn oude collega bewonderend aan. 'Goeiendag. Ik heb nooit geweten dat jij zo goed in aardrijkskunde was.' De Cock schudde zijn hoofd.
'Dat ben ik ook niet,' sprak hij vermoeid. 'Maar ik heb vroeger eens te maken gehad met een vent, die van Amsterdam naar de Bahama's was gevlucht. Toen ik met de politie van de hoofdstad Nassau op New Providence belde om te vragen of ze even naar hem uit wilden kijken, lachte men mij vierkant uit en schetste hoe de situatie was. Ik ben toen beschaamd eens op een wereldkaart gaan kijken.'
'Dat kunnen we dus vergeten.'
De Cock kauwde peinzend op zijn onderlip.
'Als iedereen hardnekkig blijft beweren dat de heer Vreedenbergh op de Bahama's verblijft, dan komen we nooit een stap verder.'
Vledder reageerde kribbig. 'Daar kunnen we toch niet tot in het oneindige mee doorgaan?'
De Cock keek schuin naar hem op. 'Waarom niet? Er komt een dag, dat niemand meer naar de heer Vreedenbergh vraagt.' Hij drukte zich wat omhoog en herkende het silhouet van de oude molen aan de Haarlemmerweg. 'We zijn weer in Mokum.' Het klonk als een opluchting. Vledder knikte.
'Moet ik je naar huis brengen?'
De oude rechercheur keek op zijn horloge. Het was iets over half één. 'Rijd maar door naar de Kit,' besliste hij. 'Dan stappen we vandaar nog even naar Lowietje. Na die Eeuwige Laan dorst mijn keel naar een cognackie.'
Lowietje, wegens zijn geringe borstomvang in het wereldje van de penoze steevast Smalle Lowietje genoemd, zwaaide al vele jaren de scepter in het schemerig intieme lokaaltje op de hoek van de Achterburgwal en de Barndesteeg, dat hij vol trots als 'mijn etablissement' betitelde.
De tengere caféhouder begroette De Cock uitbundig. Hij schudde hem hartelijk de hand. Op zijn miezerig muizesmoeltje lag een gulle glans van verruking. Smalle Lowietje was bijzonder op de grijze speurder gesteld. Een genegenheid, die door De Cock soms schaamteloos werd uitgebuit. De Smalle zwaaide joviaal.
'Hoe later op de avond,' kirde hij, 'hoe schoner volk. Ik moetje eerlijk zeggen, De Cock, dat ik je niet meer had verwacht.' De oude rechercheur glimlachte. Hij koesterde zich in de warme uitbundigheid van Lowietjes begroeting. Hoewel hij deksels goed wist dat de tengere caféhouder in zijn woelige leven vrijwel alles had gedaan wat God in zijn wijsheid had verboden, droeg hij hem geen kwaad hart toe. Integendeel, de Smalle was hem dierbaar. 'Ik was bang,' grapte hij, 'dat ik anders niet in slaap kon komen.' De caféhouder grijnsde. 'Hetzelfde recept?'
Zonder op antwoord te wachten, dook hij aalglad onder de tapkast en kwam omhoog met een fles verrukkelijke Franse Cognac Napoléon, die hij speciaal voor De Cock gereserveerd hield. Hij zette drie diepbolle glazen op de bar en schonk klokkend in. 'Druk aan de Kit?' informeerde hij.
De Cock trok achteloos zijn schouders op. 'Misdaad kent geen malaise,' sprak hij vlak. Voorzichtig nam hij zijn glas op, warmde het in de kom van zijn hand en nam een slokje. Met gesloten ogen liet hij de cognac door zijn keel glijden.
Smalle Lowietje boog zich vertrouwelijk naar hem toe.
'Als je vanavond niet was gekomen,' sprak hij zacht, 'dan was ik morgen naar de Kit gegaan.'
De Cock lachte.
'Uit eigen beweging?'
'Ja.'
'Waarom?'
'Ik wil met je praten.'
De Cock monsterde het ernstige gezicht van de caféhouder.
'Moeilijkheden?'
'Ik niet.'
'Wie dan wel?'
Smalle Lowietje keek wat schichtig om zich heen. 'Ken je Zwarte Archie?' 'Archibald Benschop… zoon van Dikke Nel.' Lowie knikte instemmend.
'Precies… die.' Hij streek met zijn hand over zijn kin. 'Ik… eh, ik maak mij een beetje zorgen om die jongen. Hij kwam hier praktisch iedere dag, maar nu heb ik hem al in vier dagen niet gezien. En hij is ook niet thuis geweest. Archie is een aardige jongen, maar niet erg snugger. Ik ben bang dat hij zich in de nesten heeft gewerkt.'
De Cock keek Smalle Lowietje onderzoekend aan.
'Sinds wanneer doe jij aan maatschappelijk werk?'
De tengere caféhouder gebaarde wat onzeker.
'Dikke Nel is nog ergens familie van me. Ze wilde eerst zelf naar de Kit, maar durfde niet goed. Toen vroeg ze aan mij of ik jou even wilde aanklampen.'
De Cock zette zijn glas neer.
'Wat is er dan met die jongen?'
Smalle Lowietje zuchtte omstandig.
'Dat weet ik niet. Ik ben alleen bang. Een dag of vier geleden zat hij hier met een paar jongens een kaartje te leggen… toen vroeg hij plotseling: Waar kan je het beste een dooie begraven? Een van de jongens antwoordde geinig: Op het kerkhof.' Het gezicht van de caféhouder versomberde. 'Zwarte Archie werd toen pisnijdig. Zo… ineens. Hij smeet woest zijn kaarten op tafel en zei: Klootzak… zo een dooie is het niet.'