11

Rechercheur De Cock kwam pas ’s middags tegen twaalf uur op het bureau. Een goede nachtrust had zijn geest verkwikt en zijn humeur weer op peil gebracht. Hij lachte vrolijk tegen de wachtcommandant en nam met een opmerkelijke souplesse de beide trappen naar de recherchekamer. In de gang boven ontmoette hij zijn jonge collega Haaksma.

‘De commissaris heeft al een paar maal naar je gevraagd.’ De Cock trok een ernstig gezicht. ‘En hoe klonk zijn stem?’ ‘Gewoon… heel gewoon.’

De Cock beet op zijn onderlip en knikte. ‘Daar was ik al bang voor,’ zei hij somber. Voor de jonge rechercheur kon reageren, liep De Cock weg en stormde aan het einde van de gang bij de commissaris binnen.

De statige politiechef keek wat verstoord op.

‘O… ga zitten, De Cock. Ik heb gehoord dat je de tweede Van Maanenfeldt hebt opgegraven.’

Hij schudde zijn hoofd. ‘De eerste,’ verbeterde hij. ‘De man aan de Zuiderkerk was Van Maanenfeldt niet.’

De commissaris wuifde elegant. ‘Zeker, zeker. Maar je dácht toch dat het Van Maanenfeldt was.’

De Cock schudde opnieuw zijn hoofd. ‘Ik dacht niets,’ zei hij koppig. ‘Het lijk aan de kerkmuur werd als dat van Van Maanenfeldt herkend, valselijk, of laten we voorlopig stellen, abusievelijk, door de lieftallige nicht Abigail en een oude, bijzonder vriendelijke, maar blijkbaar toch wel wat bijziende heer Verpoorten uit Utrecht.’

‘Wie had daar belang bij?’

De Cock grinnikte. ‘Dat lijkt mij een vraag die u moet voorleggen aan mevrouw Van Maanenfeldt… oftewel Aleida Drosselhoff, de dame voor wie u steeds zo ridderlijk met glaasjes water draaft.’ Het gezicht van de commissaris kleurde. ‘Zij was bij mij te gast.’

De Cock perste zijn lippen op elkaar. ‘Dat was Jopie Stuff, die beneden in de cel verrekte, ook.’

De commissaris kwam met een ruk uit zijn stoel overeind. Zijn neusvleugels trilden. ‘Dat… dat was een heel onbehoorlijke opmerking, De Cock.’

Deze knikte gelaten. ‘Dat was het,’ zei hij simpel. ‘Maar ik neem er geen woord van terug. En voor u mij weer eens de deur wijst… ik ga zelf wel.’

Rechercheur Vledder zat bleek en met holle ogen achter zijn bureau. Voor hem lagen stapeltjes aantekeningen. De Cock slenterde naderbij en keek zijn jonge collega onderzoekend aan. ‘Is er wat?’ vroeg hij bezorgd. ‘Je ziet eruit of je zeven geesten hebt gezien.’

Vledder stak zijn armen rekkend omhoog en geeuwde. ‘Ik heb vannacht geen oog dichtgedaan.’

‘Waarom niet?’

‘Ik kon gewoon niet in slaap komen. Het lukte niet. Ik heb steeds liggen denken.’

De Cock glimlachte. ‘Aan ons aller moordzaak?’

De jonge rechercheur knikte traag. ‘Ik heb alles overhoop gehaald. Vanaf die morgen dat we het lijk aan de kerkmuur vonden.’ ‘En?’

Vledder schoof met een loom gebaar zijn aantekeningen opzij. ‘Ik kom er niet uit,’ zei hij moedeloos. ‘Ik dacht dat we nu eindelijk dicht bij de oplossing waren, maar dat is niet zo… Althans, ik zie nog geen énkel verband.’ Hij schoof zijn stoel wat achteruit. ‘Jij stelde dat Archibald van Maanenfeldt tussen 13 oktober en 3 november werd vermoord. Oké, dat kan ik volgen. Ik neem ook aan dat hij in die tijd thuis was, in zijn villa. We weten dat het echtpaar Van Maanenfeldt vrijwel nooit bezoek ontving. Ze waren dus vermoedelijk samen… tante Heleentje en haar man.’ De Cock fronste zijn wenkbrauwen. ‘Jij denkt dat tante Heleentje de moord heeft gepleegd?’

Vledder schudde zijn hoofd. ‘Dat klopt niet, want waarom werd dan zuster Martha omgebracht? Ik bedoel, als zuster Martha is gestorven omdat zij van de moord op Van Maanenfeldt op de hoogte was… wie was dan háár moordenaar? Wie had er belang bij dat ze voor eeuwig zweeg? Tante Heleentje niet… althans niet meer. Eerstens had ze geen rijbewijs… was niet in staat een auto te besturen en ten tweede… ze was allang dood en begraven.’ De Cock gebaarde. ‘Conclusie? Tante Heleentje was het niet.’ Vledder zuchtte. ‘Oké, dan had het echtpaar toch bezoek? Een bezoeker of bezoekster die de geboden gastvrijheid misbruikte om Archibald van Maanenfeldt achter op de schedel te meppen. Dan doemt onmiddellijk de vraag op: Waarom sloeg tante Heleentje geen alarm? Waarom liet ze de moordenaar niet arresteren?’

De Cock knikte zijn jonge collega bemoedigend toe. ‘Heel goed,’ zei hij bewonderend. ‘En het antwoord?’

Vledder staarde nadenkend voor zich uit. ‘Of,’ zei hij peinzend, ‘ze was zélf medeplichtig, óf de bezoeker of bezoekster was haar dierbaar. Dierbaarder dan het leven van haar excentrieke echtgenoot.’

De Cock knikte. ‘Dat laatste,’ zei hij instemmend, ‘dat is het. Aan een daadwerkelijke medeplichtigheid kan ik, gezien de figuur van tante Heleentje, moeilijk geloven. Ze was een kwezeltje, dat de heerschappij van haar tirannieke man lijdend verdroeg. Van ruzies of enige vorm van verzet is ons niets gebleken. Dat de dader haar dierbaar was en in feite uitvoerde wat zijzelf al jaren heimelijk had gewenst… daarvan ben ik overtuigd. Daarom hield zij de dader de hand boven het hoofd. Ze meldde de moord niet, zweeg. Maar het was een last die ze niet kon dragen. Op een nacht werd het haar te veel. Ze sloeg een oude mantel om en rende naar zuster Martha, haar vertrouwelinge.’

Vledder gebaarde ongeduldig. ‘Goed, goed,’ riep hij wrevelig. ‘Maar wie… wíé was haar zo dierbaar?’

De telefoon rinkelde. De Cock nam de hoorn op en luisterde. Na een poosje legde hij de hoorn op het toestel terug. Hij had niets gezegd. Slechts gebromd.

Vledder keek hem gespannen aan. ‘Wie was het?’

‘De wachtcommandant met een mededeling.’

‘Een mededeling?’

‘Archibald van de Wheerlingen is met een gapende hoofdwond en in bewusteloze toestand opgenomen in het Wilhelmina Gasthuis.’ Vledder fronste zijn wenkbrauwen. ‘In Amsterdam?’ vroeg hij verbaasd.

De Cock knikte. ‘Een goed halfuur geleden is hij door mannen van een surveillancewagen gevonden.’

‘Waar?’

De Cock staarde langs hem heen. ‘Bij het ’s Gravenhekje.’

De Cock kwam met zijn hoedje in de hand waggelend uit de lange gang van het paviljoen. Zijn boord zat los en de strop van zijn das hing laag. De Cock hield niet van ziekenhuizen. De lucht benauwde hem. Vledder liep gehaast op hem toe. ‘En?’ vroeg hij nieuwsgierig.

De Cock zuchtte diep. ‘Een ernstige shock.’

Het gezicht van de jonge rechercheur betrok. We mogen hem niet verhoren?’

De Cock schudde mistroostig zijn hoofd. ‘Het lichamelijke letsel is vrij onbeduidend. Een flinke hoofdwond nabij de haargrens. Ongeveer boven het linkeroog. De shocktoestand is veel ernstiger. Volgens de behandelende arts kan het nog wel enige tijd duren voor neef Archibald weer tot een redelijke conversatie in staat is. Hij schijnt zich de laatste dagen zoveel morfine te hebben ingespoten, dat het een wonder is dat hij nog leeft.’ Vledder gebaarde heftig. ‘Stomme vent,’ siste hij verbeten. De Cock trok zijn brede schouders op. ‘We weten niet onder welke spanningen Van de Wheerlingen heeft geleefd. Misschien was die grote hoeveelheid morfine een poging tot zelfmoord… wilde hij wel dood.’

Vledder grijnsde. ‘Waarom? De toekomst was voor hem rooskleurig genoeg. Denk eens in… mede-erfgenaam van ettelijke miljoenen.’

De Cock schudde zijn hoofd. ‘Van de man, naar wie hij vijfentwintig jaar geleden werd vernoemd, erft hij niets.’

‘Niets?’

‘Nee. De miljoenen van Van Maanenfeldt gaan naar nicht Abigail.’

‘Hoe kom je daarbij?’

De Cock trok een droef gezicht. ‘Oom Archibald en tante Heleentje waren op huwelijksvoorwaarden getrouwd. Alleen de villa staat op naam van tante Heleentje. Ik kwam erachter toen ik gisteren, terwijl jij naar de sectie was, jouw heer Verpoorten uit Utrecht heb gebeld om hem te zeggen dat hij zich bij de herkenning had vergist. Hij uitte duizend verontschuldigingen en werd uiteindelijk wat vertrouwelijk. Met veel omhaal vertelde hij van het huwelijk van zijn vroegere firmant met Helena Wijngaerden en van de heimelijke relatie die Van Maanenfeldt met zijn schoonzuster Aleida Drosselhoff onderhield. Het was — zo vertelde hij — in bepaalde kringen algemeen bekend dat Abigail door hem was verwekt. Van Maanenfeldt heeft dat ook nooit ontkend. Acht jaar geleden liet hij een testament opmaken, waarin hij zijn aansprakelijkheid toegaf. Als zijn eigen huwelijk kinderloos bleef, ging zijn gehele vermogen naar zijn nicht Abigail.’

Vledder keek hem met grote ogen aan. ‘En neef Archilbald weet dat?’

De Cock krabde zich achter in de nek. ‘Ik weet het niet zeker. Maar uit allerlei omstandigheden… zijn onbetwist verblijf in de villa… neem ik aan dat alle betrokkenen van bedoeld testament op de hoogte zijn.’

Vledder slikte. ‘Maar dan ontbreekt voor Archibald elke grond om…’

‘… om zijn oom te doden.’

Vledder maakte een wild gebaar. ‘Daar had hij geen enkel belang bij.’ Hij staarde secondenlang voor zich uit. ‘Dan vervalt voor hem ook het motief voor de moord op zuster Martha. Die twee moorden hangen samen. De een komt uit de ander voort.’ De Cock streek peinzend langs zijn kin. ‘Wat zocht neef Archibald aan het ’s Gravenhekje? Als de jongens van de surveillancewagen hem niet zo snel hadden gevonden, was hij nu net zo dood als…’

Vledder keek geschrokken naar hem op. ‘Heb je hem gezien?’ vroeg hij angstig.

De Cock knikte traag. ‘Het heeft mij ontzettend veel moeite gekost om de behandelende arts zover te krijgen. Het was ook de enige concessie waartoe hij bereid bleek.’ Hij glimlachte wat wrang. ‘Ik wilde hem zien. Ik wenste zekerheid. Ik ben door die affaire Van Maanenfeldt bijzonder voorzichtig geworden. Ik wilde per se weten of de patiënt werkelijk onze neef Archibald is.’ ‘En?’

De Cock wreef met zijn vingers tussen zijn boord. ‘Hij was het… zonder twijfel. Ik herkende hem direct. Hij was alleen sterk vermagerd, zag er slecht uit… had zich ook in dagen niet geschoren.’ ‘Heb je nog met hem gesproken?’

De Cock schudde zijn hoofd. ‘Ik bleef treuzelen en toen de zuster, die mij bij zijn bed had gebracht, even wegging, heb ik geprobeerd snel wat te vragen, ondanks het uitdrukkelijk verbod van de dokter.’ Hij streek met zijn hand over zijn haar. ‘Het ging niet,’ zei hij vermoeid. ‘Hij scheen mij niet te horen.’ Vledder beet op zijn onderlip. ‘Dan staan we voorlopig op dood spoor,’ zei hij moedeloos. ‘Neef Archibald is een sleutelfiguur. Zijn verhoor had de hele zaak kunnen klaren. Het staat in ieder geval vast dat hij…’

De Cock zette zijn hoedje op en liep van hem weg. Hij had duidelijk niet geluisterd. Vledder stapte wat verbolgen achter hem aan. Bij de uitgang draaide de oude speurder zich plotseling om.

‘Heb je zijn spullen nagekeken?’ De jonge rechercheur keek hem niet-begrijpend aan.

‘Welke spullen?’

De Cock gebaarde wat ongeduldig. ‘De spullen van Van de Wheerlingen… waarmee hij in het ziekenhuis is gekomen… zijn kleding en alles wat daar zo bij hoort.’ Zonder op antwoord te wachten beende hij langs hem heen, terug de lange gang in. Vledder keek hem na. Een verbaasde trek op zijn gezicht. Er waren momenten dat hij zijn collega niet meer kon volgen.

Hoofdinspecteur Everhardt, de dynamische chef van de opiumploeg, bladerde gehaast zijn papieren door. ‘Mijn mensen hebben er geen melding van gemaakt,’ zei hij hoofdschuddend. ‘Ik heb alles doorgenomen. Ik kan er in hun rapporten niets van vinden.’ De Cock plukte aan zijn onderlip. ‘En het huis wordt voortdurend geobserveerd?’

Everhardt knikte. ‘Vierentwintig uur per dag. Ik heb er speciaal mensen voor uitgetrokken.’

‘Als dus Van de Wheerlingen het pand aan het ’s Gravenhekje was binnengegaan, dan was hij gezien?’

‘Zeker, dan was het ook gemeld. Elke bijzonderheid wordt gerapporteerd.’

De Cock knikte voor zich uit. ‘Waar is Raymond Verbruggen?’ Hoofdinspecteur Everhardt stak beide armen omhoog. ‘Van de aardbodem verdwenen. We zien alleen die oudere vrouw en het meisje.’

‘Tante Aleida en nicht Abigail.’

‘Inderdaad. Verder niemand. Ik heb al overwogen de hele zaak op te geven.

Zonder Raymond Verbruggen is geen actie te verwachten. Mijn mensen verspelen op die manier kostbare tijd.’

‘Waar kan hij zijn?’

Everhardt trok zijn schouders op. ‘Misschien in België. Ik heb al contact opgenomen met de politie in Antwerpen. Het is bekend dat Verbruggen daar relaties heeft.’

‘Komt daar ook de stuff vandaan?’

Everhardt zuchtte omstandig. ‘Het is niet gebruikelijk.’ Hij weifelde even.

Zie je, we weten feitelijk niet hoe het spul ons land wordt binnengebracht. We hoopten erachter te komen door hem te schaduwen. Maar jij stak ons een spaak in het wiel.’

De Cock glimlachte. ‘Daar hebben we het al eens over gehad.’ Hij stond op. ‘Worden de oudere vrouw en het meisje ook geschaduwd?’

Everhardt maakte een nonchalant gebaar. ‘Nee. Waarom?’ De Cock pakte zijn hoedje. ‘Nog één vraag. Iemand die morfine spuit, neemt die ook weleens opium?’

Everhardt schudde langzaam zijn hoofd. ‘Tenzij in nood… als hij niets anders heeft.’

De Cock knikte begrijpend. Zijn hoedje zwaaiend in een breed gebaar boog hij tot afscheid, diep, sierlijk, als een late ridder. Om zijn mond danste een glimlach.

Ze reden vanaf de binnenplaats van het hoofdbureau van politie de Marnixstraat in en gingen vandaar rechts naar de Elandsgracht. Een miezerige motregen kleefde vettig tegen de vooruit. Vledder draaide de wissers aan en sproeide de ruit schoon. ‘Wist Everhardt iets?’

De Cock volgde de ruitenwissers met zijn ogen. Het monotone ritme maakte hem slaperig. Beeldflarden schoven uit zijn herinnering naar voren… de vredige dode aan de kerkmuur… nicht Abigail bij de herkenning… Jopie Stuff in de cel…

‘Wist Everhardt iets?’

De Cock kneep zijn ogen stijf dicht en drukte de beelden weg. ‘Ze hebben Van de Wheerlingen niet gezien,’ zei hij wat afwezig. ‘Dat moet toch?’

De Cock wreef met duim en wijsvinger in zijn ooghoeken. ‘Ik weet niet waar hun observatiepost is. Everhardt wilde dat kennelijk niet kwijt. Ik denk dat hun uitzicht onvoldoende is, dat ze het ’s Gravenhekje niet in zijn geheel kunnen overzien.’ Hij schoof overeind en keek door de voorruit.

‘Waar rijd je ons heen?’

‘Terug naar het bureau.’

‘Heel goed.’ De Cock tastte in zijn jaszak en nam daaruit een dichtgeknoopte zakdoek. ‘Ik zal dit in het dashboardkastje leggen. Vergeet het straks niet.’

Vledder keek vanuit zijn ooghoeken toe. ‘Wat is het?’ ‘De injectiespuit van neef Archibald en een paar volle ampullen.’ ‘Morfine?’

De Cock knikte. ‘Had hij bij zich toen hij in het ziekenhuis werd gebracht.’

Vledder grijnsde. ‘Was dat nu zo belangrijk,’ zei hij spottend, ‘dat je daarvoor terugging?’ Hij trok zijn schouders op. ‘Een morfinist heeft een spuit en morfine.’ Het klonk als een credo. De Cock keek hem van terzijde aan.

‘Zo is het,’ zei hij simpel.

Robert Antoine van Dijk frommelde wat nerveus aan de randen van zijn colbert. ‘De heer Eskes zei dat er buiten De Cock in Amsterdam ook andere rechercheurs waren.’

De Cock grinnikte. ‘De heer Eskes vertelt niets nieuws.’ Van Dijk slikte. ‘Hij bedoelde te zeggen dat hij zijn laboratorium niet alleen voor u…’

De Cock wuifde ongeduldig. ‘Hoe is het met de vlekken op het servetje?’ vroeg hij bruusk.

Robert Antoine raadpleegde zijn notities. ‘Vrijwel zeker van de schmink uit de kist van Ferdinand Ferkades.’

‘Mooi! En het handschrift?’

Van Dijk maakte een hulpeloos gebaar. ‘Daar… eh, daar kon de heer Eskes nog weinig van zeggen.’

De Cock keek verstoord op. ‘Waarom niet? Heb je geen brieven van Louise de Graaf gekregen?’

‘Zeker. Een heel stapeltje, samengebonden met een lintje.’ ‘En?’

‘De heer Eskes had nog geen tijd gevonden om een vergelijkend onderzoek te doen. Hij zei dat hij ook nog een afgebroken naald van u had liggen, een oude injectiespuit en een vieze lepel.’ De Cock wreef langs zijn kin. ‘Hij moet opschieten,’ zei hij nadenkend. ‘Het wordt tijd.’

Hij kwam achter zijn bureau vandaar. en legde vertrouwelijk een hand op de schouder van de jonge rechercheur.

‘Robert,’ zei hij vriendelijk, ‘je moet iets voor mij doen.’ Van Dijk glunderde. ‘Schaduwen?’ vroeg hij gretig. Dat was het onderdeel van het recherchevak dat de jonge rechercheur het meest boeide.

De Cock knikte. ‘Bij het perceel ’s Gravenhekje 37,’ legde hij uit, ‘wordt door mensen van de opiumploeg gepost. Ik weet niet precies waar ze zitten, maar vermoedelijk vrij dicht bij het pand. Nu wil ik dat jij dat huis ook in de gaten houdt. Maar van een afstand. Je neemt een recherchewagen en zet die bij de Montelbaanstoren neer. Vandaar heb je een pracht overzicht. Neem ook een verrekijker mee, zodat je je niet in het pand kunt vergissen.’ Hij legde zijn wijsvinger tegen de rug van zijn neus. ‘Als nu uit het huis een oudere vrouw of een meisje komt… of samen… dan laat je ze eerst rustig gaan. Pas als ze uit het zicht van het ’s Gravenhekje zijn, ga je ze na. Begrijp je? Ik wil niet dat hoofdinspecteur Everhardt denkt dat ik onder zijn duiven schiet.’ Van Dijk knikte. ‘En dan?’

De Cock schudde zijn hoofd. ‘Niets… helemaal niets. Ik wil alleen weten waar ze heen gaan. Wat je ook ziet of hoort… je grijpt niet in. Je blijft op een afstand. Als het heel dringend is, neem je contact met ons op. Maak afspraken met de wachtcommandant en neem een walkie-talkie mee.’

‘Dat is alles?’

De Cock knikte. De lijnen rond zijn mond plooiden zich tot een milde glimlach. ‘Pas op jezelf,’ zei hij zacht, bezorgd. Robert Antoine van Dijk lachte verlegen. Een vriendelijke bejegening verwarde hem altijd een beetje. Hij aarzelde een paar seconden, draaide zich toen om en liep de kamer uit. De telefoon rinkelde. Vledder nam de hoorn open luisterde. De Cock keek toe.

‘Nieuws?’

Vledder grinnikte, wees op de hoorn. ‘Hier is jouw vriend… Smalle Lowietje. Hij zegt dat nu de glazen klaar staan.’ Het gezicht van De Cock verstarde.

‘We komen,’ zei hij kort.

Загрузка...