Ze slenterden over de Achterburgwal. Het regende een beetje, vies, miezerig. De oude iepen aan de gracht dropen en de gladde straatsteentjes glommen in het schaarse licht van de lantaarns. De meisjes stonden huiverig aan de deur. Werkeloos. De animo was klein. Het was geen weer voor de business.
De Cock zette de kraag van zijn regenjas omhoog en schoof zijn oude hoedje wat naar voren. Hij voelde zich triest, als het weer, en zijn voeten deden pijn.
Diepe denkrimpels kronkelden horizontaal over zijn voorhoofd. Hij had het verwarrende gevoel de oplossing van de moord te kennen… te weten hoe het allemaal in elkaar zat. Maar het begrip was nog zo vaag, zo onbestemd, had geen vorm, geen contouren. Het lag te diep verscholen in de bodem van zijn onderbewustzijn. Hij pijnigde zijn hersens af, liet alles wat hij wist nog eens de revue passeren, trachtte de keten te sluiten, maar het lukte niet. Er ontbraken schakels, verbindingen. Vledder liep naast hem voort. Sinds hun bezoek aan het café hadden ze niet meer gesproken. De jonge rechercheur keek zijn collega van terzijde aan en monsterde zijn gezicht.
‘Ik vond dat je bijzonder onhebbelijk was tegen Lowietje,’ begon hij voorzichtig.
De Cock knikte traag. ‘Dat was ik ook.’
‘Ben je er zeker van dat hij iets weet?’
De Cock schudde langzaam zijn hoofd. ‘Ik denk zelfs dat hij niets weet.’
De jonge rechercheur keek hem verbaasd aan. ‘Maar…’ stotterde hij, ‘waarom dan…’
De Cock likte een regendruppel van zijn bovenlip. ‘Lowietje is een jongen van de penoze. Hij heeft verbindingen die verder reiken dan onze telex. Hij heeft relaties die ik niet ken… en die ik waarschijnlijk nooit zal leren kennen.’ Hij glimlachte mat. ‘Ik hoop dat hij ze aanboort.’
Vledder knikte begrijpend. ‘Vandaar dat dreigement.’ De Cock trok de accolades bij zijn mond strak. ‘Ik ken Lowietje. Ik weet hoe hij is… hoe hij reageert. Ik speculeer op zijn medegevoel, zijn sentiment, op zijn… eh, zijn genegenheid voor mij.’ Hij draaide zich plotseling naar Vledder toe, veranderde scherp van toon. Zijn gezicht zag rood. ‘Verdomme!’ riep hij kwaad. ‘Wat moet ik? Dacht je dat ik het prettig vond dat spelletje te spelen? Het is goor.’
De jonge rechercheur zweeg. Geschrokken.
Bij de Oude Kennissteeg namen ze de brug naar het Oudekerksplein. Achter een rits auto’s om schoven ze naar de Annendwarsstraat. Beschut door de overhangende gevel van een oud hoekhuis stond een vrouwtje. Ze zag er in het halfduister aantrekkelijk uit. Kort, wat mollig. Onder een glimmend zwarte lakjas staken een paar stevige benen. De grijze speurder bleef voor haar staan en tikte zijn oude hoedje wat naar achteren. Ze keek hem aan. In haar donkere ogen glom een blik van herkenning.
‘De Cock… met ceeooceekaa,’ kirde ze. ‘Ik heb u een tijd niet gezien.’
De Cock glimlachte. ‘Ik heb je niet nodig gehad.’
‘Blij toe.’
De Cock grinnikte. ‘Ik ben altijd lief voor je geweest.’ Ze snoof verachtelijk. ‘Behalve dan die keer dat ik twee meier uit die vent zijn zak plukte.’
De Cock trok zijn schouders op. ‘Dat was stom.’ Hij legde zijn hand op haar mollige schouder. ‘Weet je dat Jopie dood is?’ Ze liet haar hoofd wat zakken. ‘Ik heb het gehoord.’ ‘Je hebt toch een tijdje met hem gescharreld?’
‘Lang geleden.’
De Cock wreef over zijn kin. ‘Oude liefde roest niet. Zag je hem nog wel eens?’
‘Soms.’
‘Wanneer voor het laatst?’
Ze keek naar de straat, schoof met haar hak over de tegels. ‘Vorige week.’
‘Dat was kort voor zijn dood.’
Ze beet op haar lip. ‘Hij kwam hier langs. Op een avond. “Hou je nog van me, meid?” vroeg hij.’ Ze gebaarde wat triest voor zich uit. “Dat vroeg hij altijd als hij mij zag.”’
‘En?’
‘Ik zei: “Zeker, jongen. Hoeveel is het je waard?” Dat was altijd mijn antwoord.’ Ze plukte met haar felrode nagels nerveus aan de kraag van haar lakjas. ‘Het was natuurlijk maar een gebbetje van me. Ik zou er Jopie nooit geld voor gevraagd hebben, begrijpt u, gezien onze oude relaties.’
De Cock knikte.
‘Con amóre.’
‘Wat is dat?’
‘Met liefde.’
Ze keek hem misprijzend aan. ‘Liefde,’ zei ze verachtelijk. ‘Wie gelooft daarin?’
De Cock plooide zijn lippen in een tuitje. ‘Ik… en Jopie.’ Ze snoof. ‘Jopie was een man in een zweefmolen. Hij begreep alleen niet dat je voor elke rit moet betalen.’
‘En jij?’
‘Wat bedoel je?’
‘Begrijp jij het wel?’
Ze zuchtte diep. ‘Verdomde goed. Je krijgt in deze wereld niets voor niks. Dat heb ik ook tegen hem gezegd.’
‘Wanneer?’
‘Die avond.’
‘Waarom?’
Ze schudde droef haar hoofd. ‘Hij zat weer eens met zijn hoofd in de wolken. “Meid,” zei hij, “nog een paar dagen, dan kom ik je halen. Dan is het uit met de business. Dan wordt er niet meer gepeesd.” Ik zei: “En waar eten we dan van?” Toen begon hij te lachen. “Van de poen,” zei hij. “Van een grote bult met poen.” Het klonk nog alsof hij het meende ook.’
De Cock keek haar aan. ‘Enne…’ vroeg hij aarzelend, ‘hoe… eh, hoe dacht hij aan die bult te komen?’
Ze trok haar schouders op. ‘Dat weet ik niet.’
‘Heeft hij dan niets gezegd?’
Ze knikte traag. ‘Jawel… hij was dolenthousiast. Geen problemen. Het was “kat in het bakkie”, zei hij. De plannen lagen klaar. Ze konden de poen zo halen.’
‘Ze?’
‘Jopie en de Baron. Ze deden samen. En dan was er nog een Belg.’
De Cock keek verrast op. ‘Een Belg?’
Ze grinnikte zachtjes. ‘Een jonge Belg… uit Antwerpen. Een gluiperdje volgens Jopie. De Baron had ook eerst niet willen meedoen. De Belg beviel hem niet. Jopie had hem tenslotte bepraat. Zonder die Belg ging het niet. Ze hadden hem nodig.’ ‘Waarvoor?’
Ze trok opnieuw haar schouders op. ‘Dat weet ik niet,’ zei ze wat wrevelig. ‘Ik heb niet steeds zo goed geluisterd. Jopie zat altijd vol plannen. Je werd op laatst duf van zijn gezwam.’ De Cock vatte haar bij een arm. ‘Denk eens na, Marie,’ zei hij scherp, dwingend. ‘Waarvoor hadden ze hem nodig?’ Ze liet haar hoofd wat zakken, krabde in het rode haar. Plotseling keek ze op. De blik in haar ogen verhelderde. ‘Papieren,’ zei ze hees. ‘Dat was het, de Belg had papieren.’
‘Wat voor papieren?’
De Cock schoof zijn stoel iets achteruit en legde zijn benen op het bureau. ‘De papieren van Van Maanenfeldt.’
Vledder fronste zijn wenkbrauwen. ‘Oom Archibald?’ De Cock knikte heftig. ‘De Baron mocht uiterlijk nog zoveel op de miljonair lijken, hij zou, wanneer dat werd verlangd, toch moeten kunnen bewijzen wie hij was: Archibald van Maanenfeldt uit Blaricum, een man met een bijzonder fraai banktegoed. Zonder deugdelijke identiteitsbewijzen kon de hele maskerade gemakkelijk mislukken. Je moet bedenken dat de Baron geconfronteerd zou worden met mensen die Van Maanenfeldt kenden.’ Vledder stond op. ‘Wie is dan die Belg?’
De Cock grijnsde breed. ‘Laat je fantasie werken,’ riep hij opgewekt. ‘Wie is hun derde man? Wie komt voor die rol het meest in aanmerking?’
De jonge rechercheur staarde hem verbijsterd aan. ‘Raymond Verbruggen.’ De Cock lachte. ‘Juist, Raymond Verbruggen, de Belgische meneer, zoals Maria van der Nooy hem noemde.’ Vledder zuchtte. ‘De man met de groene DS 21.’
De Cock plukte nadenkend aan zijn onderlip. ‘Hij is duidelijk de man op de achtergrond. Volgens mij is hij ook degene die de Baron een foto van de echte Van Maanenfeldt leverde.’ ‘De foto in de schminkkist.’
‘Precies. Raymond Verbruggen heeft zijn relaties met tante Aleida en nicht Abigail uitgebuit om zich uitgebreid over het gedrag van de miljonair te informeren.’
De jonge Vledder stak zijn onderkin vooruit. ‘Laten we hem arresteren.’
De Cock keek hem wat verward aan. ‘Dat heb je al meer geopperd,’ zei hij geprikkeld. ‘Waarom? Ik bedoel… op welke grond?’
‘Moord.’
‘Op wie?’
‘De Baron. Hij is de enige van die drie samenzweerders die nog leeft.’
De Cock grinnikte. ‘Is dat een bewijs? En wat is zijn motief? Had hij belang bij de dood van de Baron? Integendeel, als we het plan goed analyseren, betekende de dood van Ferdinand Ferkades het einde van een droom. De Baron had het uiterlijk van de miljonair. Zonder hem ging het feest niet door. Het zou althans veel tijd en moeite kosten om weer een toneelspeler te vinden die bereid en in staat was de rol van Van Maanenfeldt te spelen.’ De Cock schudde zijn hoofd. ‘Ik zie voorlopig geen enkele reden om onze Belgische vriend zijn vrijheid te benemen.’ Vledder slikte. ‘Raymond Verbruggen leverde de papieren. Hij is toch duidelijk medeplichtig.’
De Cock spreidde zijn armen. ‘Waaraan? Oplichting? Er was nog niets gebeurd. Zelfs geen poging. Er waren plannen en voorbereidingshandelingen, maar geen begin van uitvoering in de zin van de wet.’ Hij zweeg even. ‘En wat die groene DS 21 betreft… met de wagen van Raymond Verbruggen is nooit een aanrijding gebeurd.’
Vledder reageerde verbaasd. ‘Hoe weet je dat?’
De Cock glimlachte fijntjes. ‘Ik heb hem bij een normale verkeerscontrole door deskundige jongens van de Technische Dienst laten onderzoeken.’
Vledder keek hem bewonderend aan. ‘De spectraalanalyse van de lak. Je hebt tóch aan moord op zuster Martha gedacht.’ De Cock maakte een grimas. ‘Ik probeer voorlopig aan alles te denken.’
De telefoon rinkelde. Hij nam zijn benen van het bureau en greep de hoorn. ‘De Cock…’
Zonder verder iets te zeggen legde hij de hoorn terug. Vledder keek hem vragend aan. ‘Is er iets?’
De Cock grijnsde. ‘De commissaris… ik moet bij hem komen.’
De kamer van de commissaris stond blauw van de rook. Het sloeg De Cock op de ogen. Hij kneep ze halfdicht. Door de rookslierten heen ontdekte hij hoofdinspecteur Everhardt, de chef van de opiumploeg. Hij zat in een lage feuteuil bij het raam. Zijn grove pijp walmde als een schoorsteen. Schuin naast hem zat rechercheur Stekelenkamp.
De Cock kuchte demonstratief, trok zijn neus op en snoof. ‘Er is de laatste tijd blijkbaar weer veel hasjiesj in beslag genomen,’ scherste hij wrang. ‘Ik ruik het.’
Everhardt wees verstoord op zijn pijp. ‘Zuivere mixture.’ De oude rechercheur kon niet zo best met de chef van de opiumploeg overweg. Er waren in het verleden wel eens strubbelingen geweest. Heftige meningsverschillen.
De commissaris wuifde naar een lege fauteuil. ‘We moeten met je praten, De Cock. Dit is belangrijk. Mogelijk ook voor jouw onderzoek. Everhardt en Stekelenkamp zijn bij mij gekomen om te coördineren.’ Hij pauzeerde even, bracht zijn slanke handen naar voren en drukte de vingertoppen tegen elkaar. ‘Misschien is het beter te zeggen… om hun beklag te doen.’
De Cock keek verrast op. ‘Beklag?’
De commissaris knikte. ‘De heren,’ zei hij vormelijk, ‘zijn beiden van mening dat jij hun onderzoek dwarsboomt.’ De Cock grinnikte wat dwaas. ‘Belachelijk. Welk onderzoek?’ Everhardt schoof iets naar voren. ‘Je laat Jopie Stuff praktisch onder je eigen ogen sterven… zonder dat wij ook maar een moment de gelegenheid hebben gehad om met hem te praten. Wie weet wat hij ons over zijn relaties in het wereldje van de drughandel had kunnen vertellen.’
De Cock kneep zijn lippen op elkaar. ‘Jopie pleegde zelfmoord… en daar heeft hij mij niet bij geroepen. En mag ik u er verder aan herinneren dat diezelfde Jopie Stuff in het laatste halfjaar tweemaal door mensen van uw eigen ploeg is verhoord?’ Hij ademde diep. ‘Dat kan slechts twee dingen betekenen: óf Jopie wist niets, óf de verhoren waren vrij gebrekkig.’
Everhardt klapte zijn pijp in de asbak. Zijn gezicht zag rood. ‘Ik verbied je uitdrukkelijk,’ zei hij fel, ‘de mensen van mijn ploeg te bekritiseren.’
De commissaris kwam sussend tussenbeide. ‘Aan de dood van Johannes Brouwer,’ sprak hij geaffecteerd, ‘heeft De Cock geen schuld. Uiteraard niet. Bovendien meen ik, dat onmiddellijk na de arrestatie van Johannes Brouwer contact met jouw ploeg is opgenomen in verband met de bij hem gevonden hasjiesj. Ook in dat opzicht treft De Cock geen blaam. Het lijkt mij wenselijk de affaire-Jopie Stuff te laten rusten en ons te bepalen tot het ’s Gravenhekje. Dat is belangrijker.’
De Cock reageerde verbaasd. ‘Het ’s Gravenhekje?’ De commissaris keek hem aan. ‘Nummer 37… jou wel bekend!’ Hij gebaarde in de richting van Everhardt en Stekelenkamp. ‘De heren zijn ervan overtuigd,’ ging hij verder, ‘dat de schoonheidssalon van Abigail van Maanenfeldt niets met die naam gemeen heeft, maar dient als dekmantel voor een uitgebreide handel in drugs. Mensen, die onder het mom van een schoonheidsbehandeling binnenkomen, worden voorzien van hasjiesj, morfine, heroïne… wat ze maar wensen. Uiteraard tegen forse betaling. Ook kleine handelaren zouden daar hun inkopen doen. Nietwaar… eh…?’
Everhardt knikte. ‘Het is een distributienest, om het zo maar eens uit te drukken, goed gecamoufleerd. En de grote leverancier is…’
‘… Raymond Verbruggen,’ viel De Cock in.
Everhardt zuchtte. ‘Raymond Verbruggen,’ herhaalde hij langzaam. ‘We houden het ’s Gravenhekje al geruime tijd in het oog, maar sinds jij en Vledder daar een paar maal zijn geweest…’ Hij wuifde opzij. ‘Stekelenkamp heeft jullie gezien en sindsdien lijkt de zaak stilgezet. Er zijn geen activiteiten meer. Bezoekers worden al bij de deur afgepoeierd.’ Hij zweeg even. ‘We hoopten dat het maar een tijdelijke stilstand zou zijn. Maar nu jij van de week de wagen van…’ Hij maakte zijn zin niet af. De Cock wreef met zijn hand over zijn gezicht. ‘Ik begrijp het,’ zei hij hees. ‘Raymond Verbruggen is klaarwakker geworden.’ Hij schudde zijn hoofd, keek naar Everhardt op. ‘U neemt toch niet aan, dat ik wist dat jullie…’
Op het ronde gezicht van de politiechef brak een glimlach door. ‘Natuurlijk niet. Het is ook ergens onze fout. Het was misschien beter geweest als we je onmiddellijk hadden ingelicht. Maar je begrijpt dat we de zaak liefst zo geheim mogelijk houden.’ De Cock staarde voor zich uit. ‘Hoe komt u aan al die gegevens over Abigail, het ’s Gravenhekje en Raymond Verbruggen?’ Everhardt keek hem onderzoekend aan. ‘Waarom wil je dat weten?’
De Cock trok wat nonchalant zijn schouders op. ‘Het interesseert me, in verband met mijn onderzoek.’
De hoofdinspecteur greep zijn tas en knipte die open. ‘Een anonieme tip,’ zei hij ruiterlijk. ‘Schriftelijk.’ Hij overhandigde De Cock een gevouwen velletje.
De rechercheur bekeek het aandachtig. Het bleek een papieren servetje, geel, wat verfrommeld. In een peuterig handschrift stonden tal van gegevens over leveringen van drugs, compleet met tijden. Raymond Verbruggen en het ’s Gravenhekje werden met name genoemd.
De Cock las het geheel aandachtig door. Daarna vouwde hij het servetje uit en hield het tegen het licht. Op diverse plaatsen zaten roodbruine vlekken, doortrokken van vet.
Everhardt volgde gespannen zijn bewegingen. ‘En?’ vroeg hij nieuwsgierig.
De Cock gaf hem het servetje terug.
‘Schmink,’ zei hij raadselachtig. ‘Gewone schmink.’