8

De Cock nam zwierig zijn oude hoedje af en boog vormelijk. ‘De Cock… met ceeooceekaa… speurder van professie.’ Maria van der Nooy glimlachte en wees opzij. ‘Dan is hij Vledder,’ reageerde ze guitig.

De Cock knikte en drukte de hand die ze hem toestak, lang, slank en blank als marmer. Een vriendelijke verpleegster schudde haar kussen wat op en verdween toen geruisloos. De Cock keek rond. De kamer was modern gemeubileerd met een touch van verfijnde luxe.

‘Hoe bevalt het u hier?’

Ze trok zich iets op en blikte rond. ‘Het is allemaal even mooi. Ze zijn ook erg lief voor me. Toch denk ik vaak terug aan ons boerderijtje en aan Martha. Ze was altijd zo behulpzaam, zo sterk, zo zeker van zichzelf. Ik heb veel aan haar te danken. Sinds de dood van moeder heeft ze voor mij gezorgd. En dat is al heel lang.’ De Cock keek in het bleke gezicht. ‘Ze heeft een stoel in de hemel verdiend.’

Het gezicht van Maria versomberde. ‘Dominee zegt dat ik het goede deel heb uitgekozen.’ In haar stem klonk twijfel. ‘Maar zonder de zorgen van Martha had ik nooit kunnen bestaan.’ De Cock knikte voor zich uit. ‘Martha was bekommerd en verontrust over vele dingen.’

Ze keek blij verrast op. ‘U kent de bijbel?’

De Cock slikte. ‘Ik weet wat dominee in zijn toespraak gezegd heeft.’

Ze streek met haar hand over de deken. ‘Sinds ik hier in huis ben, heb ik veel over de dood van Martha nagedacht. De politie zei dat het een ongeval was… een dronken chauffeur of zo… Maar daar geloof ik niet in.’ Er vloog een zenuwtrek over haar wang. ‘Ze hebben haar vermoord.’

‘Waarom?’

‘Ze wist te veel.’

‘Waarvan?’

Ze keek schichtig om zich heen. ‘Er zijn vreemde dingen gebeurd op de Schapendrift.’

‘In de villa?’

Ze knikte met een ernstig gezicht. ‘Martha was de laatste weken voor haar dood helemaal van streek. Ik merkte het aan haar. Ze vergat dingen. Dat gebeurde haar nooit.’

De Cock gebaarde wat nonchalant. ‘De dood van tante Heleentje, ik bedoel mevrouw Van Maanenfeldt, zal haar diep hebben getroffen. Het kwam toch vrij plotseling.’

Ze schudde traag haar hoofd. ‘Martha had het wel verwacht. “De arme ziel zal het niet lang meer maken. Ik geloof het nooit. Ze loopt gillend door het huis,” zei Martha.’

De Cock keek haar verward aan. ’Gillend door het huis?’ herhaalde hij vragend.

Maria van der Nooy kneep haar ogen even dicht. ‘Ze had last van nachtmerries. Ze deed vrijwel geen oog meer dicht. Ze zag spoken.’

‘Spoken?’

‘Ja. Ze is eens midden in de nacht bij ons binnen komen vallen… een oude mantel over haar nachthemd. Ik ben toen erg van haar geschrokken. Ze zag er verschrikkelijk uit.’

‘Wanneer was dat?’

‘Een dag of tien voor haar dood.’

‘En toen?’

Maria van der Nooy verschoof in haar bed. ‘Martha heeft zich aangekleed en is meegegaan naar de villa. Ze kwam de volgende dag pas laat thuis. Helemaal in de war. ‘Maria, een mens heeft recht op een christelijke begrafenis, vind je niet?’ Dat zei Martha.’ Ze zweeg even, streek met haar tong langs haar droge lippen. ‘Ik heb er toen niet verder bij nagedacht. Ziet u, wij zijn tegen crematie, uit geloofsovertuiging. Martha en ik hadden daar vaak over gesproken. De opstanding, begrijpt u. Wij…’ De Cock wuifde wat ongeduldig. ‘Wie had er recht op een christelijke begrafenis?’

Ze tastte met een hand naar haar gezicht. ‘Daar breek ik mij nu al maanden het hoofd over. Volgens mij doelde Martha helemaal niet op crematie, maar op iets dat in de villa was gebeurd.’ De Cock boog zich naar haar toe. ‘Wat was er in de villa gebeurd?’

Maria van der Nooy schoof onrustig in haar bed heen en weer en schudde haar hoofd, verward, onzeker. Op haar bleke gezicht kwamen blosjes. ‘Dat vroeg jongeheer Archibald ook al.’ De Cock reageerde verbaasd. ‘Is die hier geweest?’

Ze knikte traag. ‘Hij kwam mij condoleren met de dood van Martha. Hij was heel aardig, meelevend en zo. Hij zei dat Martha altijd veel voor zijn tante had gedaan en dat oom Archibald zeker nog eens van zijn dankbaarheid zou getuigen. Martha had na haar drukke leven een rustige levensavond verdiend. Het was bijzonder triest, vond hij, dat ze op zo’n verschrikkelijke manier aan haar eind was gekomen.’

De Cock schoof zijn onderlip vooruit. ‘En toen vroeg hij wat er in de villa was gebeurd?’

Ze slikte. ‘Niet direct. Hij zei dat zijn tante Martha altijd volledig had vertrouwd, deelgenote had gemaakt van haar geheimen.’ De Cock grijnsde. ‘Kortom, hij wilde weten welke geheimen u kende.’

Ze knikte voor zich uit. ‘Ik zei hem dat ik niets wist, dat ze nooit iets vertelde, dat Martha van nature niet praterig was.’ Ze keek naar de grijze speurder op. ‘En dat was ze ook niet.’ Ze sprak ineens fel, opgewonden. ‘Martha was wat eenzelvig. Ze had een sterk gesloten karakter. Ze was het ideale type om een moord mee…’

Ze stokte plotseling. Geschrokken. Haar ogen werden groot, puilden bijna uit hun kassen. Ze draaide zich met een ruk om en verborg haar gezicht in het kussen. ‘Nee… nee!’ Ze snikte gesmoord. ‘Martha… Martha niet!’

De Cock stond van zijn stoel op en keek vanuit de hoogte op haar neer. Daarna wendde hij zijn blik naar Vledder. Het gezicht van de jonge rechercheur zag bleek. De Cock slenterde naar het raam en keek in de tuin. De gazons waren kort geschoren. Er was veel geel van tulpen en forsythia’s.

Ineens kwam hem de verwilderde tuin van de oude villa voor de geest, het onkruid tussen de tegels van het terras, de verwaarloosde keuken in schreeuwend blauw, neef Archibald en de meubels onder hoezen. Welk drama had zich daar afgespeeld? Achter hem klonk het zachte gesnik van Maria. Hij draaide zich langzaam om.

‘Is Aleida hier ook geweest?’

Het snikken hield op. Maria van der Nooy keek hem met betraande ogen aan. ‘Die feeks!’ In haar stem klonk afschuw, haat. ‘Een werktuig van de duivel… met haar Belgische meneer.’ ‘Belgische meneer?’

‘Ja, die Raymond… of hoe die ook heet. Ze kwamen mij opzoeken in ons boerderijtje. Martha lag nog boven aarde. Ze vroegen mij of Martha sieraden had meegenomen.’ Ze begon weer te snikken. ‘Sieraden! Martha zou zoiets nooit doen.’ Ze slikte haar tranen weg. Op haar gezicht kwam een harde trek. ‘Aleida heeft zelf na de dood van mevrouw dagen in de villa lopen rondsnuffelen. De jonge Archibald heeft haar op het laatst weggestuurd.’

De Cock trok een denkrimpel in zijn voorhoofd. ‘Vroeg nooit iemand naar de oude Archibald?’

Ze keek hem verbaasd aan. ‘Waarom… die zwierf toch?’ De Cock plooide zijn gezicht in een vriendelijke lach. ’Dat is waar. Ik was het vergeten.’ Hij nam zijn hoedje van het bed en drukte haar de hand. ‘We komen u nog wel eens opzoeken. U blijft voorlopig hier?’

Ze knikte met een ernstig gezicht. ‘Tot het Onze-Lieve-Heer behaagt mij weg te nemen.’

De Cock legde beide benen op zijn bureau. Vermoeidheidspijn in zijn voeten kroop vanuit zijn tenen langs zijn enkels omhoog en prikte in zijn kuiten. Het maakte hem humeurig, prikkelbaar. Bovendien verliep de zaak niet naar zijn zin. De lijn ontbrak. Het hoe en waarom bleef een mysterie. Welke rol had Martha gespeeld? Wat wist ze? Voor wie was Martha zo gevaarlijk, dat moord de enige oplossing bleek? Wat was er in de villa gebeurd? Wat boezemde tante Heleentje zoveel angst in dat ze midden in de nacht de straat op vluchtte? Spoken? Onzin. Knaagde haar geweten?

Hij wierp wat bruusk zijn pen op het bureau. ‘Vragen, vragen!’ riep hij luid. ‘Alleen maar vragen. Er moet toch ergens een samenhang zijn!’ Hij sloeg met de muis van zijn hand tegen zijn voorhoofd. ‘Verdomme! Kan ik dan niet meer denken?’ Vledder schoof een stoel bij en ging naast hem zitten. ‘Waarom arresteren we Raymond Verbruggen niet?’

‘Op grond waarvan?’

De jonge rechercheur gebaarde breed. ‘Moord op zuster Martha en poging tot moord op neef Archibald.’

‘Je bedoelt de groene DS 21 en de partikeltjes groene lak op het spatbord van de fiets?’

‘Precies.’

De Cock streek over zijn haar. ‘Dan zal je toch eerst moeten onderzoeken hoe lang hij die wagen al heeft en of er wel eens een aanrijding mee heeft plaatsgehad. Anders heb je geen been om op te staan. Hoeveel wagens van dat type denk je dat er rondrijden?’ Hij nam zijn benen van het bureau. ‘Bovendien, wat is zijn motief?’ Vledder grijnsde. ‘De belangen van Abigail… zijn aanstaande vrouw.’

‘Dat kan gelden voor de aanslagen op neef Archibald. Maar waar is zijn motief voor de moord op zuster Martha?’ Hij pauzeerde een paar seconden, staarde nadenkend voor zich uit. ‘Hebben ze in Blaricum een spectraalanalyse van de lak gemaakt?’ Vledder trok zijn schouders op. ‘Dat weet ik niet.’

De Cock gebaarde in zijn richting. ‘Als het niet is gebeurd, laat het dan alsnog doen. Het kan te pas komen. Wie zuster Martha voor eeuwig het zwijgen…’ Een bons op de deur onderbrak hem. De beide rechercheurs keken op. Achter het geribde glas schemerde een vaag silhouet. Vledder riep: ‘Binnen!’ De deur week langzaam. In de opening verscheen een vreemd uitgedoste man, een hippe figuur in een nauwsluitende spijkerbroek met opgezette stukken en een zwart shirt onder een jack van groezelig bont. Hij trok de deur achter zich dicht en kwam schuifelend naderbij, wat scheef, een zware koffer aan zijn rechterhand. Bij het bureau van De Cock bleef hij staan en zette de koffer neer. Hij keek van de jonge Vledder naar De Cock en terug. Op zijn gezicht lag een brede grijns.

‘Het is… eh, het is nog niks met jullie, is het niet?’ Het klonk misprijzend. ‘Ik bedoel, jullie hebben hem nog niet… de moordenaar. Ik koop er speciaal dagelijks een krant voor. Ik heb nog niks gelezen.’

De Cock trok zijn gezicht in een ernstige plooi. ‘Jij was zijn vriend. Grote Pier en de Baron. Het stond op jullie buitendeur. Jij hebt de laatste maanden met hem opgetrokken. We hadden de stille hoop dat jij met belangrijke aanwijzingen zou komen.’ Grote Pier grijnsde wat schaapachtig. ‘Ik? Ik heb jullie gezegd waar je zijn moordenaar kunt vinden. De Baron was bij de dealers niet erg geliefd.’

De Cock keek ongelovig. ‘Hij was anders goede maatjes met Jopie Stuff.’

Grote Pier grinnikte. ‘Dat was heel wat anders. De Baron gebruikte Jopie.’

Hij schoof de koffer wat dichterbij en ging er op zijn gemak bij zitten. ‘Kijk, Jopie was maar een klein mannetje. Geen echte dealer. Hij schnabbelde wat mee, verkocht wat, hield iets voor zichzelf. Zo lopen er bosjes rond. Echt groot was hij niet. Welnee. Maar hij wist wel heel veel en hij had overal relaties.’ De Cock knikte. ‘En daar maakte de Baron gebruik van?’ ‘Precies. Jopie zou hem bij de grote jongens brengen, mensen die het spul verdelen, weet je. Mensen die niet denken in grammen en onsjes, maar in kilo’s.’

‘En waren ze wat op het spoor?’

Grote Pier zwaaide met zijn lange armen. ‘Dat idee had ik. Ze waren er al een tijdje mee bezig.’ Hij glimlachte wat wrang. ‘Jopie dacht er zelf rijk van te worden.’

‘Hoe?’

Grote Pier zuchtte omstandig. ‘Ze vertelden mij niet alles. Ik wilde ook niet alles weten. Het was mij allemaal veel te link. Kijk als je een stikkie nodig hebt, een trip of een shot, dan koop je het… als je geld hebt. En verder niks, begrijpt u? Gewoon… verder niks.’

De Cock knikte traag. ‘Dachten ze aan verraad?’ hield hij vol. ‘Tipgeld?’

Grote Pier maakte een grimas. ‘Van tipgeld word je niet rijk.’ Hij schudde droef zijn hoofd. ‘Het was iets anders. De Baron heeft er zelfs een snor voor gekweekt.’

‘Een snor?’

Grote Pier streek met twee wijsvingers over zijn bovenlip. ‘Zo’n hangsnor.’

‘Wat had dat voor nut?’

Grote Pier trok zijn schouders op. ‘Weet ik veel. Hij moest op iemand lijken, geloof ik. Een vent aan wie spullen werden afgeleverd of zoiets.’ Hij kwam langzaam overeind. ‘Ik zei u al, het fijne weet ik er niet van. Het interesseerde mij ook niet. Ik heb ze alleen gewaarschuwd. Ik wist hoe het zou aflopen… met je dooie rug ergens tegen een kouwe muur.’

Hij staarde een tijdje voor zich uit, triest, een traan in zijn grijze ogen. Zijn vingers streelden het ban-de-bom-embleem op zijn buik. Na een poosje wees hij op de koffer. ‘Ik heb een nieuwe inwoner… een streekgenoot uit Friesland. We praten Fries als we samen zijn. De koffer is van de Baron. Misschien heeft zijn neef er nog wat aan. Ons staat hij in de weg.’

De Cock keek hem onderzoekend aan. ‘Neef?’ vroeg hij verbaasd. Grote Pier glimlachte. ‘De Baron heeft een neef. Wist u dat niet? Ik heb hem ontmoet in Blaricum.’

‘Wanneer?’

‘Een paar dagen geleden in de villa.’

‘Wat moest je daar doen?’

Grote Pier wuifde voor zich uit. ‘Kijken… kijken welke aasgieren zich op hun prooi hadden geworpen.’

‘En toen ontmoette je de neef?’

Grote Pier knikte. ‘Ik was in de tuin. Hij kwam naar mij toe en vroeg wat ik zocht. “Ik ben een vriend,” zei ik. “Een vriend van de Baron.” Hij keek mij een beetje gek aan, alsof hij mij niet begreep. “Een vriend van de man van wie dit allemaal was,” zei ik. Toen lachte hij en vroeg: “Noemde hij zich de Baron?” Ik zei: “Ja, en hij was mijn vriend.” Toen heeft hij mij binnengelaten. We hebben wat zitten praten samen en hij heeft mij de villa laten zien. Ik zei: “U moet er wat aan doen. U moet de blinden weghalen en de ramen opengooien. Alles verrot.” Toen lachte hij weer en zei: “Misschien is dat nog wel het beste.” Neef was kennelijk niet gelukkig met zijn mooie huis.’ Grote Pier wees opnieuw naar de koffer. ‘Ik had hem misschien zelf wel gebracht, naar Blaricum, maar hij is mij te zwaar om hem lang te dragen.’

Hij keek De Cock aan, afwachtend, onderzoekend. Toen deze niet meer vroeg, alleen maar terugblikte, draaide hij zich om en liep met gebogen hoofd de kamer uit. Bij de deur hield hij stil. ‘Als u de moordenaar hebt… dan hoor ik het wel.’

De Cock knikte. ‘Ik kom het je persoonlijk vertellen.’ Grote Pier grijnsde. Toen deed hij de deur achter zich dicht. Vledder tilde de koffer op een bureau en knipte de sloten open. De inhoud was armzalig. Vuil ondergoed, een zwarte coltrui met gaten, een oude hoed en een verkreukeld colbert. De jonge rechercheur hield het met duim en wijsvinger omhoog en liet het op de vloer vallen. Zijn aandacht werd getrokken door een oude doos, gewikkeld in besmeurde lappen. De Cock kwam bij hem staan.

‘Een schminkkist,’ stelde hij vast.

Vledder deed hem open. Staafjes schmink rolden over het bureau. Aan de binnenkant van het deksel, rechts onder in de spiegel, stak de foto van een man… een man met een hangsnor. De jonge rechercheur glimlachte verrast. ‘De Baron.’

De Cock schudde zijn hoofd. ‘Oom Archibald.’

‘Wat doen we met die oude spullen?’

‘Laten herkennen.’

‘Door wie?’

De Cock streek met zijn pink over de rug van zijn neus. ‘Louise de Graaf.’

Hij imiteerde haar gedragen stem. ‘Ik heb gewacht, uren, in honderd zalen, in duizend kleedkamers.’ Hij keek de jonge rechercheur lachend aan. ‘Zij kent de schminkkist van haar exman. Geloof me.’

Vledder boog wat beschaamd het hoofd. ‘Ferdinand Ferkades.’ De Cock knikte. ‘De man die op Archibald van Maanenfeldt moest lijken.’ Hij weifelde even, strekte zijn arm naar de jonge speurder uit. ‘En léék… zó goed, zó verrekte duidelijk, dat zijn lijk door nicht Abigail en jouw heer Verpoorten als dat van de echte Van Maanenfeldt werd herkend.’

Vledder stak in wanhoop beide armen omhoog. ‘Waarom?’ riep hij vol emotie. ‘Wat had die hele maskerade voor zin?’ De Cock maakte een loom gebaar. ‘In bepaalde opzichten,’ sprak hij gelaten, ‘kan het voordelen hebben je in de huid van een miljonair te steken. Je weet wat Grote Pier gezegd heeft. Jopie Stuff dacht er zelfs rijk van te worden.’

Vledder grijnsde wat wrang. ‘En belooft zijn moeder alvast een bontjas.’

De Cock knikte met een droef gezicht. ‘Tien moeder… al waren het er tien.’

Hij beet op zijn onderlip. ‘Jopie en de Baron waren op iets groots uit… een kolossale stunt. De miljoenen van Van Maanenfeldt vormden de inzet. Hun tocht naar Blaricum en de opmerking van de Baron het wordt tijd dat je mij eens mijn landgoed laat zien wijzen duidelijk in die richting.’

Vledder plooide een denkrimpel in zijn voorhoofd. ‘Hoe?’ De Cock trok zijn schouders op. ‘Misschien wilden ze het banktegoed van Van Maanenfeldt losweken. Dat ligt het meest voor de hand. In die richting zullen hun gedachten wel zijn gegaan. Bedenk dat ze ook de papieren van Van Maanenfeldt… paspoort en andere bescheiden… in hun bezit hadden.’

Vledder gebaarde heftig.

‘Maar na de dertiende oktober van het vorige jaar is geen stuiver meer van zijn rekening genomen. Dat heb je zelf nagetrokken.’ De Cock keek naar de oude schminkkist en het hoopje vodden op de vloer. ‘Ze zijn nooit tot daden gekomen.’ Het klonk somber. ‘Er ging iets scheef. Iemand vermoordde de Baron en Johannes Brouwer kwam zo in zielennood dat hij zelfmoord pleegde.’ ‘Had hij schuld?’

De Cock keek voor zich uit met een wrevelige trek op zijn gezicht. ‘Wat heet schuld?’ riep hij pathetisch. ‘Het plan, de gehele opzet zal wel aan Johannes’ brein zijn ontsproten. Daarom zal hij zich ook verantwoordelijk hebben gevoeld. Jopie Stuff was erg op de Baron gesteld. Hij noemde hem zijn vriend… een hoogstaand mens… de enige die hij in zijn leven had ontmoet. En juist deze man manoeuvreerde hij in een situatie die tot zijn dood leidde. In de eenzame uren van afzondering in zijn cel, is het besef daarvan hem tot een obsessie geworden.’ De grijze speurder zuchtte diep. ‘Voor zijn schuld zag Jopie maar één boetedoening: zijn eigen leven. Jij vroeg mij een paar dagen geleden naar een pleidooi. Ik zei toen dat ik het zou houden als ik de moordenaar had gevonden. Wel… dit is vast mijn pleidooi voor Johannes Brouwer.’

‘En de moordenaar?’

De Cock kneep zijn lippen op elkaar. ‘Die krijg ik,’ zei hij grimmig. ‘Dat zweer ik je.’ Hij wierp nog een laatste blik op de schamele inhoud van de oude koffer, slenterde naar de kapstok en zette zijn hoedje op. Met zijn regenjas onder zijn arm geklemd liep hij de kamer uit. Vledder rende hem na. ‘Waar ga je heen?’

De Cock keek even om. ‘Naar vriend Lowietje. Ik heb te lang mijn cognac gemist.’

De smalle caféhouder glimlachte. ‘Ik had gelijk?’

De Cock nam het bolle glas op en nipte aan zijn cognac. ‘De Baron,’ zei hij mat, ‘wás een verlopen toneelspeler.’ Het muizensmoeltje van Lowie glom van trots. ‘Ik dacht het altijd al,’ riep hij enthousiast. ‘De Baron was een artiest. Hij had de brede armzwaai van een Guus Hermus en de dramatische snik van Ko van Dijk.’

De Cock knikte met een effen gezicht. ‘En hij speelde op een tekst van Johannes Brouwer.’

Lowietje keek hem verbaasd aan. ‘Johannes Brouwer?’ De Cock rook achteloos aan zijn cognac. ‘Die ken je toch?’ Het gezicht van Lowietje betrok.

‘Jopie Stuff.’ De Cock zette zijn glas voorzichtig neer. ‘Johannes Brouwer schreef de rol die de Baron moest spelen.’ De grijze speurder wachtte even, keek naar de caféhouder op. ‘De rol van een miljonair uit Blaricum.’

Smalle Lowietje ontweek zijn blik. Hij streek met zijn hand langs zijn morsige vest. ‘Daar… eh, daar weet ik niets van.’ Het klonk wat onzeker.

De Cock maakte een lichte schouderbeweging. ‘Jopie Stuff is dood en de Baron is dood. Ik bedoel dat er geen enkele reden is om niet openhartig tegen mij te zijn.’

Smalle Lowietje greep de fles Napoleon. ‘Nog eens inschenken?’ vroeg hij opgewekt. Het was een duidelijke poging om van onderwerp te veranderen.

De Cock vatte hem bij een arm. ‘Er is geen enkele reden om niet openhartig te zijn,’ herhaalde hij dwingend.

Lowietje schonk onverstoord in. ‘Ik zei u toch… daar weet ik niets van.’

‘Ze kwamen hier toch wel samen?’

‘Wie?’

‘Jopie Stuff en de Baron.’

De caféhouder knikte vaag. ‘Ze dronken wel eens een pilsje.’ ‘En spraken wat?’

‘Dat zal wel.’

De Cock trok zijn wenkbrauwen naar elkaar toe. Zijn gezicht veranderde. De vriendelijke trekken verdwenen. De stugge houding van Smalle Lowietje maakte hem kriegel.

‘Ik heb nooit geweten,’ zei hij scherp, ‘dat je moordenaars in bescherming nam.’

De tengere caféhouder keek geschokt op. ‘Dat is een rotopmerking!’ riep hij fel.

De Cock verschoof op zijn kruk. ‘Luister Lowie,’ zei hij geduldig. ‘Jij en ik kennen… kenden Jopie. Hij heeft in zijn niet zo lange leven al van alles gedaan. Hij was een plannenmakertje. Een mannetje met een koppie, met ideeën, maar ook een mannetje met eeuwige pech. Je begrijpt wat ik bedoel. Hij miste net dat kleine beetje mazzel, dat…’ Hij stokte. Er kwam een mistroostige trek op zijn gezicht. ‘Ik heb hem zo’n dood niet gegund, Lowie… eenzaam en alleen in een cel, met een stuk van zijn eigen hemd om zijn nek. Dat gun je niemand.’ Hij boog zich naar de caféhouder toe, klopte met zijn vuist op zijn borst. ‘En weet je Lowie… ergens hier binnen knaagt het, want ik was de vent die hem in die cel stopte.’ Hij stokte opnieuw, wreef met zijn hand over zijn gezicht vol diepe plooien. ‘Ik ben niet zo best in het houden van speeches. Dat ligt mij niet. Ik wil je ook niet tot gerechtigheid bekeren. Het zou bovendien verspilde moeite zijn.’ Hij stak dreigend zijn vinger op. ‘Maar verdomme, Lowie, als ik er ooit achter kom dat jij iets hebt geweten, dat mij had kunnen helpen de moordenaar van de Baron te vinden…’ Hij maakte zijn zin niet af, keek de tengere caféhouder secondenlang aan en liet zich toen van zijn kruk glijden. Langzaam liep hij het café uit.

Er viel een stilte. Smalle Lowietje keek de rechercheur met gemengde gevoelens na.

Ook Vledder zakte van zijn kruk. Hij had de uitbarsting van zijn oude mentor met verbazing aangehoord. De grond voor de bedreiging ontging hem. Waarom zou de Smalle iets weten? Met een somber gezicht liep hij naar de uitgang. Bij de deur keek hij nog even om. Lowietje stond wat beteuterd achter de tap. De fles fijne Napoleon in zijn hand. In het bolle glas van De Cock zat nog een restje cognac.

Загрузка...