2

Vledder stuurde de rode Volkswagen behendig door de oude binnenstad, slingerde achter het paleis om naar de Raadhuisstraat en zocht feilloos zijn weg naar de Overtoom. Voor het oude sectielokaal op nummer 3 stopte hij. Ze stapten uit en liepen over het brede trottoir naar de bijna verfloze deur. De Cock stak de sleutel in het slot en duwde de deur open. De penetrante geur van een desinfecterend middel walmde hun tegemoet. De hand van de rechercheur gleed tastend langs de wand en drukte de schakelaar om. De sectiezaal baadde in een hel, kaal licht. Ongeveer in het midden, op een schuin aflopende granieten tafel, lag het lijk van een man. Het was geheel met een laken bedekt. De beide rechercheurs stapten naar voren.

Nog bij de deur, bleek met duidelijke angst in haar grote blauwe ogen, stond Abigail van Maanenfeldt. Haar slanke vingers plukten nerveus aan een knoop van haar mantel. Haar neusvleugels trilden, kleine zweetdruppels parelden op haar bovenlip. De Cock wenkte haar naderbij.

Aarzelend, de voeten slepend over de vloer, liep ze op de tafel toe. Bij het hoofdeinde bleef ze staan. Haar onderlip beefde. De Cock nam zijn hoedje af, treuzelde een paar seconden, tilde toen met zijn vrije hand een slip van het laken op. Het gezicht van de dode kwam vrij. Het vredige beeld van ’s morgens was verdwenen. In het kale licht, naakt, en zonder het decor van de bemoste kerkmuur, had de dode een kil, afstotend masker. De Cock keek haar van terzijde aan. ‘Is het…?’

Abigail van Maanenfeldt huiverde. Ze knikte traag. ‘Oom Archibald.’

Vledder grinnikte. ‘Onze Abigail was aardig in de war. Een moment dacht ik dat ze naast het lijk zou flauwvallen. Ik stond al klaar om haar op te vangen, maar ze bleef op de been.’ Hij maakte een komisch gebaar. ‘Enfin, we weten nu in ieder geval wie hij is.’

De Cock keek naar hem. ‘Weten we dat?’

De jonge rechercheur reageerde verbaasd. ‘Ze heeft hem toch herkend?’

De Cock schoof zijn stoel wat naar achteren en legde beide benen op zijn bureau. De grillige accolades rond zijn mond plooiden zich tot een brede grijns. ‘De schone Abigail van Maanenfeldt zei dat het oom Archibald is.’

Vledder keek hem wat verward, onderzoekend aan. ‘Ja,’ knikte hij traag. ‘Zo is het. Dat zei de schone Abigail duidelijk. Je stond vlak bij haar. Je moet het hebben gehoord.’ Het klonk ironisch, bijna sarcastisch.

De Cock lachte hartelijk. ‘Heel duidelijk,’ bevestigde hij kalm. ‘En zonder enige aarzeling. Geen centje twijfel… voor zover twijfel in centen is uit te drukken.’

Vledder maakte een wrevelig gebaar. ‘Wat wil je dan? Ze komt naar aanleiding van het krantenbericht naar het bureau, zegt dat ze haar oom kwijt is en herkent het lijk. Wat is daar voor vreemds aan?’

De Cock schoof zijn onderlip naar voren. ‘Niets. Maar voorlopig is zij wel de enige. Ik bedoel… we hebben verder geen enkele aanwijzing dat de dode man werkelijk haar oom Archibald is.’ Vledder trok gelaten zijn schouders op. ‘Dat lijkt mij geen probleem,’ zei hij achteloos. ‘We hebben nu een fraai aanknopingspunt. Er moeten mensen te vinden zijn, die de oom van de schone Abigail in leven hebben gekend. Als we buiten haar nog iemand hebben die zegt dat de dode man Archibald van Maanenfeldt is, zijn we klaar. Ook wettelijk is dan alles in orde.’ De Cock wreef over zijn brede gezicht. ‘En als dokter Rusteloos morgen na de sectie bereid is te verklaren dat onze man aan een simpele hartverlamming is overleden, is er geen vuiltje meer aan de lucht. We geven het lijk vrij en nicht Abigail kan de begrafenis gaan regelen.’

Op de gang voor de recherchekamer klonk een hevig rumoer. De deur klapte open en een klein onooglijk mannetje strompelde binnen. Boven hem uit torenden twee levensgrote dienders. Stoere paladijnen van het recht. Ze hielden het mannetje stevig bij de schouders vast en duwden hem voor zich uit. De Cock nam zijn benen van het bureau en keek verwonderd toe. Onderwijl giste hij naar het misdrijf dat het mannetje bedreven kon hebben.

Een van de agenten liet zijn arrestant los, stapte naar De Cock en wees schuin achter zich.

‘Hebben we net van de Geldersekade gepikt,’ zei hij, zacht nahijgend. ‘Hij had een groot brok hasjiesj bij zich… zeker een pond… echte… probeerde het te verkopen.’

De Cock schudde zijn hoofd. ‘Dat behandelen we hier niet. Hasjiesj is voor de opiumploeg aan het hoofdbureau.’

De agent knikte bedaard. ‘Dat weten we.’

De Cock keek wat verstrooid op. ‘Waarom brengen jullie hem dan hier?’

De agent gebaarde over zijn schouder. ‘Hij heeft ook een portefeuille bij zich met geld en papieren.’

De grijze speurder grijnsde vriendelijk. ‘Dat heb ik ook.’ De agent bromde. Zijn gezicht kleurde rood. ‘Maar de portefeuille heeft hij gestolen, begrijpt u? Het kan niet anders. Ziet u… hij heet Brouwer… Johannes Brouwer… bij ons beter bekend als Jopie Stuff.’ De Cock knikte begrijpend. ‘En van wie is die portefeuille?’ De agent trok zijn zakboekje. ‘Van Maanenfeldt… Archibald van Maanenfeldt.’

‘Johannes Brouwer?’

‘Ja, meneer.’

De Cock keek het mannetje onderzoekend aan, tastte ver in zijn herinnering. ‘Je ging toch vroeger met condooms langs de Walletjes, is het niet?’

Het mannetje knikte met een droef gezicht. ‘Vroeger… ja, toen zat er nog brood in… toen was er nog moraal… toen lag de schaamteloosheid nog niet in de etalages. Maar de tijden veranderen. De meissies kopen ze nou bij de kruidenier of in de supermarkten… hele dozen, gelijk met de suiker en de margarine.’

De Cock glimlachte. ‘Ze noemen je nu Jopie Stuff?’ Het mannetje grijnsde bitter. ‘Van de kapotjes naar de stuff. Wat maakt het uit? Het is toch een rotbende.’

‘Waar handel je in?’

Het mannetje schudde zijn hoofd. ‘Ik handel niet. Ik rook wel eens een stickie, zo af en toe.’

De Cock plooide zijn gezicht in verbazing. ‘De agenten zeggen…’ Het mannetje verschoof iets op zijn stoel. Over zijn bleke gezicht gleed een trieste glimlach. ‘Ik… eh,’ begon hij weifelend, ‘ik had een brokkie gekocht… van een Yank… mooie hasj… verdomd mooie hasj. Ik heb een stukkie geprobeerd. Er zat weinig rotzooi in. Ik had het ook graag voor mezelf willen houden. Helemaal. Maar een mens moet toch ook leven, nietwaar?’ De Cock knikte wat afwezig. ‘Het zal je een lieve duit hebben gekost.’

‘Wat.’

‘Dat brokkie hasj… bijna een pond.’

Johannes Brouwer trok zijn schonkige schouders op. ‘Het… eh, het ging wel.’

‘Wanneer heb je het gekocht?’

‘Vanmiddag in de binnenstad.’

De Cock wreef langs zijn neus. ‘Van… eh… je liggende gelden?’ Jopie Stuff keek hem loerend aan. ‘U bedoelt?’

De Cock boog zich met een ruk naar voren. ‘Ik bedoel,’ riep hij fel, ‘dat ik weet, dat je al maanden aan de gallemiezen ligt… van het ene gore kraakpand naar het andere trekt.. en gisterenmorgen nog moest bedelen om een piek voor een kop warme koffie, omdat je niet weer bij je oude moeder wilde aankloppen.’ Hij zweeg even, vervolgde toen vriendelijker: ‘Jopie, hoe kwam je aan het geld?’

Johannes Brouwer schoof onrustig heen en weer. ‘Gevonden…’ De Cock grijnsde met een scheve mond. ‘… In een oude kous onder een losse steen op het Damrak.’ Zijn stem droop van sarcasme. Hij schudde verwijtend zijn hoofd. ‘Kom nou, Jopie, geen verhaaltjes. Waar had je het geld vandaan?’

Er trilde een zenuwtrek langs de magere kaken van Jopie Stuff. Zijn kleine handjes friemelden aan de knopen van zijn colbert. ‘Ik… eh, ik zei het u toch… gevonden.’

De Cock boog zich nog verder naar het nietige mannetje naast hem op de stoel. De Cock wond zich duidelijk op. Het bloed steeg naar zijn hoofd, kleurde zijn wangen rood. De vriendelijke trekken waren verstard in een koud, strak masker. In zijn staalgrijze ogen lag een harde blik. ‘Gevonden!’ riep hij verachtelijk. ‘Gevonden… ja, in de zakken van een slapende vent.’ Hij ademde diep, strekte zijn arm beschuldigend naar het mannetje uit. ‘En toen die vent bij het “snuffelen” wakker werd, ben je in paniek geraakt en heb je hem koud gemaakt!’

Johannes Brouwer stond op. Zijn gezicht zag bleek. Zijn sluwe frettenogen waren wijd van angst. Hij deed een paar passen achteruit, hoofdschuddend, zijn magere handen afwerend naar voren. ‘Nee!’ de schrille kreet echode tegen de kale wanden van de recherchekamer. ‘Nee!’

De Cock stond op en stelde zich groot, breed, dreigend voor hem op. ‘Jij hebt hem koudgemaakt,’ siste hij verbeten. ‘Jopie… voor een paar rottige centen heb je hem koud gemaakt?’ ‘Dat… dat is niet waar.’

De grijze speurder klemde zijn lippen op elkaar. ‘In dat vale miezerige koppie van je,’ ging hij ijzig verder, ‘had je al precies uitgerekend hoeveel hasjiesj je voor die centen kon kopen.’ Hij klopte met een dikke middelvinger op het smalle voorhoofd van Jopie Stuff.

‘Hier… verziekt door al die rotzooi die je de laatste jaren hebt gebruikt.’ Hij kneep zijn ogen halfdicht. ‘Toen die vent jouw kille hand aan zijn lijf voelde, werd hij wakker.’ Hij trok zijn neus op, snoof minachtend. ‘Wat moest je doen? Jopie… wat moest je doen?’

Johannes Brouwer schudde vertwijfeld opnieuw zijn hoofd. In zijn angst voor die grote, dreigende man voor hem liep hij verder achteruit, struikelde over een bureaustoel en bleef ruggelings liggen.

De Cock bukte zich over hem heen, klauwde met één hand in de stof van zijn colbert en tilde hem overeind. Het magere gezicht hield hij pal voor zich.

‘Je had geen keus, Jopie,’ zei hij met zalvend sarcasme. ‘Het was eigenlijk niet eens jouw schuld. Het was de schuld van die vent. Hij werd wakker. Dat had hij niet moeten doen.’ Het mannetje slikte. Zijn adamsappel danste op en neer. ‘Hij werd niet wakker!’ riep hij hoofdschuddend. ‘Dat is niet waar. Hij werd helemaal niet wakker. Hij… eh, kij kón niet meer wakker worden.’ Jopie Stuff strekte afwerend zijn handen uit. ‘Die vent was zo dood als een pier. En wat doet een dooie vent nog met geld? In de hemel is tóch alles gratis!’

‘Wat doen we met hem?’

De Cock zuchtte diep, reikte naar de telefoon en nam de hoorn op. ‘Ik zal de commissaris inlichten. Neem jij even contact op met de opiumploeg. Zeg, dat we de hasjiesj vast naar het laboratorium zullen brengen, maar dat we Johannes Brouwer voorlopig hier houden.’

Vledder knikte. ‘En de beschuldiging?’

De Cock maakte een vaag gebaar. ‘Diefstal van papieren en geld. Zolang we niet weten waaraan Archibald van Maanenfeldt is gestorven, kunnen we onze vrind moeilijk moord ten laste leggen.’

Vledder grinnikte. ‘Daar was je anders aardig mee bezig. Je ging knap tekeer. Ik dacht dat die vent een hartverlamming zou krijgen.’

De Cock trok zijn mondhoeken op. ‘Ik ken Johannes Brouwer. Dit was niet de eerste keer dat ik met hem in de clinch lag. Ik weet hoe hij is. Een lieve aanpak zou verspilde moeite zijn.’ Hij krabde zich achter in de nek. ‘Bovendien… ik moest toch iets proberen? Wie verwacht er nu dat er nog vóór de gerechtelijke sectie een mannetje komt binnenvallen met papieren van het slachtoffer op zak?’

Vledder wreef langs zijn brede kin. ‘Dacht je dat hij werkelijk iets met de dood van die Van Maanenfeldt te maken heeft?’ De Cock legde de hoorn op het toestel terug. ‘Dat is moeilijk te zeggen,’ antwoordde hij bedachtzaam. ‘Zijn verklaring klonk vrij redelijk. Ga maar na. Een oude relatie heeft hem op een paar pilsjes getrakteerd en Jopie Stuff zwerft na sluitingstijd lichtelijk aangeschoten langs de straten. Hij heeft geen geld, geen onderdak. Op zoek naar een plaatsje om een paar uur te slapen, ziet hij een kerel heel ontspannen tegen de muur van de Zuiderkerk liggen. Hij vlijt zich naast hem neer, begint een vriendelijk babbeltje en bemerkt dan tot zijn schrik dat de man dood is. De schok ontnuchtert hem volkomen. Hij kruipt haastig overeind en neemt de benen. Een halve straat verder bezint hij zich, gaat schoorvoetend terug en snuffelt in de kleren van de dode man.’

Vledder knikte ernstig. ‘Het kan zo geweest zijn.’

De Cock gniffelde. ‘En dan zijn motivering. Bijzonder fraai.’ Hij spreidde beide armen met de handpalmen naar voren, imiteerde gebaar en stem van Jopie Stuff. ‘Wat doet een dooie vent nog met geld? In de hemel is tóch alles gratis.’

Vledder grinnikte. ‘En in de hel?’

De Cock ging op de vraag niet in. ‘Toch,’ zei hij bedachtzaam, ‘heeft die opmerking over de hemel mij getroffen.’

‘Hoezo?’

De Cock kauwde op zijn onderlip. ‘Het is een gedachtespel,’ antwoordde hij peinzend. ‘Een associatie. Johannes Brouwer vond aan de oude kerkmuur een vredige dode… een man die kennelijk in alle gemoedsrust was ontslapen en voor wie, zo straalde hij uit, de hemelpoort wijdopen stond.’

Vledder keek hem aan. ‘Ik begrijp je,’ zei hij kalm. ‘Jopie Stuff nam de portefeuille van de dode, maar veranderde verder niets. Hij vond dus Van Maanenfeldt in vrijwel dezelfde houding als waarin wij hem aantroffen.’

De Cock knikte nadenkend. ‘Met devoot gevouwen handen.’ Ze stapten het oude bureau uit. Rechercheur De Cock voorop, in een haast versleten Harris-tweed colbertje, zijn oude vilten hoed zwierig achter op het hoofd. De jonge Vledder volgde, rechtop, stijfjes, in een keurig grijs kostuum, het stroblonde haar in een strakke scheiding.

De Cock had zijn jonge collega uitgenodigd voor een klein ‘afzakkertje’ in het café van Lowie. Ze hadden het verdiend, vond hij. De dag was al vroeg en enerverend begonnen. Maar dat was niet het enige motief. Smalle Lowietje schonk de beste cognac die er in de hele stad te vinden was.

Ze wandelden door de Lange Niezel, namen het bruggetje naar de Korte Niezel en schoven rechts de Achterburgwal op. Het was er vrij druk. De sekstheaterjes liepen vol en geen hoertje was onbezet.

Bij het pandje van Duitse Loes bleven ze staan. Er was herrie. Schelle vrouwenstemmen drongen naar buiten door. Een lichtelijk aangeschoten matroos werd vrij onzacht buiten de deur gewerkt. Hij tuimelde van het stoepje de gracht op. Duitse Loes verscheen in de deuropening, groot en breed. Ze schold hem na, verweet de man zijn onkunde, onmacht. Haar woordenstroom was kleurrijk, scherp, vernietigend. De omstanders lachten. De matroos krabbelde overeind, schikte wat aan zijn kleding en droop mokkend af.

De rechercheurs liepen de zeeman een tijdje na, zomaar, voor de zekerheid. Toen hij een café inzeilde, namen ze het brugje bij de Stoofsteeg en doken bij Lowietje binnen.

Lowietje, wegens zijn geringe borstomvang meestal Smalle Lowietje genoemd, begroette de speurders hartelijk. Op zijn vriendelijk muizensmoeltje kwam een blijde lach. Lowietje beschouwde De Cock als zijn persoonlijke vriend. Zelfs het feit dat De Cock de wet vertegenwoordigde, kon daaraan geen afbreuk doen. ‘Een tijd niet gezien,’ kweelde hij.

De Cock hees zich op een kruk. Hij had zijn vaste plaatsje, achter in een hoek van de bar, met een duidelijk zicht over het geheel. Vledder schoof naast hem. Het was vrij rustig in het lokaaltje.

De meeste tafeltjes waren onbezet. Achter in de zaak, in een schemerig hoekje, stoeide een animeermeisje heel professioneel met een te vette zakenman.

Lowietje veegde zijn handen af aan zijn morsige vest. ‘Hetzelfde recept?’ Hij dook onder de tapkast en kwam boven met een fles fijne cognac Napoleon. Hij zette de fles zachtjes neer en streelde het etiket met een zoet gebaar, haast van ingetogen tederheid. De Cock keek glimlachend toe. Hij hield van een goed glas cognac en genoot van het gebruikelijke ceremonieel. Zacht klokkend schonk Lowie het bruine vocht in fraaie bolle glazen. ‘Druk aan de Kit?’

De Cock nam een teug van zijn cognac en knikte traag. Hij tastte wat verstrooid in de binnenzak van zijn colbert en nam daaruit de envelop met de foto’s die Van Wielingen had genomen. Voorzichtig schoof hij ze uit elkaar en nam een tweede teug. ‘Ken je hem?’

Smalle Lowietje keek verbaasd op. ‘Natuurlijk… de Baron.’ De Cock grinnikte. ‘De Baron?’

Lowietje knikte gretig. ‘Zo noemen we hem… de Baron.’ Hij tuurde naar de foto’s. Zwerft hier in de buurt. Woont ergens in zo’n oud kraakpand. Ik dacht in de buurt van de Nieuwmarkt. Ik schenk hem wel eens een pilsje.’

‘Vaak?’

De Smalle trok zijn schouders op. ‘Soms… meest op de reutel.’ Hij gebaarde met beide handen, zijn hoofd iets scheef. ‘En daar let ik dan maar niet zo scherp op.’

‘Hoe bedoel je?’

De caféhouder maakte een grimas. ‘Hij heeft nooit geld. Leeft van de biets.’

De Cock knikte begrijpend.

‘Waarom wordt hij de Baron genoemd?’

Lowietje glimlachte. ‘Hij beweert tegen iedereen dat hij van goede komaf is. Verarmde adel of zoiets. Vandaar… de Baron.’ De caféhouder legde zijn hand bezwerend op zijn tengere borst. ‘Maar of het waar is…?’ Hij grinnikte, zwaaide met een slappe hand. ‘Die klanten hebben vaak van die fantastische verhalen. Daar luister ik niet eens naar.’ Hij zuchtte diep. ‘Als je mij vraagt is hij een verlopen toneelspeler.’

De Cock keek naar hem op. ‘Hoezo?’

Lowietje gebaarde voor zich uit. ‘Voor twee pilsjes declameert hij hele stukken uit de Gijsbrecht. De Smalle trok zijn muizensmoeltje strak en zette zich in postuur. ‘Het hemelse gerecht heeft ten langen leste…’

De Cock lachte. ‘Er is een groot talent aan jou verloren gegaan.’

De tengere caféhouder grijnsde breed. ‘Ik heb het,’ schertste hij. ‘Ik heb het helemaal.’

De Cock schoof de foto’s terug in de envelop. ‘Schenk nog eens in.’

Lowietje pakte de fles. Ineens weifelde hij. De jolige trek rond zijn muizensmoeltje verdween. ‘Wat.. eh, wat heb je met de Baron?’ vroeg hij argwanend. ‘Wat is er met hem aan de hand? Waarom die serie foto’s?’

De Cock antwoordde niet direct. ‘Het Hemelse Gerecht,’ zei hij somber.

De Smalle keek hem onderzoekend aan. Het duurde even, toen drong de waarheid tot hem door. ‘Hij is dood?’

De Cock knikte traag. De cognacfles trilde in Lowietjes hand.

Загрузка...