6

Vledder was de eerste die reageerde. Hij stapte driftig naar voren, het hoofd hautain omhoog. ‘Wat doet u hier?’ Zijn stem klonk scherp, bijna vijandig. ‘Hoelang bent u al in dit huis? Waarom hebt u niets van u laten horen? Ik heb steeds geprobeerd met u in contact te komen.’

Van de Wheerlingen stak beide handen omhoog. ‘Ik wist niet,’ sprak hij verontschuldigend, ‘dat u belangstelling voor mij had.’ Vledder keek verholen naar De Cock, die het gesprek van een afstandje volgde. ‘Uw oom Archibald was een rijk man. We hebben belangstelling voor alle erven.’

‘Begrijpelijk.’

Vledder gebaarde heftig. ‘Niemand kon mij vertellen waar u was. Volgens mijn informatie bent u het laatste halfjaar wel viermaal van woonplaats veranderd.’

De jonge Van de Wheerlingen glimlachte. ‘Het spijt mij oprecht dat ik u zoveel last heb bezorgd,’ zei hij vriendelijk, ‘maar ik ben nooit erg honkvast geweest. Bovendien…’ hij weifelde even, stak drie vingers van zijn rechterhand omhoog, ‘drie aanslagen op mijn leven vond ik meer dan genoeg. Steeds verkassen leek mij een gezonde maatregel.’

Rechercheur De Cock leunde tegen de gangmuur, beluisterde de nonchalante toon, het accent, de tongval, en overdacht dat de jongeman vermoedelijk in Utrecht of omgeving was grootgebracht, of daar lange tijd had vertoefd. Onderwijl nam hij hem nauwkeurig op: smalle rechte neus, scherpe kin, enigszins troebele blik uit bijna parelgrijze ogen.

‘Aanslagen op uw leven?’ kwam hij vragend tussenbeide. Van de Wheerlingen wuifde achteloos. ‘Niet meer dan dat.’ De Cock maakte zich los van de muur en trok zijn gezicht in een innemende plooi. ‘Als u eens wat duidelijker werd,’ stelde hij voor. De jongeman kwam van de trap af en liep langs de beide rechercheurs de kamer in. ‘Laten we erbij gaan zitten,’ zei hij berustend. ‘Nu u mij toch hebt gevonden, is het misschien beter direct maar volledig opening van zaken te geven.’

De Cock glimlachte. ‘Oprechtheid is de basis van vertrouwen.’ Van de Wheerlingen trok de lakens van het bankstel bij de haard en gebaarde uitnodigend. ‘Gaat u vast zitten. Ik maak wat licht.’ Vanaf de haard stapte de jongeman naar een zijraam. Eerst nu zag De Cock dat het glas daarvan was gebroken. Scherven lagen op de vloer. Vanbinnenuit duwde Van de Wheerlingen de beide blinden open. Een golf zonlicht stroomde de kamer in, gaf alles kleur. De jongeman lachte. ‘Ik ben ook als inbreker volledig geslaagd. U ziet het. En het was niet eens moeilijk.’ Hij ging tegenover de rechercheurs zitten, gewild nonchalant, de vingers gestrengeld om een opgetrokken knie. ‘Ik woon hier nu al meer dan een maand. Wat primitief moet ik zeggen. Men kan nauwelijks van wonen spreken. Het is feitelijk niet meer dan kamperen… kamperen in de villa van een miljonair.’ Hij lachte opnieuw, kort, droog, vreugdeloos. Het klonk niet prettig. De Cock wreef langs zijn kin. ‘Die aanslagen…?’

Van de Wheerlingen knikte traag. Er gleed een schaduw over zijn gezicht.

‘Sinds de dood van tante Heleentje,’ zei hij zacht, ‘heb ik het stellige gevoel dat iemand het op mijn leven heeft voorzien.’ De Cock keek hem wat schuins aan. ‘Wanneer is tante Heleentje gestorven?’

‘Vorig jaar… drie november.’

‘Was u erbij?’

‘Bij het sterven?’

‘Ja.’

Van de Wheerlingen schudde zijn hoofd. ‘Ik werd gewaarschuwd.’ ‘Door wie?’

‘Tante Aleida. Zij vond dat ik als oudste neef de plicht had de begrafenis te regelen.’

De Cock reageerde verbaasd. ‘Moest u de begrafenis regelen?’ ‘Ik… ja.’

‘En… eh… oom Archibald dan?’

De jongeman grijnsde met een scheve mond. ‘Die was weer op een van zijn fameuze zwerftochten. Niemand wist waar hij uithing. We hebben nog van alles geprobeerd om hem te bereiken… de radio, ANWB, oproepen in de krant. Het heeft niet geholpen.’ De Cock kneep zijn ogen halfdicht. ‘Oom Archibald was niet eens op de begrafenis van zijn eigen vrouw?’ In de stem van de rechercheur trilde verwondering en achterdocht.

‘Nee… hij was er niet.’

‘En heeft hij het later gehoord? Ik bedoel… dat zijn vrouw was gestorven.’

Van de Wheerlingen trok zijn schouders op. ‘Dat kan ik u niet zeggen. Ik weet het niet. Ik weet alleen dat er na de dood van tante Heleentje vreemde dingen zijn gebeurd.’

‘Hoezo?’

De jongeman gebaarde. ‘Eerst werd Martha doodgereden en toen…’

De Cock stak afwerend een hand op. ‘Wie is Martha?’ ‘Een oudere vrouw… hier uit Blaricum. Martha… Ik weet niet hoe ze verder heet. Ze hielp tante Heleentje in het huishouden, al jaren. Feitelijk zolang ik het mij kan herinneren. Tante Heleentje had veel steun aan haar. Oom Archibald was een excentrieke man… een beetje gek, als u het mij vraagt. Tante Heleentje heeft nooit zo’n best leven bij hem gehad. Ze had wel wat steun nodig. U moet deze villa maar eens bekijken. Alles is even oud en gammel. Het interieur is totaal verwaarloosd. Hij liet er niets aan doen. Ze mocht niet eens een loodgieter bestellen of een timmerman. Als iets kapot was, bleef het zo. Hij had geen stuiver voor haar over.’

‘Voor wie wel?’

‘Voor niemand. Het was gewoon een akelige kerel… een zwetser, een man die sprak over sociale bewogenheid, intermenselijke verhoudingen… en dat soort fraais meer, maar zijn eigen vrouw liet hij verrekken. Ze kreeg nauwelijks geld om te eten.’ De jonge Van de Wheerlingen raakte duidelijk geëmotioneerd. ‘Ik heb altijd diep medelijden met tante Heleentje gehad.’ De Cock wreef met zijn hand over zijn gezicht. Tussen zijn gespreide vingers door keek hij naar de jongeman en peilde de emotie. ‘Martha werd doodgereden,’ stelde hij kalm. Van de Wheerlingen knikte. ‘Het zal wel als een simpel ongeval te boek staan,’ zei hij grimmig. ‘Maar volgens mij was het moord… een gewone brutale moord.’ Hij schoof naar de rand van zijn fauteuil. Zijn neusvleugels trilden en zijn gezicht kleurde rood. ‘En met mij was hetzelfde gebeurd… als ik niet steeds zo snel had gereageerd.’ Hij zweeg even, sloeg beide handen voor zijn gezicht. Het duurde zeker een minuut voor hij verder ging. ‘Als voetganger,’ zei hij zacht, bijna fluisterend, ‘ontsnap je wel eens meer aan de dood. In het moderne verkeer is het hiernamaals dichtbij. Een kleine misstap, een moment van gedachteloosheid… het is zo gebeurd. Maar als je zo’n ervaring overleeft, ben je de eerste dagen toch voorzichtiger, oplettender. Zo was het ook met mij.’ Hij zuchtte diep en verschoof in zijn fauteuil. ‘Ik woonde in november van het vorig jaar nog in Hilversum, werkte in een studio. Elke dag, op ongeveer hetzelfde tijdstip, stak ik steeds bij hetzelfde zebrapad over. Op een dag werd ik bijna doodgereden. Het was op het nippertje. Het scheelde geen haar. De wagen suisde net voor mij langs. Ik vloekte op de onhandige chauffeur en een uur later trilden nog mijn kuiten. Toch was ik het voorval gauw vergeten. Maar de volgende dag gebeurde het opnieuw. En de week daarop nog een keer.’ Hij zuchtte opnieuw. ‘Ik heb steeds het geluk aan mijn kant gehad. Ik ben er ook vrijwel zonder kleerscheuren afgekomen… een paar schrammen, een bedorven kostuum… meer niet.’ Van de Wheerlingen likte aan zijn droge lippen. ‘Ik besefte duidelijk dat mijn geluk niet eeuwig kon duren… dat ik vandaag of morgen een aanstormende auto niet meer zou kunnen ontwijken.’ Hij gebaarde voor zich uit, een radeloze blik in de lichte ogen. ‘Ik moest weg… weg uit Hilversum… weg van dat zebrapad… weg van wegen waar snelle auto’s rijden.’ Hij liet zijn hoofd zakken. ‘Sindsdien ben ik op de vlucht.’

Er viel een stilte. Buiten de villa speelde de wind met het jonge groen aan de bomen. Het was een zacht geruis, dat de gedachte aan misdaad verdreef. Na een poosje kwam De Cock overeind. Vanuit de hoogte keek hij op de jongeman neer.

‘Steeds verkassen leek u dus een gezonde maatregel.’ Archibald van de Wheerlingen keek op, onderzoekend, zijn hoofd een beetje schuins. Hij vroeg zich af of De Cock schertste, maar op het gezicht van de grijze speurder was geen luim te ontdekken.

‘Ik… eh, ik voel mij hier betrekkelijk veilig. Niemand verwacht mij hier. Iedereen denkt dat de villa onbewoond is. Ik heb ook geen last meer gehad.’

‘U bent naar de politie gegaan?’

‘De politie?’

De Cock wuifde. ‘In verband met die aanslagen.’

Van de Wheerlingen schudde traag zijn hoofd. ‘Ik heb het overwogen. Uiteraard. Het waren duidelijke pogingen tot moord. Maar wat had ik voor aanwijzingen? Ik bedoel… wat kon ik de politie vertellen? Ik had niets om mijn beweringen te staven.’ ‘Het kenteken… letters, nummers van de auto?’

De jongeman beet op zijn onderlip. ‘Het is me nooit gelukt ze op te nemen.’ Het klonk mistroostig. ‘Het enige dat ik kan zeggen is… dat het steeds een groene Citroën was.’

‘Een groene Citroën?’

Van de Wheerlingen knikte. ‘U weet wel… zo’n lange lage wagen… met zo’n ronde platte neus en ingebouwde koplampen.’ ‘Een DS 21?’

‘Dat kan wel. Bij die laatste aanslag in Hilversum ben ik gedeeltelijk over de motorkap gegleden. Dat is mijn geluk geweest, denk ik.’

‘En de chauffeur?’

Van de Wheerlingen zuchtte omstandig. ‘Geen flauwe notie. Ik heb nooit een glimp van hem kunnen opvangen.’

‘Vermoedens?’

De jongeman trok een droef gezicht. ‘Wie heeft er belang bij mijn dood?’

De Cock grijnsde. ‘Andere erven.’

Van de Wheerlingen sprong op. ‘Andere erven?’ reageerde hij fel, geagiteerd. ‘Er viel nog niets te erven. Toen men probeerde mij dood te rijden, was tante Heleentje juist gestorven, maar oom Archibald leefde nog en er was niets dat erop wees dat hij gauw zou doodgaan.’

De Cock boog zich iets naar hem toe. ‘Hij is ook een handje geholpen,’ zei hij vriendelijk, cynisch.

‘Door wie?’

De rechercheur boog zich nog verder naar voren. Het gezicht van de jongeman was vlakbij. ‘Door iemand,’ antwoordde hij zacht, dreigend, ‘die de beschikking had over oplosbare rookopium en wist hoe men een injectie toedient.’

Hij keek de jongeman strak aan en monsterde de lichte ogen. Daarna glimlachte hij ontwapenend. Het was een pose. Verwarrend, afleidend. Plotseling, in een flitsende beweging greep hij hem bij de linkerarm en schoof de mouw van zijn colbert omhoog. Duidelijke punctieplekjes kwamen zichtbaar. De Cock hijgde. ‘Van de Wheerlingen… hoelang spuit je al?’

Ze reden terug naar Amsterdam. De jonge Vledder zat achter het stuur, zoals gewoonlijk. De Cock hield niet van autorijden. Hij was een man van trage bewegingen met een weemoedige hang naar de tijd toen de trekschuit nog een ideaal vervoermiddel was. Het leven verliep te snel, vond hij, te gehaast, te oppervlakkig. Er was geen ruimte meer voor rust, overleg, bezinning. De moderne mens leefde niet meer, maar werd geleefd. Het was een onderwerp waar hij graag over sprak, als hij de tijd had. Hij grijnsde breed, zakte behaaglijk onderuit en schoof zijn hoedje voor zijn ogen. Vledder stuurde de Volkswagen de grote weg op, trapte het gaspedaal dieper in en legde zijn handen vaster om het stuur.

‘Een vreemde vogel.’

‘Wie?’

‘Die Archibald van de Wheerlingen.’

De Cock knikte voor zich uit. ‘Vreemd en gevaarlijk. Ik heb op hem gelet. De manier waarop hij onze plotselinge inval verwerkte, getuigde van grote koelbloedigheid. Er was vrijwel geen moment, dat hij de situatie niet beheerste. Zelfs toen ik hem als spuiter ontmaskerde, had hij zich volledig onder controle.’ ‘Zou hij iets met de moord te maken hebben?’

De Cock trok zijn schouders op. ‘Hij is belanghebbende en… opiumgebruiker. Een combinatie die hem bijzonder verdacht maakt. Hij zal dat zelf ook terdege beseffen. Het is helemaal niet ondenkbaar dat hij oom Archibald — onder welk voorwendsel dan ook — naar de verlaten villa heeft gelokt, hem daar de dodelijke injectie heeft toegebracht en hem vervolgens heel vredig tegen de muur van de Zuiderkerk heeft gevlijd.’

‘A lleen?’

De Cock schudde zijn hoofd. ‘Dat is niet aannemelijk. Daarvoor was de operatie in haar geheel te ingewikkeld.’ ‘En als hij hem van tevoren heeft verdoofd?’

‘Je bedoelt vóór de hartinjectie?’

‘Ja. Hij kan iets in zijn drinken heben gedaan… een sterk slaapmiddel.’

De Cock trok zijn lippen in een tuitje, overdacht de mogelijkheid. ‘Het blijft een hele opgave,’ concludeerde hij, ‘voor een man alleen.’

Een tijdje reden ze zwijgend voort. Vledder tuurde door de voorruit, kauwde nerveus op zijn onderlip.

‘Weet je wat ik ook gek vond?’ zei hij na een poosje. ‘Archibald repte met geen woord over bezoek. Toch moet volgens onze inlichtingen Van Maanenfeldt in gezelschap van Jopie Stuff en later ook Grote Pier de Villa hebben bezocht.’

De Cock knikte traag. ‘Mogelijk heeft hij het bezoek van Grote Pier niet eens opgemerkt. En wat Johannes Brouwer en de Baron betreft, we weten niet wanneer zij samen de villa hebben bezocht. Het is de vraag of Archibald er toen al woonde.’ Vledder kneep zijn lippen op elkaar. ‘Met welk recht woont die vent daar eigenlijk?’ riep hij verbolgen.

De Cock lachte. ‘Het recht van de brutalen. Bedenk dat Archibald al in de villa is getrokken toen Van Maanenfeldt nog leefde. We kunnen hem niet meer vragen of hij bezwaren had.’ ‘En Abigail?’

De Cock schoof zijn onderlip naar voren. ‘Zolang de erfenis niet geheel is afgewikkeld, valt er weinig aan te doen. Ik weet ook niet of het haar interesseert. Het zal heel wat kosten om de villa in haar oude luister te herstellen. Ze is totaal verwaarloosd. Ik begrijp niet wat Archibald ermee voorheeft. Van de totale erfenis is de villa wel het minst aantrekkelijke deel.’ Vledder schudde wrevelig zijn hoofd. ‘Een rare snoeshaan.’ De Cock grinnikte onder zijn hoedje. ‘Een tik van de familie. Archibald is de enige zoon van de enige zuster van wijlen de echtgenote van wijlen de steeds rondzwervende Van Maanenfeldt.’ Hij grinnikte opnieuw. ‘En als je het mij vraagt, was ook tante Heleentje een vreemd vogeltje.’

Vledder lachte luid. ‘Het lijkt wel een puzzel. Heette tante Heleentje voor haar huwelijk ook Van de Wheerlingen?’ De Cock snoof. ‘Dan zou onze Archibald een onecht kind zijn. Nee. Tante Heleentje heette Wijngaerden. Archibald is een kind van haar zuster… Henriette Wijngaerden. Henriette was met ene Adelbrecht Van de Wheerlingen getrouwd. Een man van een wat verwaterde adel.’

‘Leven ze nog?’

De Cock schudde zijn hoofd. ‘Beiden zijn al vijf jaar dood. Omgekomen bij een auto-ongeval in de Vogezen. Neef Archibald is een wees. Na de dood van zijn ouders was tante Heleentje de enige bloedverwante die hij had. Je kunt het allemaal vinden in die stamboom die jij mij van de familie hebt gegeven. Ik heb er een knap uurtje op gestudeerd.’

‘Wat denk je van die aanslagen?’

‘Op neef Archibald?’

‘Ja, met een groene Citroën.’

De Cock drukte zich wat omhoog. ‘Ze lijken,’ zei hij weifelend, ‘onbegrijpelijk. Ik weet niet hoe ik ze moet verklaren. Ze hebben ogenschijnlijk met de hele affaire niets van doen.’ Hij zweeg even en krabde zich in zijn nek. Er kwam een cynische trek op zijn gezicht. Tenzij…’

Vledder draaide zich met een ruk naar hem toe ‘Tenzij… wat?’ vroeg hij begerig.

De Cock schoof zijn hoedje naar achteren. ‘Tenzij men vooruitwerkte.’

Vledder keek hem verward aan. ‘Vooruit werkte?’ vroeg hij verbaasd.

De Cock knikte traag. ‘Alvast erfgenamen ombracht… nog vóór de erflater was vermoord. Een wel meer gevolgde procedure.’ Vledder slikte. Van verbijstering liet hij het stuur los. De oude Volkswagen slingerde, zwaaide gevaarlijk naar de berm van de weg. ‘Dan zou ook tante Heleentje…’ De jonge rechercheur maakte zijn zin niet af, corrigeerde de slippende wagen.

De Cock zuchtte diep. ‘Houd je handen aan het stuur,’ zei hij bestraffend. ‘Ik kom graag levend in Amsterdam terug.’

Brigadier Wiegert Bijkerk, de corpulente wachtcommandant van het politiebureau Warmoesstraat keek wat verstrooid van zijn dienstboek op toen de beide rechercheurs langs de balie schoven. ‘Hee!’ riep hij verrast. ‘Zijn jullie nog in dienst?’ De Cock bleef staan en grijnsde. ‘Van de wieg tot het graf,’ zei hij schertsend.

Wiegert Bijkerk legde zijn bril op het dienstboek en kwam overeind. ‘Ik dacht dat jullie vandaag niet meer zouden terugkomen. Ik heb al thuis gebeld.’

‘Waarom?’

Bijkerk gebaarde naar de wachtkamer. ‘Ik heb bezoek voor jullie zitten. Al drie uur. Een oudere dame.’

De Cock keek hem verbaasd aan. ‘Al drie uur?’

De brigadier knikte droevig. ‘Ze kwam ruim drie uur geleden hier aan de balie en vroeg naar rechercheur De Cock. Ik had jullie niet weg zien gaan. Ik heb haar gezegd dat ik niet wist wanneer je zou terugkomen.’

‘En toen?’

‘Ze stond erop te blijven wachten.’ De wachtcommandant zuchtte omstandig. ‘Ik heb nog nooit zo’n halsstarrige tante gezien. Ik heb van alles geprobeerd, maar ze was met geen stok te bewegen om weg te gaan. Ik heb haar toen maar in de wachtkamer gezet.’ ‘En daar zit ze nog?’

De brigadier maakte een hulpeloos gebaar. ‘Wat moest ik? Ik kon haar moeilijk buiten de deur laten zetten. Ik heb haar maar een kop koffie laten brengen.’

De Cock grinnikte. ‘Je bent braaf. Heeft ze je nog verteld waarom ze mij wilde spreken?’

Bijkerk schudde triest zijn hoofd. ‘Het was belangrijk. Meer wilde ze niet zeggen.’

Een agent bracht haar binnen. Hij wees naar De Cock, die achter zijn bureau zat.

‘Voor u,’ zei hij simpel.

De Cock knikte en wenkte de vrouw naderbij. Ze liep wat moeilijk alsof ze stijf was van het lange zitten. De Cock kwam overeind en nam haar nauwkeurig op. Van een afstandje keek hij toe hoe ze moeizaam langs de stalen bureaus strompelde. Hij schatte haar voor in de vijftig; een grote wat gezette vrouw in een stijf mantelpakje van donkerbruine tweed. Ze had een bol, breed gezicht met vriendelijke ogen. Een bril met donker montuur gaf haar een streng uiterlijk. Star, nors, onbuigzaam. Hij kwam haar een paas passen tegemoet. Plotseling bleef hij staan en staarde naar het gezicht. Het was alsof hij het eerder had gezien, de trekken hem vertrouwd waren. Hij tastte koortsig in zijn herinnering, maar het beeld vervaagde en de associatie gleed weg. Toen het niet lukte het beeld terug te roepen, boog hij galant en schoof uitnodigend een stoel bij. Ze nam zuchtend plaats, breed, plomp, de benen iets uit elkaar.

De Cock glimlachte tegen haar. ‘U hebt drie uur gewacht?’ vroeg hij met een ondertoon van verbazing.

Ze knikte traag, een trieste glimlach om haar lippen. ‘Het is niet erg. Ik ben gewend te wachten, uren, in honderd zalen, in duizend kleedkamers. Ik trok vroeger altijd met mijn man mee. Op tournee.’

De Cock knikte vaag, beluisterde de wat gedragen toon waarop de vrouw sprak. Hij vroeg zich af wat haar dreef, waarom ze juist naar hem had gevraagd. Er kwamen vrijwel dagelijks vrouwen aan het bureau, meest oudere, vervuld van de vreemdste ideeën. Zij vergden van de rechercheurs een schat van tijd, een zee van geduld. Hij liep langs haar heen en ging weer achter zijn bureau zitten.

‘U wilde mij spreken?’ begon hij voorzichtig. ‘U bent rechercheur De Cock?’

‘Inderdaad… met ceeooceekaa.’

Ze glimlachte. ‘Men had mij voorspeld dat u dat zou zeggen.’ ‘Wie is men?’

Ze gebaarde wat ongeduldig. ‘De mensen met wie ik over u heb gesproken.’ Ze verschoof iets op haar stoel en schudde haar hoofd. ‘Een paar dagen geleden,’ zei ze zacht, ‘las ik in de krant een berichtje over de dode man aan de muur van de oude Zuiderkerk. In dat berichtje werd uw naam genoemd.’

‘Dat klopt.’

Ze zuchtte. ‘Vrienden zeiden mij dat ik gerust naar u toe kon gaan.’ Ze keek naar de grijze speurder op. ‘Is de dode al geïdentificeerd?’ De Cock knikte. ‘De man heette Van Maanenfeldt… Archibald van Maanenfeldt. Familieleden hebben hem herkend.’ Een trek van teleurstelling gleed over haar gezicht. Langzaam kwam ze overeind. ‘Dan,’ zei ze verdrietig, ‘zal ik u niet langer lastig vallen.’

De Cock keek haar aan, beduidde haar weer te gaan zitten. ‘U vermist iemand?’

Ze knikte traag. ‘Mijn man.’

‘U hebt zijn vermissing gemeld?’

Ze schudde haar hoofd. ‘Hij… eh, hij is al een eeuwigheid bij mij vandaan… zeventien jaar… in oktober. Het signalement in de krant zei mij iets. Ik dacht… misschien is hij het wel. Ziet u, sinds zij hem in de steek liet, is hij gaan zwerven.’

De Cock keek haar onderzoekend aan. ‘Zij?’

‘Haar onderlip begon te trillen. ‘Die meid,’ zei ze fel. Haat en afkeer trilden in haar stem. Ze ging weer zitten, breed, de handen gevouwen in haar schoot. ‘Eens heeft hij tegen me gezegd: “Je wurgt me met je liefde.” We waren toen nog niet zo lang getrouwd. Ik dacht dat het een complimentje voor me was, een teken dat hij besefte hoeveel ik wel van hem hield. Later heb ik begrepen dat het niet als een complimentje was bedoeld, maar als een waarschuwing. Hij meende wat hij zei. Ik verstikte hem. Ik hield zoveel van hem dat ik hem geen ruimte liet om te leven.’ Ze ademde diep. ‘Je moet eerst oud worden om dat te begrijpen.’ Ze friemelde aan een knoopje van haar blouse. ‘Op een dag zei hij dat hij van mij wegging.’

‘Met die meid?’

Ze beet op haar onderlip. ‘Ja… Ze heeft hem naar de afgrond geholpen. Ze nam hem overal mee naar toe, sleepte hem van de ene fuif naar de andere. Ferry kwam te laat op de repetities, verwaarloosde zijn werk. Toen begon ze hem te bedriegen. Eerst stiekem, later openlijk. Ferry kon die vernederingen niet verdragen. Het tastte zijn zelfvertrouwen aan. Hij raakte aan de drank, zakte steeds dieper. Tot niemand hem meer wilde hebben.’ De Cock gebaarde. ‘Toen liet ze hem in de steek?’

Ze knikte nauwelijks merkbaar. ‘Toen hij pas van haar af was, liep ik hem na, zocht hem op in de logementen waar hij woonde en vroeg… smeekte hem bij mij terug te komen. Maar hij was te trots, bleef liever waar hij was.’

Ze zweeg, staarde voor zich uit, een wazige blik in haar ogen. ‘Ik heb nu al jaren niets meer van hem gehoord,’ zei ze zacht. ‘Ik weet niet eens of hij nog leeft.’

Ze stond moeizaam op. Ook De Cock kwam overeind. Ze reikte hem de hand. ‘Ik ben blij dat u naar mij hebt willen luisteren. Er zijn zo weinig mensen met wie ik erover praten kan.’ Ze glimlachte vaag, draaide zich om en strompelde weg.

De Cock keek haar na. Opnieuw kwam het gevoel bij hem op dat hij de vrouw kende, dat hij haar ergens had ontmoet. Lang geleden. De blik, de vage glimlach sluimerde in zijn herinnering. Hij trok rimpels in zijn voorhoofd. Wrevelig, opstandig tastte hij zijn geheugen af. Ineens was het er… het beeld dat hij zocht. Hij liep haar na, haalde haar in nog voor ze de deur had bereikt. Zachtjes vatte hij haar bij een arm en leidde haar terug naar de stoel naast zijn bureau.

‘U bent…?’

Ze keek hem verwonderd aan. ‘Louise… Louise de Graaf.’ ‘En uw man?’

‘Ferdinand Ferkades.’

De Cock knikte. ‘Groot vertolker van de Gijsbrecht.’ Een blijde glimlach gleed over haar gezicht. ‘U kent hem?’ Het gelaat van De Cock versomberde. Traag schudde hij zijn hoofd. Nerveus plukten zijn vingers aan zijn onderlip. ‘Ik heb hem niet gekend,’ zei hij zacht, peinzend. ‘Niet in leven, bedoel ik. Hij was al dood.’

Er kwam een blik van verbijstering in haar ogen. ‘Dood?’ De Cock knikte. Hij schoof de lade van zijn bureau open en nam daaruit een foto… een oud portretje in chamois. De randen waren groezelig, verkreukt. De rechterbovenhoek ontbrak. Hij keek er even naar en schoof het haar toen langzaam toe. ‘Hij droeg het op zijn hart,’ zei hij zacht.

Загрузка...