Ze hadden hem op zijn brits gelegd, de repen hemd, waaraan hij zich had opgeknoopt, nog om zijn hals. Johannes Brouwer, alias Jopie Stuff.
De Cock boog zich over hem heen, bekeek het gezwollen gezicht en de lus die diep in de hals was gesnoerd. Het was een duidelijke zelfmoord door verhanging. Zonder enige twijfel. De resten van het hemd lagen in een hoek van de cel. De Cock richtte zich half op en drukte de oogleden toe. Het was een bijna teder gebaar. Hij kwam langzaam overeind en liet zijn blik langs de vuile wanden dwalen. Hij kende de teksten die in de kale celmuren waren gegrift en zocht naar een laatste woord. Het was er niet. Jopie Stuff was zonder afscheid heengegaan. Minutenlang bleef De Cock bij de dode staan. Zijn grof, breed gezicht stond ernstig.
‘In de hemel is alles gratis,’ zei hij zacht. Het klonk niet grappig, niet cynisch. Zo was het ook niet bedoeld. De Cock geloofde oprecht dat Onze-Lieve-Heer bijzonder genadig was, vooral voor de zielen van kleine gauwdieven en milde bedriegers. Vledder wendde zich tot de wachtcommandant, die in de opening van de celdeur stond. ‘Hoelang is hij al dood?’ Brigadier Bijkerk keek op zijn horloge. ‘Nog geen uur. Voor de celwacht werd afgelost, heeft hij nog naar hem gekeken.’ ‘Heeft hij nog wat gezegd?’
‘Wie?’
‘Jopie Stuff.’
De wachtcommandant keek hem wantrouwend aan. ‘Wat… eh, wat zou hij nog gezegd moeten hebben?’
Vledder gebaarde achteloos. ‘Dat hij dit zou doen.’
Brigadier Bijkerk grijnsde met een scheve mond, tikte met een vinger op zijn brede borst. ‘Als ik toch maar even het idee had gehad dat hij zich wilde verhangen,’ reageerde hij opgewonden, ‘dan had hij van mij toch nooit de kans gekregen. Ik had hem voortdurend laten bewaken. Desnoods had ik hem al zijn kleren uitgetrokken. Wat koop ik voor al die ellende? Uiteindelijk ben ik verantwoordelijk.’ Hij zweeg even, schudde geërgerd zijn hoofd. ‘Wie denkt daar nu aan… Johannes Brouwer… Verdomme, dit was toch waarachtig niet de eerste keer dat hij in een cel zat. Hij heeft ons nog nooit last bezorgd.’
De Cock zuchtte. ‘Nu wel… en voor het laatst.’ Hij draaide zich wat abrupt om en liep de gang in.
Vledder ging hem na.
‘Wat doen we nu?’
‘Zijn familie waarschuwen.’
‘Heeft hij die?’
De Cock knikte traag. ‘Een oude moeder.’ Bij de opgang van de trap, midden in de gang, bleef hij staan. Met gebogen hoofd staarde hij naar de uitgesleten treden. Eerst na een poosje keek hij op. ‘Haal mijn hoed en jas,’ zei hij somber. ‘Ik weet waar ze woont.’
Ze dribbelde bedrijvig heen en weer, van de kamer naar de keuken en terug, een nietig vrouwtje in een wijde jasschort met gele en paarse bloemetjes. Haar te grote sloffen schoven over de vloer. Half in de kamer bleef ze staan. Om haar smalle mond lag een blijde lach. Door het keukenraam viel een straal zonlicht, legde een glans op het zilvergrijze haar en streek langs haar gezicht vol lieve, kleine rimpeltjes. ‘Veel suiker, meneer De Cock? En de jongeheer?’ Dienstbaarheid straalde uit haar ogen.
Vledder knikte wat onzeker. Hij voelde zich niet op zijn gemak. Het brengen van een doodstijding was een taak waartegen hij niet was opgewassen. Zijn droge tong kleefde aan zijn gehemelte. ‘Een klein scheutje melk, graag,’ zei hij hees.
Ze liep weer weg.
De jonge rechercheur keek naar De Cock en vroeg zich af waarom hij wachtte, waarom hij haar niet meteen vertelde dat haar zoon zich had opgehangen.
Ze kwam terug met een tinnen blad, schoof met een kromme hand een paar onzichtbare kruimels van het tafelkleed en zette de koffie voor hen neer. Fraaie, grote koppen met een goud randje. Ze blikte naar De Cock. ‘U bent lang niet hier geweest,’ zei ze vriendelijk. ‘Zeker vijf jaar. Jopie past goed op de laatste tijd.’ Ze glimlachte wat onzeker, monsterde het gezicht van de rechtercheur. ‘Of niet?’
De Cock negeerde de vraag. ‘Kwam hij nog wel eens?’ Ze knikte heftig. ‘Toch minstens eenmaal in de week. Zeker! Soms neemt hij wat voor mij mee. Als hij geld heeft. Een bloemetje of een rolletje echte amandelspijs.’ Ze lachte wat verlegen. ‘Ik ben er gek op, amandelspijs. Maar ik mag het eigenlijk niet hebben van de dokter. Vanwege mijn suiker.’
‘Bent u lang suikerziek?’
Ze zuchtte diep. ‘Al jaren.’
Krijgt u pilletjes of injecties?’
‘Injecties.’
‘Komt de zuster?’
Er kwam een glinstering in haar kleine bruine ogen. ‘Ik mag het nog steeds zelf doen.’ In haar stem klonk een verholen trots. ‘De meeste oudjes van mijn leeftijd mogen het niet meer. Ze trillen te veel.’ Ze strekte haar arm voor zich uit. ‘Ik heb nog steeds een vaste hand.’
De Cock glimlachte. ‘Ik zag het,’ zei hij bewonderend, ‘toen u het blad met kopjes neerzette.’
Ze schoof op het puntje van een stoel en leunde met haar armen op tafel. ‘Ik heb altijd netjes geleefd. Oppassend. Ik ben Jopie daarin van kindsaf voorgegaan. Maar toen mijn man in de hongerwinter stierf, was het afgelopen. Mijn Jopie was toen dertien jaar. Een klein ventje, een scharminkeltje, maar erg bij de hand. Om ons tweetjes in leven te houden ging hij in de handel… zo klein als hij was. Allemaal zwart natuurlijk.’ Ze staarde voor zich uit, een glans van vertedering in haar ogen. ‘Toen de oorlog eenmaal was afgelopen, kreeg ik hem niet meer naar school. Een vak heeft die jongen nooit geleerd. Hij kan amper lezen en schrijven. Scharrelen, sjaggeren en handelen… daar was hij in opgegroeid. Neem het die jongen nou eens kwalijk, dat hij niet altijd op het rechte pad bleef. Wie sprak er in de oorlog over mijn en dijn?’ Ze zuchtte diep, zweeg een tijdje. ‘Waar hebt u hem nu weer voor, meneer De Cock. Heling?’
De Cock schudde zijn hoofd. ‘Ik heb hem niet meer,’ sprak hij somber.
Ze keek hem niet-begrijpend aan. ‘Behandelt een ander zijn zaak?’
De Cock slikte iets weg. ‘Zo zou je het kunen noemen,’ zei hij vaag.
Er kwam verandering in haar blik. Het zoet van de vertedering week, maakte plaats voor angst. Nerveus schoven haar handen over het pluche van het tafelkleed.
‘Wat is er met Jopie?’
De Cock liet zijn hoofd zakken. Hij antwoordde niet. ‘Wat is er met Jopie?’ Haar stem trilde schril door het kamertje. De Cock kauwde op zijn onderlip, zocht naar woorden om het haar duidelijk te maken. ‘Ik… eh, ik denk dat hij er niet meer tegenop kon.’
Ze stond op. Geagiteerd. Het bloed kroop omhoog, kleurde haar rimpelig gezicht. ‘Waar tegenop?’
‘Het leven.’
Ze staarde hem verward, verbijsterd aan. ‘Het leven?’ herhaalde ze.
De Cock knikte traag. ‘We vonden hem vanmorgen in de cel.’ Het duurde enkele seconden voor de waarheid tot haar doordrong. Ze zakte terug op haar stoel.
‘Hij is dood.’ Ze snikte. ‘Hij is dood! Hij is dood! Hij is…’ Ze herhaalde het een tiental malen, hoofdschuddend, alsof ze haar eigen woorden wilde ontkennen.
Rechercheur De Cock kwam overeind, nam de stoel naast haar en legde zijn arm om haar schouders.
‘Hij zal in zijn laatste ogenblikken zeker aan u hebben gedacht,’ sprak hij overtuigend. Hij perste zijn lippen op elkaar, vloekte inwendig omdat hij geen betere woorden van troost kon vinden. ‘Ik weet dat Jopie erg op u was gesteld.’
Ze keek met een betraand gezicht naar hem op. ‘Waarom… waarom heeft hij het gedaan?’
De Cock trok zijn schouders op. ‘Ik weet het niet,’ zei hij weifelend, ‘ik begrijp het ook niet. Jopie had een portefeuille gestolen. Daarvoor zat hij in de cel.’
Haar onderlip trilde. ‘Een portefeuille?’ vroeg ze ongelovig. ‘Ja.’
Ze veegde met de mouw van haar jasschort langs haar ogen. ‘Dat… eh, dat geloof ik niet. Jopie is geen zakkenroller.’ Ze schudde haar hoofd. ‘Jopie steelt geen portefeuilles. Dat heeft hij nog nooit gedaan.’
De Cock zuchtte diep. ‘We hebben de portefeuille bij hem gevonden. Jopie heeft het ook toegegeven.’
‘Van wie was die portefeuille?’ De Cock antwoordde niet direct. Hij vroeg zich af hoeveel hij de oude vrouw kon vertellen, of het haar pijn zou doen als ze de ware toedracht kende. Hij beet op zijn onderlip, draaide zijn hoofd wat weg. ‘De portefeuille was van een dode man,’ zei hij zacht.
Ze keek hem aan, de ogen half toegeknepen. ‘Van een dode man?’ In haar stem trilde de achterdocht.
De Cock knikte. ‘Jopie vond hem tegen een muur van de Zuiderkerk en nam zijn portefeuille weg.’
Ze schudde haar hoofd. ‘Dat is niet waar,’ zei ze beslist. ‘Dat zou hij zelfs in de oorlog niet hebben gedaan.’ Ze snoof, schudde opnieuw haar hoofd. ‘Van een dode man… u moet u vergissen.’ Plotseling stond ze van haar stoel op en drentelde naar de keuken. Na een paar minuten kwam ze terug. Ze had haar gezicht gewassen en haar grijze haar gekamd. Ze zag er ineens heel anders uit, flinker, minder breekbaar. Het leek alsof ze gelijk met haar tranen ook haar verdriet had weggewist. Ze hield haar hoofd rechtop. Om haar mond lag een verbeten trek. ‘Wie was die dode man?’ vroeg ze scherp.
De Cock gebaarde wat vaag in de ruimte. ‘Een zwerver,’ zei hij achteloos. ‘Ze noemen hem in de buurt de Baron.’
Haar gezicht verstarde. ‘De Baron… Is hij dood?’
De Cock keek haar onderzoekend aan. ‘U kende hem?’ Ze knikte voor zich uit. ‘Hij was een vriend van Jopie.’ ‘Wat?’
Ze knikte opnieuw. ‘Een vriend. Ze deden wel eens wat samen… in de handel. Hij is een paar maal hier geweest… de Baron. Een aardige man… van goeden huize… een heer, dat kon je zo zien, ondanks de lompen waarin hij liep. Ik heb als jong meisje bij gegoede lui gediend. Ik vergis mij daar niet in.’ Ze keek naar de grijze speurder op. ‘Hoe is hij gestorven?’
De Cock schoof zijn onderlip naar voren. ‘Hij werd vermoord.’ Een paar seconden was ze sprakeloos. ‘En heeft Jopie daar iets mee te maken?’
De Cock maakte een triest gebaar. ‘Ik kan het hem niet meer vragen.’
Ze streek met haar hand langs haar gezicht. Een moment leek het alsof ze opnieuw in tranen zou uitbarsten. Ze kneep de ogen even dicht, stijf, klemde de lippen op elkaar. Toen was het over. Een diepe zucht ontsnapte aan haar borst.
‘Weet u,’ sprak ze zacht, aarzelend, ‘dat ze veel geld zouden gaan verdienen?’
‘Wie?’
‘Jopie en de Baron.’
‘Waarmee?’
Ze zuchtte opnieuw. ‘Ik heb er het fijne nooit van begrepen. Ze deden er nogal geheimzinnig over.’
‘Ging het over verdovende middelen… opium… morfine… heroine… hasjiesj?’
Ze schudde traag haar hoofd. ‘Zoiets was het niet.’
De Cock boog zich naar haar toe. ‘Wat dan? Wat dan? Wat was het dan?’
Ze maakte een hulpeloos gebaar. ‘Ik weet het niet.’
De Cock legde vertrouwelijk een hand op haar schouder. ‘Denk eens goed na, moeder Brouwer,’ zei hij vriendelijk. ‘Het kan heel belangrijk zijn. Is er iets gezegd… iets wat u hebt onthouden… wat u vreemd voorkwam?’
Ze greep naar haar hoofd. ‘Ik was er niet steeds bij. Ze zaten hier samen in het voorkamertje. Ik was meestal in de keuken. Ziet u, ik had het idee dat ze het niet prettig vonden als ik meeluisterde. Dat heb ik ook niet gedaan.’
‘Hoe weet u dan dat ze veel geld zouden verdienen?’ Ze glimlachte wat triest. ‘Vorige week… De Baron was net weg, toen pakte Jopie mij bij mijn kin, keek mij aan en zei: “Wat zou je ervan denken als ik voor het oude mens eens een mooie bontmantel kocht?” Dat zei Jopie.’
‘En toen?’
Ze gebaarde met beide handen. ‘Ik zei: ‘Jongen, je hebt geen rooie cent. Dat kan je toch niet betalen?’ Toen lachte hij en zei: “Tien, moeder… al waren het er tien!” Dat zei Jopie.’ Ze zweeg even. Er gleed een traan uit haar ogen, drupte over haar wang. Ze veegde hem weg met de rug van haar hand. ‘Jopie was een lieve jongen, meneer. Ik had die bontmantel gekregen, geloof me. Niet omdat ik hem nu zo broodnodig had, maar omdat hij hem mij gunde.’
Er viel een stilte. De Cock krabde zich in zijn nek. Hij had het stellige gevoel dat de oude vrouw onbewust meer wist dan ze vertelde, dat ver in haar herinnering iets lag verscholen, een opmerking, een woord, een gebaar, dat enig licht kon werpen op de moord die hem nu al dagenlang zo intensief bezighield. Hij stond langzaam op en slenterde naar de deur. Met de kruk in zijn hand bleef hij staan. ‘Is Jopie weleens met de Baron weggeweest?’
‘Waar naar toe?’
De Cock wuifde vaag voor zich uit. ‘Ergens… naar buiten.’ Haar blik verhelderde. ‘Blaricum,’ zei ze vast.
‘Blaricum?’
Ze knikte heftig. ‘Dat wilde de Baron. “Het wordt tijd,” zei hij, “dat je mij eens mijn landgoed laat zien.” Dat heb ik hem horen zeggen.’
‘Het wordt tijd, dat je mij eens mijn landgoed laat zien.’ Rechercheur De Cock herhaalde de woorden, steeds opnieuw, langzaam, duidelijk, met wisselende klemtonen. ‘Het wordt tijd, dat je mij eens mijn landgoed laat zien.’ Hij leunde achterover in zijn stoel. ‘Een verdomd gekke zin. Hoe je hem ook bekijkt.’ Vledder gebaarde achteloos voor zich uit. ‘Als ik jou was, zou ik er niet te veel waarde aan hechten. Vermoedelijk heeft moeder Brouwer de zin verkeerd verstaan. Ze is een oud mens.’ De Cock knikte peinzend. ‘Maar zelfs als moeder Brouwer zich heeft vergist, bijvoorbeeld als de woorden niet door de Baron, maar door haar eigen zoon zijn uitgesproken, blijft het vreemd.’
Vledder lachte. ‘Misschien wilde Van Maanenfeldt zijn villa wel aan Jopie overdoen.’
De Cock keek naar hem op. ‘In ruil waarvoor?’
Vledder zuchtte omstandig. ‘Misschien had hij er genoeg van, na de dood van zijn vrouw. Misschien had hij slechte herinneringen aan de villa. Uiteindelijk was Archibald van Maanenfeldt een excentrieke man. Zijn gedrag is vrijwel niet te voorspellen. Misschien vond hij het gewoon grappig om zijn villa aan een arme sloeber over te doen.’
‘Zomaar… voor niet?’
‘Ja.’
De Cock grijnsde. ‘En de arme sloeber is dan zo gelukkig dat hij prompt zelfmoord pleegt.’ Het klonk hard, cynisch. Hij stond van zijn stoel op en begon door de kamer te stappen, langzaam, in zijn zo typische slenterpas. Zijn gezicht stond ernstig. De rimpels in zijn voorhoofd waren verdiept. De zaak zinde hem niet. Er waren te veel hiaten, te veel onwaarschijnlijkheden. Waarom stierf Archibald van Maanenfeldt en waarom pleegde Johannes Brouwer zelfmoord? Was er een verband? Hoe en waar lag dat dan? Waarom zwetste Grote Pier over een kruistocht tegen handelaren in drugs en beweerde moeder Brouwer dat de Baron en Jopie Stuff — een bijnaam die aan duidelijkheid toch niets te wensen overliet — goede vrienden waren? Wat was het project, waaraan beiden veel geld hoopten te verdienen? Hij schudde mistroostig zijn hoofd. Het klopte allemaal niet. De Baron was rijk. Hij hóéfde niet veel geld te verdienen… zeker niet in een compagnonschap met Johannes Brouwer. De Cock grijnsde voor zich uit. Jopie Stuff kennende, kon dat toch alleen maar een louche zaak zijn.
Hij drentelde nog een tijdje door, peinzend, overwegend, zonder tot een uitweg te komen. Plotseling bleef hij staan en staarde naar Vledder, die verderop aan zijn bureau zat te typen. ‘Kom,’ zei hij stug, ‘we gaan op pad.’
De jonge rechercheur liet zijn vingers rusten. ‘Waarheen?’ ‘Blaricum! Ik wil die villa wel eens zien.’
Na een rit door de stad vol handicaps, trok Vledder de oude Volkswagen voorbij Diemen de ruime vierbaansweg op. Hij klemde zijn handen wat vaster om het stuur en keek schuins naar De Cock, die lui en ontspannen naast hem zat. ‘Ik begrijp niet,’ zei hij voorzichtig, ‘dat we er nog mee doorgaan.’
‘Waarmee?’
‘Deze zaak.’
De Cock schoof wat overeind. ‘Mag ik zeggen dat ik je niet begrijp?’
Vledder gebaarde achteloos voor zich uit. ‘De zaak is toch rond.’
Er gleed een wat dwaze glimlach om de lippen van De Cock. ‘En wie moeten we dan arresteren?’
Vledder schudde zijn hoofd. ‘Dat hoeft niet meer,’ zei hij bedaard. ‘Na de zelfmoord van Johannes Brouwer kunnen we de zaak afsluiten.’
De Cock keek hem verrast aan. ‘Jopie Stuff?’
Vledder knikte. ‘Ik weet niet hoe je het anders wilt zien. Zijn zelfmoord is een duidelijk bewijs van schuld, een klare bekentenis. Na zijn laatste verhoor moet hij hebben beseft dat er voor hem geen uitweg meer was. Zijn roep om een advocaat was een loze kreet. Zelfs de beste strafpleiter van het land had hem niet meer kunnen redden. Johannes Brouwer zat in de klem. Duidelijk. Ga maar na… Hij was in de nacht van de moord bij het slachtoffer. Hij was of kon in het bezit zijn van oplosbare rookopium. Uit zijn relatie met de Baron had of kon hij een motief hebben.’
Vledder pauzeerde even, gaf extra gas en passeerde een wat trage Eend. ‘Wat mij aanvankelijk nog bezighield,’ ging hij verder, ‘was de vraag of Johannes Brouwer een injectie kon toedienen. Hij was zelf geen spuiter. Ik heb zijn armen en benen bekeken. Ze waren volkomen gaaf, geen punctieplekjes. Hij gebruikte alleen zo nu en dan wat hasjiesj. Maar toen ik vanmorgen moeder Brouwer hoorde zeggen dat zij suikerziek is en zichzelf al jarenlang injecties toedient, twijfelde ik niet langer. Toen was voor mij de zaak rond.’
De Cock knikte peinzend voor zich uit. Lange tijd sprak hij niet. Het was alsof hij de stelling van de jonge Vledder overwoog, analyseerde. ‘Het is heel knap,’ zei hij bewonderend. ‘Een indrukwekkend requisitoir.’
De jonge rechercheur keek hem gespannen aan. ‘En?’ De Cock plukte aan zijn neus. ‘Wat verwacht je van me?’ Vledder gebaarde heftig, ‘Op z’n minst een pleidooi.’ De Cock plooide zijn lippen in een tuitje. ‘Een pleidooi,’ herhaalde hij loom. Hij knikte voor zich uit. ‘Dat pleidooi hóúd ik.’ ‘Wanneer?’
De Cock staarde door de voorruit. ‘Blaricum… je moet hier linksaf.’
Vledder kneep zijn lippen op elkaar. ‘Wanneer?’ herhaalde hij fel. De Cock keek hem van opzij aan. ‘Wanneer ik de echte moordenaar heb gevonden.’
Vledder parkeerde de rode Volkswagen bij de kerk. De Cock drukte het portier open en stapte uit. Leunend tegen het dak keek hij omhoog en grijnsde. ‘Ik begin langzaam allergisch te worden voor kerktorens.’ Het klonk ironisch,
Vledder lachte luid. ‘We kunnen de rest beter te voet gaan. De Schapendrift is nogal smal en vrij druk. Je kunt daar moeilijk je wagen kwijt.’
De Cock knikte begrijpend. ‘Heb je het nummer?’
Vledder raadpleegde zijn notitieboekje. ‘Negenenzeventig… volgens Grote Pier.’
‘En de sleutel?’
‘Welke sleutel?’
De Cock gebaarde wat ongeduldig. ‘Van de villa natuurlijk.’ Vledder keek zijn oude leermeester verward aan. ‘Die is er niet.’
De Cock hield zijn pas in. ‘Vergeten?’
‘Nee, dat niet. Er is helemaal geen sleutel.’
De Cock keek hem ongelovig aan. ‘Had Archibald van Maanenfeldt geen sleutel van zijn eigen huis?’
Vledder schudde zijn hoofd. ‘Hij had alleen een sleutel van het kraakpand aan de Zanddwarsstraat. Anders niet.’
‘Wie heeft die sleutel dan? Jopie Stuff?’
Het gezicht van Vledder betrok. ‘Ook niet. Johannes Brouwer had alleen een sleutel van de woning van zijn moeder. En dan was er nog een leren hangertje met sleuteltjes van een auto.’ ‘Een auto?’
Vledder knikte benepen. ‘Een oude Chevrolet. Jopie sliep er wel eens in.’
‘Waar is die auto gebleven?’
‘Die staat er nog.’
‘Waar?’
‘Op het ’s Gravenhekje.’
De Schapendrift was een oude, smalle laan met klinkers, hoge beuken en schemerige villa’s achter een dichte haag van elzen. De Cock liep voorop. Hij waggelde een beetje en zijn hoedje stond scheef achter op zijn hoofd. Plukken grijs haar staken er onderuit.
Vledder volgde in zijn kielzog, netter, strakker, in een keurig grijs kostuum. Hij begreep niet best wat De Cock wilde. Wat had het voor zin in Blaricum een oude villa te bekijken? De moord had zich afgespeeld in Amsterdam. Daar moesten ze zoeken. Daar was de Baron gestorven. Daar had Jopie Stuff geopereerd en… zelfmoord gepleegd. Hij klemde zijn lippen op elkaar en vloekte binnensmonds. Waarom verbond De Cock aan die zelfmoord niet de enige juiste conclusie? Johannes Brouwer had de Baron vermoord! Door zijn zelfmoord had hij zich aan zijn aardse rechters onttrokken. Het was een duidelijke bekentenis. Deze tocht naar Blaricum was gewoon tijdverspilling. Mokkend trok hij een blad van een overhangende elzentak.
Bij een brede oprijlaan van grind bleef De Cock staan. Hij haalde een roodbonte zakdoek uit zijn zak en wiste het zweet van zijn voorhoofd. ‘Dit moet het zijn,’ zei hij zacht hijgend. Hij wees op een verweerde paal met cijfers in afgebladderd wit. ‘Negenenzeventig.’
Vledder snoof. ‘Als we nu de blinden nog gesloten vinden en het onkruid tussen de tegels groeit… zijn we klaar.’ Het klonk wat sarcastisch.
De Cock keek hem verwonderd aan. ‘Klaar?’
Vledder knikte met een stug gezicht. ‘Dan weten we net zoveel als Grote Pier ons gisteren al verteld heeft.’
De Cock reageerde niet. Hij borg zijn zakdoek weg en stapte de oprijlaan op. Zijn scherpe blik dwaalde door de grote tuin, beschouwde de verwilderde struiken, gleed langs de grendels van de blinden en bleef hangen bij een open raam van een dakkapel. Een smoezelig brok vitrage wiegde zachtjes in de wind. Behoedzaam liep hij verder. Het grove grind knarste onder zijn zolen.
Op de stoep, onder het afdakje van de toegangsdeur, bleef hij staan. De zware deur kreeg al zijn aandacht. Brede smeedijzeren nagelkoppen gaven haar een ongenaakbaar aanzien. Vanaf het ruime sleutelgat ging zijn blik omhoog. Een ijverige spin had onder het afdakje een wijd web gesponnen. Ver uit het midden hingen ingesponnen vliegen. De Cock bleef ernaar kijken. Het fraaie web fascineerde hem. Hij drukte zijn hoedje wat naar voren. Was er een overeenkomst? Welk web moest hij weven om de moordenaar van Archibald van Maanenfeldt te vangen?
Hij drukte de gedachte weg. Met een grimmige grijns om zijn lippen liep hij verder. Langs de gesloten blinden sloop hij voorzichtig naar de achterkant van de villa.
Er groeide inderdaad gras tussen de tegels van het terras en de tuin was overwoekerd met onkruid. Maar daar had De Cock geen aandacht voor. Hij richtte zijn aandacht op de deur van de keuken. Hij wist uit ervaring hoe simpel dergelijke sloten waren. Hij taste in zijn zakken naar het leren etuitje waarin hij het instrumentje bewaarde dat hij eens, langgeleden, van zijn vriend en ex-inbreker Handige Henkie had gekregen. Het was een koperen houder met een keur van uitschuifbare stalen sleutelbaarden. Met kennersblik zocht hij de juiste uit.
Vledder keek over zijn schouder mee. ‘Heb je een officiële last tot binnentreden?’
De Cock keek hem vol onbegrip aan. ‘Wat zijn dat voor dingen?’ vroeg hij onnozel.
De jonge rechercheur zuchtte. ‘Geloof me,’ zei hij vermanend, ‘je krijgt er nog eens de grootste moeilijkheden mee. Je pleegt compleet huisvredebreuk.’
De Cock schudde lachend zijn hoofd. ‘Ik,’ zei hij overtuigend, ‘laat geen sporen na.’
Vledder grijnsde. ‘Hoe denk je over mij… als getuige à charge?’ De Cock keek even op. ‘Onbetrouwbaar,’ reageerde hij laconiek. Vledder wreef langs zijn neus. De onwillige trek verdween. Ineens besefte hij hoe hij op De Cock was gesteld, hoezeer hij hem bewonderde. Langzaam brak een glimlach door. ‘Oké. Ik ben medeplichtig.’
De Cock boog zich voorover. In nog geen twintig seconden had hij de klavieren van het slot opgelicht en de schoot teruggedraaid. Langzaam drukte hij de klink naar beneden en duwde de deur open. Het ging moeilijk. De scharnieren piepten een fel protest. Omzichtig slopen de rechercheurs naar binnen. De keuken was groot en breed met rondom kastjes in een schreeuwend blauw. Een koperen geiser hing zonder aansluiting aan de muur en er liep een scheur in de aanrecht van graniet. In een hoek, onder een zwartgeblakerde schoorsteen, stond een groot, zwaar kolenfornuis. De ovendeuren hingen scheef, er zaten barsten in het emaille en de pasringen waren verroest.
Vledder grinnikte. ‘Wat een troep.’
De Cock schoof het instrumentje terug in het etui en borg het zorgvuldig op. ‘Ik denk,’ zei hij gnuivend, ‘dat tante Heleentje haar huishoudelijke taak nooit zo ernstig heeft genomen.’ Hij streek met zijn wijsvinger over een keukenplank. ‘Vuil,’ constateerde hij, ‘en vet.’
Vledder schudde mistroostig zijn hoofd. ‘Een Augiasstal.’ Vanuit de keuken kwamen ze in een sombere hal met donkereiken lambrizering. Een grote staande klok stond stil op twaalf uur. Rechts, door een open deur, keken ze in een ruim hoog vertrek met een ruw gemetselde schouw, die sterk domineerde. Er hing een bedompte lucht van stof, vocht en schimmel. Voorzichtig liep De Cock langs de met lakens afgedekte meubelen. Het was schemerig. Tastend zocht hij een weg. Het buitenlicht drong slechts vaag door de kieren van de blinden.
Plotseling bleef hij staan. Zijn scherpe gehoor had schuin boven hem enig gerucht waargenomen, een lichte beweging, een trage stap. Hij draaide zich om en ging ijlings terug naar de hal. Staande naast Vledder keek hij verbijsterd naar een jongeman, die langzaam van de trap naar beneden kwam. Hij droeg een beige ribfluwelen kostuum met een te korte pantalon en hoge suède boeties. Ruig blond haar hing warrig om zijn hoofd. Rond de volle rode lippen dartelde een glimlach.
‘Goedemorgen.’ Zijn stem klonk opgewekt. ‘Ik wist niet dat ik gasten had.’
De oude speurder lichtte beleefd zijn hoedje en boog vormelijk. ‘De Cock,’ stelde hij zich voor, ‘met ceeooceekaa.’ Hij duimde opzij. ‘Begeleid door collega Vledder.’
De jongeman wuifde galant. ‘Speurders van professie?’ De Cock boog opnieuw. ‘Inderdaad… en… eh, met wie hebben wij het genoegen?’
De jongeman bleef staan, bijna onder aan de trap en zwaaide. Een vrolijke twinkeling in zijn ogen.
‘Archibald… Archibald van de Wheerlingen… ruim vijfentwintig jaar geleden feestelijk vernoemd naar mijn zo tragisch om het leven gekomen oom Van Maanenfeldt.’