3

Dokter Rusteloos was gehaast. Hij had die dag nog drie secties voor de boeg. Hij sprak niet. Hij knikte De Cock vriendelijk toe en toog aan het werk. Zijn scherp ontleedmes gleed vanaf de hals over het borstbeen en de strakgespannen buikwand naar beneden. Daarna maakte hij een snede vanaf de beide schouderkoppen naar het beginpunt aan de hals. Hij schoof de huid iets weg en verwijderde het borstbeen. Daarna drukte hij de ribben opzij. In luttele minuten had de patholoog-anatoom het lichaam van Archibald van Maanenfeldt geopend en begon hij de organen te onderzoeken.

De Cock keek gespannen toe. In de meeste gevallen liet hij het bijwonen van een gerechtelijke sectie aan Vledder over. Maar deze zaak intrigeerde hem. Van het begin af. Hij kon zich niet voorstellen dat de vredige dode aan de kerkmuur door misdaad om het leven was gekomen. Inwendig hoopte hij, dat de sectie dokter Den Koninghe in het ongelijk zou stellen, dat dokter Rusteloos tot eenzelfde conclusie zou komen als hijzelf, namelijk dat Van Maanenfeldt een natuurlijke dood was gestorven. Maar hij was er niet gerust op. De gemeentelijke lijkschouwer was een ervaren man, die in de loop der jaren wel een stad vol doden onder ogen had gekregen. Het was moeilijk aan te nemen dat de oude dokter zich had vergist.

De Cock deed een stap terug en stak een sigaret op. De weeë, zoetige geur, die uit het lichaam opsteeg, maakte hem misselijk. Zijn maag reageerde opstandig. Het scheen dokter Rusteloos niet te hinderen. Hij werkte door, gestaag, koel, emotieloos, hanteerde het mes met grote precisie.

Plotseling werd zijn ritme verstoord. De uitdrukking op zijn gelaat veranderde. In zijn blauwe ogen verscheen een blik van verbazing. Hij boog zich verder naar voren, legde het mes neer en spoot met een handdouche het opengelegde hart schoon. Ook De Cock zag het nu duidelijk. Hij kwam weer dichterbij, vergat voor een moment de onpasselijk makende geur. In de linkerboezem van het hart stak een dunne holle pen, nog geen millimeter dik.

Vledder keek zijn oudere collega verbijsterd aan. ‘Wat?’ riep hij ongelovig.

De Cock knikte met een strak gezicht. ‘Een injectienaald.’ ‘In het hart?’

De Cock zuchtte. ‘In de linkerboezem. Afgebroken. Vermoedelijk door een felle contractie… samentrekking.’

Vledder schudde vertwijfeld zijn hoofd. ‘Ik begrijp het niet. Hoe is het mogelijk? Ik heb hem toch goed bekeken. Toen we hem uitkleedden, heb ik niets gezien. Ook de broeders niet. Er zat ook geen bloed aan de binnenzijde van zijn hemd.’ De Cock krabde achter in zijn nek. ‘Dat… eh, dat is niet beslist noodzakelijk,’ zei hij traag, nadenkend. ‘Als de moordenaar deskundig was…’

‘En was hij dat?’

De Cock trok zijn schouders op. ‘Dokter Rusteloos durfde daar weinig van te zeggen… wilde daarover geen uitspraak doen. Hij sprak slechts van een “intercardiale injectie”, links van het borstbeen ingezet tussen de vierde en de vijfde rib. Dat staat ook in zijn sectieverslag. Meer niet.’

Vledder staarde nadenkend voor zich uit. ‘Die plek… ik bedoel, tussen de vierde en de vijfde rib… is dat juist?’

De Cock knikte. ‘Volgens Rusteloos is dat wel de plaats om een hartinjectie toe te dienen.’

‘Dus toch… deskundig.’

De Cock maakte een mistroostig gebaar. ‘Dat is moeilijk vast te stellen. De afgebroken naald duidt weer niet op een geoefende hand.’ Hij zweeg even, streek langs zijn kin. ‘Je hoeft volgens mij ook niet direct in de richting van een medisch geschoolde man of vrouw te denken,’ ging hij verder. ‘Er zijn tal van mogelijkheden. Denk eens aan het grote koor der verslaafden. Hoevelen zijn er niet die zichzelf dagelijks een injectie toedienen. Suikerzieken, bijvoorbeeld. Je vindt de injectiespuit tegenwoordig niet meer alleen in de instrumententas van een dokter.’ ‘Is hij door die afgebroken naald gestorven?’

De Cock schudde zijn hoofd. ‘Dat was niet de directe doodsoorzaak.’

‘Wat dan?’

‘Opium.’

Vledder keek verrast op. ‘Opium?’

De Cock knikte traag. ‘Een sterke concentratie rookopium.’ ‘Dezelfde die de Chinezen in hun pijpen schuiven?’ ‘Precies. Bruine rookopium, opgelost in water en rechtstreeks in het hart gespoten.’

Een tijd lang zwegen beiden. Hun gedachten dwaalden terug naar de vorige morgen… het bleke zonlicht en de vredige dode aan de muur van de Zuiderkerk.

Het was Vledder die de stilte verbrak. ‘Dokter Den Koninghe,’ zei hij wat cynisch, ‘had toch gelijk… het was moord.’ De Cock wreef met zijn hand over zijn grijze haar. ‘Die ouwe vos,’ zei hij hoofdschuddend. ‘En ik heb nog wel zo tegen hem gefoeterd. Ik zal hem vandaag of morgen eens bellen en nederig mijn ongelijk bekennen.’

Vledder glimlachte. ‘Dat moet je beslist doen. Hij zal zich gevleid voelen.’

De jonge rechercheur staarde peinzend voor zich uit. ‘Hoe zou hij het hebben gezien?’

‘Wat?’

‘Dat het geen natuurlijke dood was.’

De Cock trok zijn schouders op. ‘Ik denk aan de pupillen. Ze waren door de opiuminjectie sterk verwijd. Ik heb daar te weinig op gelet. Het totale beeld van die rustig ontslapen man aan de muur drong onmiddellijk elke gedachte aan misdaad opzij. Ik was daardoor minder oplettend.’

Vledder grijnsde breed. ‘Ik neem aan dat dat ook de bedoeling van de dader is geweest.’

Het gezicht van De Cock verstarde plotseling. Het was alsof hij zich ineens van de situatie bewust werd, zich realiseerde wie hij was… rechercheur van politie, belast met een onderzoek. ‘De dader,’ herhaalde hij somber. ‘Je hebt gelijk. Een moord veronderstelt een moordenaar… iemand, die, om welke duistere redenen dan ook, een ander het leven beneemt.’ Hij stond langzaam van zijn stoel op, slenterde naar de kapstok en greep zijn oude hoedje. De vriendelijke trek om zijn mond was verdwenen. Zijn gezicht stond strak, somber. Hij wenkte Vledder. ‘Kom,’ zei hij grimmig, ‘we gaan naar het ’s Gravenhekje.’ De Cock knikte gelaten. ‘Daar woont de schone Abigail.’

Ze liepen via de Binnenkant naar de Kalkmarkt, namen de brug over het water van de Oude Schans en slenterden rechts het oude ’s Gravenhekje op. Bij nummer 37 bleven ze staan en keken omhoog langs een vriendelijk halsgeveltje uit de zeventiende eeuw, dat kennelijk recent en geheel in de oorspronkelijke stijl was gerestaureerd. Boven een blauwstenen stoep glansde in Hollands groen een brede toegangsdeur met een fraai bewerkte Venetiaanse klopper in geel koper. In het glanzende groen van de zware deur stond in sierlijke witte krulletters: Abigail van Maanenfeldt, schoonheidsspecialiste.

Ze stonden wat weifelend op de stoep. ‘Schoonheidsspecialiste,’ zei De Cock zacht. Het was alsof hij het woord voor zichzelf herhaalde.

Vledder keek zijn oudere collega van terzijde aan, beschouwde het grove, brede gezicht met de wat afgeplatte neus, de wilde borstelige wenkbrauwen, het stugge grijze haar, dat warrig onder het oude hoedje uitkroop. Hij grinnikte.

‘We zijn aan het goede adres,’ stelde hij laconiek. ‘Het wordt langzaam tijd dat er aan jou zo het een en ander wordt gesleuteld.’ De Cock nam de klopper en tikte op de deur.

‘Oké,’ reageerde hij minzaam, ‘ik zal vragen of ze mij in behandeling neemt.’ Hij hield zijn buik wat in en drukte zijn brede borst vooruit. ‘Ik moet voor haar een dankbaar object zijn.’ Vledder trok zijn lippen in een tuitje en schudde droef zijn hoofd. ‘Ik ben bang,’ zei hij somber, ‘dat ze je weigert. Het is… eh, het is onbegonnen werk.’

De Cock glimlachte fijntjes.

De groene deur ging langzaam open. In de opening verscheen een breedgeschouderde man. Nog jong. Vóór in de dertig. Hij had een olijfkleurige huid, gitzwart golvend haar, een iets gebogen neus en grote dromerige ogen onder donkere wenkbrauwen. Om de wat weke mond lag een speelse glimlach. Hij boog zich iets naar voren en keek de beide mannen vragend aan. De grijze speurder lichtte beleefd zijn hoedje. ‘Mijn naam is De Cock… met ceeooceekaa.’ Hij duimde opzij. ‘En dat is mijn collega Vledder. Wij zijn van de politie… rechercheurs.’ In de dromerige ogen glansde verwondering. ‘Rechercheurs?’ De Cock knikte bevestigend. ‘Wij wilde nog eens praten over het droef verscheiden van oom Archibald.’ Hij pauzeerde even, glimlachte beminnelijk. ‘U hebt oom Archibald gekend?’ De man schudde zijn hoofd. ‘Tot mijn spijt niet. Hij moet een interessante man zijn geweest… heb ik gehoord.’

‘Excentriek… buitenissig.’

De man knikte. ‘Volgens de verhalen…’ Hij maakte zijn zin niet af, deed een stapje opzij. ‘Maar blijft u daar niet staan. Komt u binnen. Abigail zal u graag ontvangen.’

Ze stapten de marmeren gang in. De man sloot de deur achter hen en ging hen voor, beleefd, onderdanig, als een butler. De Cock overdacht hoeveel pose er in zijn optreden stak, hoeveel onwaarachtigheid.

De kamer was ruim en hoog met zware balken aan het plafond. De muren waren kaal en wit. Uit tientallen kleine raampjes viel diffuus licht op sombere eiken meubelen.

Abigail van Maanenfeldt kwam op hen toe, lief, met uitgestoken hand en een stralende glimlach om de lippen. Ze droeg een lang, wijd, purperen kleed van een grove tweed. Het had een laag uitgesneden hals, korte aangezette mouwen en een zwarte garnering in oud-Griekse motieven.

De Cock drukte de hand. Onderwijl nam hij haar nauwkeurig op. Ze was mooi, constateerde hij opnieuw, fascinerend. Hij keek haar enkele seconden aan. Toen liet hij haar hand los. Zijn blik gleed uit haar blauwe ogen, zakte langs haar halfopen mond naar de fraaie hals en de zoete welving van haar borsten. Het purperen kleed intrigeerde hem. Hij had het idee dat ze daaronder niets droeg, dat de grove tweed direct op haar naakte huid rustte. Het was een opwindende gedachte, die hij achter een bijna verlegen lachje verborg. Abigail wuifde opzij. ‘U hebt al kennisgemaakt met mijn man?’ De Cock toonde verbazing. ‘Ik meende dat u ongehuwd was?’ Ze lachte koket. ‘Mijn aanstáánde,’ zei ze verbeterend. ‘O.’

Ze keek hem aan, haar hoofd een beetje schuin. ‘Is de recherche zo puriteins?’

De Cock schudde zijn hoofd. ‘De recherche niet… de wet. Aanstaande mannen komen daar niet in voor.’

Ze vatte de man bij een arm en drukte zich tegen hem aan. ‘We gaan trouwen, nietwaar, Raymond?’

De man lachte beleefd. ‘Al was het maar om onze speurder gerust te stellen.’

De Cock verdroeg het grapje. ‘Een weinig galant motief,’ kaatste hij speels. Hij keek hem strak aan, onderzoekend. ‘Raymond…?’ De man maakte zich van Abigail los en boog vormelijk. ‘Verbruggen… Raymond Verbruggen.’

De Cock glimlachte beminnelijk. ‘Het besluit om te trouwen is van recente datum?’

Abigail maakte een nonchalant gebaar. ‘We kennen elkaar al meer dan een jaar.’ Het klonk als een verontschuldiging. ‘Dat… eh, dat is al vrij lang.’

‘Zeker.’

‘En u hebt hem al bij de familie geïntroduceerd?’

Ze reageerde verbaasd. ‘Natuurlijk. Raymond is volkomen geaccepteerd.’

‘Ook… eh, ook door oom Archibald?’

Abigail keek opzij. Ze was duidelijk in de war. ‘Raymond heeft nooit de gelegenheid gehad om met oom Archibald kennis te maken.’ Ze sprak aarzelend, onzeker. ‘Hij was er nooit.’ ‘Wie?’

‘Oom Archibald. Hij was altijd weg. Tante Heleentje was dat gewend. Ze wist gewoon niet beter. Als het voorjaar werd, verdween oom Archibald. In de herfst, als de bladeren vielen, kwam hij terug.’

‘Een vreemde man.’

Ze knikte traag voor zich uit. ‘Dat was hij. Ik heb het u al gezegd, op het bureau. Rijk en excentriek.’

De Cock plukte aan zijn neus. ‘Als je veel geld hebt kun je het je veroorloven excentriek te zijn.’

Abigail reageerde niet.

‘Zijn er kinderen?’

Ze schudde haar hoofd. ‘Oom Archibald wilde ze niet. Hij zei altijd… een echtpaar bezit geen kinderen… kinderen bezitten een echtpaar.’

De Cock grinnikte. ‘Hij wilde niet “bezeten” worden.’ ‘Dat denk ik,’ zei ze koel.

‘U bent de enige erfgename?’

Ze zuchtte verveeld. ‘Dat weet ik niet zo precies. Er is, geloof ik, nog een neef van tantes zijde.’

De Cock kauwde peinzend op zijn onderlip. ‘Waaraan is tante Heleentje gestorven?’

Ze trok aarzelend haar schouders op. ‘Ik dacht aan het hart.’ ‘Ze was hartpatiënte?’

‘Dat… eh, dat weet ik niet.’

De Cock keek haar aan, bracht zijn beste glimlach. ‘U zult tante tijdens haar lange eenzame zomermaanden toch dikwijls hebben bezocht?’

Ze knikte vaag. ‘Vooral als kind. Ik bracht vaak vakanties bij haar door.’

‘En later?’

‘Was ik ook vaak bij haar.’

‘Dan weet u toch of ze een zwak hart had?’

Abigail streek met haar tong langs haar droge lippen. Ze raakte zichtbaar nerveus. Ze wiegelde heen en weer. Haar vingers plukten aan de garnering van haar kleed. ‘Ik heb er nooit iets van gemerkt,’ zei ze zacht.

‘Is ze onverwacht gestorven?’

Abigail slikte. ‘Het was vrij plotseling, ja.’

‘Het verbaasde u?’

Raymond Verbruggen kwam geagiteerd tussenbeide. ‘Waar wilt u heen?’ vroeg hij scherp. ‘U maakt haar van streek. Dat ziet u toch?’ Hij deed een stap naar voren, bijna dreigend. ‘Is dit een verhoor?’

De Cock knikte gelaten. ‘Zo mag u het noemen,’ antwoordde hij zuinig. ‘Ik begin mij namelijk af te vragen of ook tante Heleentje wel een normale dood is gestorven.’

Raymond Verbruggen keek hem aan. De dromerige uitdrukking was uit zijn bruine ogen verdwenen. De blik was nu hard en waakzaam.

‘Oók…?’

De Cock knikte. ‘Oom Archibald is overleden aan een intracardiale injectie met opium. Het was moord.’

Abigail van Maanenfeldt gilde. Het was een vreemde rauwe kreet. Ze sloot haar ogen. Haar hoofd zakte opzij. Vledder schoot toe. Langzaam gleed haar lichaam uit zijn armen op de vloer.

Ze liepen van het ’s Gravenhekje naar de Kalkmarkt en vandaar naar de Oude Schans. Een vriendelijk zonnetje streek langs de stoere Montelbaanstoren, spiegelde speels in het drabbig groene water van de gracht en koesterde enkele hippies, die in afgedankte fauteils lui op het dek van een oude woonschuit zaten. Rechercheur De Cock krabde zich in zijn nek, vroeg zich af of ze oom Archibald hadden gekend. Mogelijk… mogelijk ook niet. De hele buurt wemelde van oude hippieschuiten en kraakpanden. Ook rond de oude Zuiderkerk leefde een kleurrijk volkje van dagdromers, opiumspuiters, hasjrokers en trippers. Was oom Archibald een van hen geweest? Lag daar de oorzaak van zijn dood? Hij keek opzij naar Vledder, die met een wat afwezige blik in zijn ogen naast hem voortliep. De jonge rechercheur was kennelijk nog onder de indruk van de schone Abigail, die hij secondenlang in zijn sterke armen had mogen houden. De Cock raadde zijn gedachten. ‘Je was er op tijd bij.’

Vledder glimlachte. ‘Ik zag het aankomen.’ In zijn stem lag een zweem van vertedering. ‘Ik had het trouwens al gemerkt bij de herkenning in het sectielokaal. Abigail van Maanenfeldt heeft geen sterke zenuwen. Ze is tegen dergelijke zaken niet opgewassen. Ze is wat teer, te gevoelig.’

De Cock maakte een grimas. ‘Ze viel flauw,’ zei hij vlak. ‘Vind je het gek?’

De Cock keek naar zijn jonge collega op. ‘Hoezo… gek?’ Vledder gebaarde wat wild voor zich uit. ‘Je vuurt een serie indringende vragen op haar af over de dood van haar tante, stelt onomwonden dat ze als erfgename duidelijke belangen heeft, en als ze daardoor wat van streek raakt, vertel je zonder omwegen dat haar oom is vermoord.’ De jonge rechercheur grijnsde met een scheve mond. ‘Nu vraag ik je… hoeveel weerstand kan je van een vrouw verlangen?’

De Cock trok achteloos zijn schouders op. ‘Ik houd niet van vrouwen die flauwvallen.’

‘Waarom niet?’

‘Het is zo moeilijk spel van ernst te onderscheiden.’ Vledder reageerde scherp. ‘Het was geen komedie. Ik heb haar toch in mijn armen gehad? Het was een gevolg van je eigen harde aanpak.’ Het klonk vinnig, verwijtend. ‘Je hebt iets tegen Abigail. Dat had je van het begin af. Je wantrouwt haar omdat… omdat…’ De Cock kneep zijn lippen op elkaar. ‘… Omdat ze een motief heeft.’ Hij bleef plotseling staan, midden op het trottoir, wijdbeens, zijn hoofd een beetje scheef, het oude hoedje ver achter op zijn hoofd.

‘Luister, beste jongen,’ zei hij geduldig. ‘Er zijn enkele vreemde omstandigheden, die de dood van oom Archibald begeleiden. En hoe meer ik erover nadenk, hoe meer ik tot de overtuiging kom dat de man of de vrouw, die voor zijn dood verantwoordelijk is, uiterst sluw te werk is gegaan. Neem nou… de presentatie.’ Vledder keek hem niet-begrijpend aan. ‘Presentatie?’ De Cock knikte. ‘De manier waarop het lijk werd gepresenteerd… vriendelijk, vredig, en uiterlijk onbeschadigd, tegen een oude kerkmuur. Het is dat dokter Den Koninghe zo alert was en ondanks mijn protesten op een sectie aandrong, anders was de moord nooit aan het licht gekomen… had niemand ooit geweten hoe Van Maanenfeldt werkelijk is gestorven.’ Hij pauzeerde even, ademde diep. ‘En dan het geld.’

‘Welk geld?’

De Cock zuchtte. ‘Het geld dat de dode bij zich had. In de portefeuille die Jopie Stuff uit de zakken van Van Maanenfeldt heeft genomen, zat genoeg geld om op de vrije markt een vol pond hasjiesj te kopen. Volgens de huidige koers toch zeker een duizend gulden. Van diezelfde Van Maanenfeldt zegt Smalle Lowietje, dat hij altijd op de biets leefde en niet eens in staat was zijn eigen pilsje te betalen.’

Vledder maakte een nonchalant gebaar. ‘Dat zegt niets. Het was zijn tijdelijke levensstijl. Van Maanenfeldt was rijk. Als hij echt geld nodig had, kon hij gewoon naar de bank gaan.’ De Cock kneep zijn ogen halfdicht. ‘Zo is het,’ zei hij grimmig. ‘Hij kon gewoon naar de bank gaan. Dat dacht ik ook. Maar ik heb gisteren zijn bankrelatie gebeld en volgens mijn informatie heeft Archibald van Maanenfeldt sinds de dertiende oktober van het vorige jaar geen stuiver meer van zijn rekening genomen.’ Ze liepen verder. De Cock in zijn zo typische slenterpas, Vledder peinzend, een dwarse denkrimpel in zijn voorhoofd. ‘Hij kan het geld hebben bewaard,’ zei hij weifelend, ‘voor noodgevallen.’

‘Je bedoelt dat hij het geld al vanaf de dertiende oktober bij zich had?’

‘Ja, is dat vreemd?’

De Cock reageerde niet.

Aan het einde van de Oude Schans trokken ze via de Kromboomsloot en de Sint Antoniebreestraat naar de Zuiderkerk. Het was er stil. Het grote verkeer raasde een honderd meter verder om een rotonde. Het grommend geluid drong slechts vaag tot hen door.

Bij de bemoste kerkmuur bleef De Cock staan, beschouwde de plek tussen de brede steunberen, waar ze het lijk hadden gevonden. Vledder hurkte naast een steunbeer neer. Zijn jonge gezicht stond ernstig.

‘Zou hij hier ook zijn vermoord?’

De Cock plukte nadenkend aan zijn neus.

‘Ik… eh, ik neem het niet aan,’ zei hij aarzelend. ‘Ik vermoed dat de feitelijke moord ergens anders is gepleegd en dat het lijk pas later tegen de muur is gezet. Er zijn omstandigheden die erop wijzen.’

‘Zoals?’

De Cock gebaarde. ‘Je hebt het vanmorgen zelf al opgemerkt… er zat geen bloed aan de binnenzijde van het hemd.’ Hij trok zijn gezicht in een grijns. ‘Dat mocht ook niet. Het past niet in de opzet van de moordenaar.’

‘Hoezo?’

‘De opzet was dat wij zouden worden misleid. Het mocht niet op moord lijken. Als we aan de binnenzijde van het hemd bloed hadden ontdekt, waren we direct naar de oorzaak gaan zoeken en dan hadden we vrijwel zeker het punctieplekje van de injectienaald gevonden.’

Vledder kwam weer overeind en keek hem peinzend aan. ‘Dat zou kunnen betekenen, dat Archibald van Maanenfeldt op het moment van de injectie geen hemd droeg.’

De Cock knikte vaag. ‘Ik heb me laten voorlichten. Het geven van een intracardiale injectie is geen gemakkelijke zaak. Je moet de ribben aftasten om de juiste plek te vinden. In de houding waarin wij het lijk aantroffen — zittend — geeft dat nogal wat moeilijkheden. Daarom ben ik er haast van overtuigd dat het slachtoffer op het moment van de dodelijke injectie geheel gestrekt lag, op de rug, met ontblote borst.’

Vledder hijgde. ‘Vrijwillig?’

De Cock spreidde zijn armen in een hulpeloos gebaar. ‘Misschien is hij onder een of ander voorwendsel meegelokt. Misschien was de dader onhandig, nerveus. Het kan ook zijn dat Van Maanenfeldt zich op het laatste moment realiseerde wat er ging gebeuren en zich toen zó heftig verzette dat de injectienaald brak.’ Hij zuchtte diep. ‘Wie zal het zeggen?’ ‘De moordenaar!’

Het was een vreemde stem.

De beide rechercheurs draaiden zich met een ruk om. Voor hen stond een vreemd uitgedoste man. De Cock schatte hem achter in de dertig. Hij droeg een nauwsluitende spijkerbroek met opgezette stukken en een zwart shirt onder een jack van groezelig bont. Op zijn buik bungelde een ban-de-bom-embleem aan een ketting. Hij wiegde wat heen en weer, lachte verlegen. ‘Sorry… ik ving een deel van uw gesprek op. Ongewild.’ Hij knikte in de richting van de grijze speurder. ‘U bent rechercheur De Cock, is het niet? Ik heb van u gehoord. U behandelt de moord op de Baron?’

De Cock keek de man onderzoekend aan. Zijn scherpe blik gleed langs de trillenden handen omhoog en tastte de gelaatstrekken af. ‘Moord?’

De man glimlachte opnieuw. ‘Het was toch moord, is het niet?’ De Cock maakte een komisch gebaar. ‘U weet blijkbaar meer dan ik,’ zei hij vriendelijk. ‘De heer… eh, de Baron is dood… dat is de enige zekerheid, die wij hebben.’

De glimlach op het gezicht van de man verdween.’ Het was moord,’ zei hij strak.

‘U hebt aanwijzingen?’

De man knikte heftig. ‘Natuurlijk heb ik aanwijzingen. Ik heb het zien aankomen. Ik heb hem ook gewaarschuwd. Ik heb hem gezegd dat het zou gebeuren.’

‘Moord?’

‘Ja. Hij vroeg erom.’

De Cock trok zijn wenkbrauwen op. ‘Vroeg erom?’ herhaalde hij verbaasd. De man gebaarde wat vaag voor zich uit. ‘Bij wijze van spreken dan. Hij haalde het gevaar naar zich toe… als u begrijpt wat ik bedoel. Hij tartte het als het ware.’

De Cock knikte traag, begrijpend. ‘U kende hem goed?’ Er kwam een haast verheven trek op zijn gezicht. ‘Ik was zijn vriend. We woonden samen… al drie maanden. Grote Pier en de Baron… dat staat op onze huisdeur… een echte huisdeur met een slot.’ Hij gebaarde naar de kerk. ‘Hier pal achter, in de Zanddwarsstraat.’

‘Een kraakpand?’

‘Ja… onbewoonbaar verklaard, maar steengoed. We hebben van alles… een dicht dak, ramen, water en licht.’

‘U bent Grote Pier?’

De man plukte aan zijn bontjas. ‘Zo noemen ze me. Ik kom uit Friesland… Olde Mirum, een gehucht tussen Staveren en Lemmer. Feitelijk heet ik Eduard Jelle Douwinga.’ Hij zuchtte diep. ‘Maar wat zou dat? Ik vind Grote Pier wel zo aardig.’ De Cock glimlachte. ‘Weet u hoe de Baron feitelijk heette?’ ‘Van… eh, Van Maanenfeldt… met twee aa’s.’

‘Heeft hij u dat verteld?’

‘Nee.’

‘Hoe weet u dat dan?’

De man liet zijn hoofd wat zakken. ‘Ik heb in zijn papieren gekeken.’

‘Wanneer?’

‘Een paar dagen geleden toen hij sliep.’

‘Waarom?’

Grote Pier slikte. ‘Ik zei het u al. Ik was bang dat er iets met hem ging gebeuren. En dan moest er toch iemand zijn die zijn familie kon waarschuwen… is het niet?’

De Cock keek hem secondenlang scherp aan. ‘Hoeveel geld droeg de Baron bij zich?’

De blik van Grote Pier dwaalde weg. ‘Daar heb ik niet op gelet.’ De Cock grijnsde ongelovig. ‘Hoeveel geld?’ herhaalde hij dwingend.

De man schudde zijn hoofd. ‘Het ging mij niet om geld,’ riep hij wrevelig. ‘Helemaal niet. Waarom? De Baron was een goed mens. We deelden alles samen. Het ging niet om te jatten. Ik wilde alleen zijn echte naam en adres.’

De Cock snoof. ‘Dat had u kunnen vragen.’

De man zuchtte omstandig. ‘Dat heb ik gedaan,’ zei hij verongelijkt, ‘maar hij wilde het mij niet zeggen.’

‘Waarom niet… jullie waren toch vrienden?’

De man maakte een hulpeloos gebaar. ‘De Baron was in sommige opzichten een vreemd mens. Hij wilde nooit over vroeger spreken. ‘Het verleden is dood,’ zei hij altijd.’

Er viel een lange stilte. Het was de jonge Vledder die het zwijgen verbrak.

‘En hebt u het al gedaan?’ vroeg hij.

‘Wat?’

‘Zijn familie gewaarschuwd.’

Er kwam een treurige blik in de ogen van de man. ‘Ik ben er geweest.’

‘Waar?’

‘Zijn huis in Blaricum… aan de Schapendrift. De Baron was rijk… wist u dat? Een mooi huis… een villa… met een tuin. Maar er was niemand. Alles was dicht. Er zaten blinden voor de ramen. Ik heb er wat rondgekeken. De tuin was verwaarloosd en er groeide onkruid tussen de tegels van het terras.’ Hij zweeg even. ‘Ik had mij er eerst niet mee willen bemoeien. Het is tenslotte altijd gevaarlijk. Ik had het aan de familie willen overlaten. Maar ik denk dat de Baron geen familie meer heeft.’ Hij keek naar de grijze speurder op. ‘Daarom ben ik naar u gaan zoeken.’ De Cock schoof zijn onderlip vooruit. ‘Om mij te zeggen dat het moord was.’

Grote Pier staarde langs hem heen in het niets. ‘Ze kregen hem te pakken.’

‘Wie?’

De man weifelde even, slikte iets weg. ‘De dealers.’

Загрузка...