7

Achter zijn eigen bureau had Vledder het gesprek tussen De Cock en zijn bezoekster gevolgd. Toen de vrouw het vertrek had verlaten, liep Vledder naar het bureau van zijn oudere collega. ‘Wat ben je nou aan het doen?’

De Cock keek hem onverstoord aan. ‘Onderzoeken wie het slachtoffer is,’ zei hij kalm. ‘Dat is gebruikelijk bij een moord.’ De jonge Vledder gebaarde heftig. Het zoete sarcasme van De Cock ontging hem.

‘Maar dat weten we toch al!’ zei hij ‘Archibald van Maanenfeldt. Zonder twijfel. Zijn papieren wijzen het uit en hij is door nicht Abigail herkend.’

De Cock knikte traag. ‘Zijn papieren wijzen het uit,’ herhaalde hij, ‘en hij is door nicht Abigail herkend.’

Vledder stak zijn kin vooruit. ‘En door die zakenrelatie.’ De Cock keek verrast op. ‘Zakenrelatie?’

Vledder knikte. ‘Een heer Verpoorten. Ik heb hem als tweede getuige genomen.’

‘Wie is Verpoorten?’

‘Een makelaar, een al wat oudere man, met wie Van Maanenfeldt zo’n twintig jaar geleden in Utrecht in onroerende goederen handelde. Dat was nog voor de zwerver in oom Archibald ontwaakte.’

‘Hoe kwam je aan die man?’

Vledder glimlachte. ‘Via tante Aleida. Ik had haar eerst als tweede getuige willen nemen, maar dat leek mij in verband met de erfenisaffaire niet zo veilig. Daarom vroeg ik haar of zij een niet-familielid wist, door wie het lijk van Van Maanenfeldt zou kunnen worden herkend. Zij verwees mij toen naar die heer Verpoorten.’

‘Dat heb je mij niet verteld.’

Vledder stoof op. ‘Waarom zou ik? De wet vraagt om herkenning door twee personen. Dat moet voor jou toch geen geheim zijn?’ Het klonk sarcastisch. ‘Bovendien is de identiteit van de dode man nooit onderwerp van twijfel geweest. Ik begrijp ook niet wat je tegen die vrouw stond te bazelen.’

De Cock reageerde scherp. ‘Ik bazelde niet. Het was háár portret. Louise, negentien jaar, achter op het fotootje, sloeg op haar. Louise de Graaf, de eerste vrouw van de toneelspeler Ferdinand Ferkades, alias de Baron, de man die in het café van Smalle Lowietje voor twee pilsjes hele stukken uit de Gijsbrecht declameerde.’

Vledder wuifde afwerend. ‘Dat bewijst niets. Wie zegt mij dat Van Maanenfeldt geen strofen uit de Gijsbrecht kende. Hij zal in zijn jonge jaren een gedegen opvoeding heben gehad. De Cock snoof. ‘Compleet met Joost van den Vondel.’ Vledder knikte met een verbeten gezicht. ‘Precies,’ brieste hij, ‘Joost van den Vondel. Zelfs ik heb op school nog de Wildsangh geleerd en voorgedragen.’ De jonge rechercheur pauzeerde even, ademde diep. ‘Je was verrekte voorbarig met je conclusies. Uiteindelijk is jouw hele theorie gebaseerd op dat ene fotootje.’ ‘En het verschil in karakters.’

Vledder keek hem verbaasd aan. ‘Karakters?’

De Cock knikte. ‘De Baron was een vriendelijke, innemende man, van wie slechts positieve dingen zijn gezegd. Alle mensen met wie wij over hem hebben gesproken — Jopie Stuff, moeder Brouwer, Grote Pier — laten zich waarderend over hem uit. Van Maanenfeldt daarentegen was een zonderling. Ik heb geen goed woord over hem gehoord… noch van tante Aleida, noch van neef Archibald. Integendeel, hij was een theorieën strooiende zwetser die, terwijl hij bulkte van het geld, zijn eigen vrouw in een oud verwaarloosd huis liet verkommeren.’

Vledder schudde vertwijfeld zijn hoofd. ‘Je weet hoe subjectief getuigen zijn. Het is maar net hoe je tegen zo’n man aankijkt, welke ervaringen je met hem hebt gehad. We moeten ons aan de feiten houden, papieren en herkenningen, die stempelen de dode tot Van Maanenfeldt.’

De Cock schoof zijn onderlip vooruit. ‘Ik hecht meer waarde aan een oud vergeeld portretje, uit gevoelsoverwegingen bewaard, dan aan een dikke portefeuille vol officiële papieren.’ Vledder boog zich naar hem toe. ‘Je bent een sentimentele oude dwaas.’

De Cock keek naar hem op. ‘Dat,’ zei hij gelaten, ‘heb je mij meer verweten.’

De jonge rechercheur trok een stoel bij en ging naast hem zitten. ‘Luister De Cock,’ zei hij vriendelijk, geduldig. ‘Als de dode man aan de kerkmuur niet Van Maanenfeldt is, dan kunnen we het hele onderzoek wel van voren af aan beginnen. Voor de moord op Archibald van Maanenfeldt waren redelijke motieven denkbaar. Hij was miljonair, met gretig azende erven als mogelijke verdachten. Daar zat echt wel muziek in.’ Hij gebaarde met gespreide armen. ‘Wat heeft het voor zin een oude verlopen en straatarme toneelspeler om te brengen?’

De Cock knikte hem bemoedigend toe. ‘Een verstandige vraag.’ Vledder keek hem aan, verward, zijn hoofd een beetje scheef. ‘Jij gelooft echt dat de dode man aan de kerkmuur Ferdinand Ferkades was?’

De Cock staarde nadenkend voor zich uit. ‘Ik geloof,’ zei hij weifelend, ‘dat wij die mogelijkheid niet mogen uitsluiten.’ Vledder slikte. ‘Als jij gelijk hebt, waar is dan Van Maanenfeldt?’ De Cock stond op en slenterde naar de kapstok. Om zijn volle lippen danste een scheve glimlach.

‘We zullen het nicht Abigail gaan vragen.’

‘Waar is oom Archibald?’

Abigail keek de grijze speurder verwonderd aan. ‘Ik… ik begrijp u niet!’

De Cock glimlachte beminnelijk. ‘Waar is oom Archibald?’ herhaalde hij vriendelijk.

Het gezicht van de jonge vrouw verstarde. ‘Een onbehoorlijke vraag… vindt u niet? Voor zover ik weet is oom Archibald nooit erg godsdienstig geweest. Hij ging nooit naar een kerk. Het lijkt mij wat moeilijk om over zijn zielenheil te discussiëren.’ De Cock plukte aan zijn onderlip. ‘Het is ook niet aan ons om te oordelen,’ sprak hij plechtig. ‘Gelukkig niet. Het lijkt mij ook nog wat voorbarig.’

‘U bedoelt?’

De Cock reageerde niet direct. Hij vroeg zich af of nicht Abigail zijn vraag met opzet verkeerd had geïnterpreteerd. Welk spel speelde zij? Hij glimlachte voor zich uit, vrolijk, ontspannen. Dacht ze werkelijk dat hij, De Cock, geïnteresseerd was in het zielenheil van oom Archibald?

‘Hield u van uw oom?’

Ze schudde heftig haar hoofd. Het blonde haar waaierde uit. ‘Hij was een nare man,’ zei ze beslist. ‘Toen ik nog kind was, zat hij mij altijd achterna met spinnen en dode muizen. Hij wist dat ik er doodsbang voor was.’ Ze pauzeerde even, ademde diep. ‘Het is al lang geleden, maar soms heb ik er nog nachtmerries van.’ De Cock knikte begrijpend. ‘U was niet graag in Blaricum?’ Ze trok wat onwillig haar schouders op. ‘Moeder wilde altijd dat ik er in de vakanties ging logeren. En tante Heleentje was wel een lief mens. Ze beschermde me zoveel mogelijk. Maar tegen de plagerijen van oom Archibald was ze niet opgewassen. Hij had gewoon duivelse streken.’

‘Duivels?’

Ze beet op haar onderlip. ‘’s Nachts ging hij uit spoken. Zomaar… om ons aan het schrikken te maken. Ik ben eens uit angst in mijn nachtpon de hei opgerend.’

‘En toch wilde uw moeder dat u ging?’

Er gleed een trieste glimlach over haar gezicht. ‘Moeder wilde dat ik in hun testament zou komen. “Zij hebben geen kinderen. En als er iemand recht op zijn geld heeft, ben jij het,” zei ze altijd.’

‘Is dat zo?’

Haar blik dwaalde weg. ‘Moeder zei het.’

De Cock veinsde verwondering. ‘Neef Archibald heeft toch net zoveel rechten?’

‘Dat zal wel.’

‘Hebt u hem wel eens ontmoet?’

‘Eén keer. Een halfjaar geleden. Op de begrafenis van tante Heleentje.’

‘Kwam hij nooit in Blaricum logeren?’

Ze schudde haar hoofd. ‘Hij mocht niet.’

‘Van wie niet?’

‘Oom Archibald. “Ik wil die idiote familie van jou niet in huis hebben.” Dat heb ik hem wel eens horen zeggen.’

De Cock knikte voor zich uit. ‘Dat zei hij tegen tante Heleentje.’ ‘Ja. Ze hadden daar vaak ruzie over.’

De grijze speurder streek langs zijn kin. ‘Wie stuurde u naar de recherche om te zeggen dat de dode aan de Zuiderkerk oom Archibald was?’

Ze zuchtte diep. ‘Moeder. Ze had het krantenberichtje gelezen en liet het mij zien. “Ga eens informeren. Het is vast oom Archibald,” zei ze.’

‘En?’

Ze keek naar hem op. ‘U bedoelt?’ vroeg ze niet-begrijpend. ‘Vond u hem veel veranderd?’ Ze sloeg haar ogen neer, likte haar droge lippen.

‘Ik… eh, ik vond het griezelig. Ik had nog nooit een dood mens gezien. Ik was bang… durfde niet goed te kijken.’

De Cock boog zich naar haar toe. ‘U hebt hem dus níét herkend,’ zei hij streng.

Ze sprong op, veranderde plotseling van houding, van toon. Haar gezicht kleurde rood. Ze staarde de rechercheur met grote, angstige ogen aan. ‘Ja!’ Ze gilde. ‘Ik heb hem herkend. Ja! Het was oom Archibald!’

Toen de zware deur achter hen was dichtgevallen liepen ze langzaam over het ’s Gravenhekje naar de Prins Hendrikkade. Vledder voorop, nors, de lippen stijf opeengeklemd. De Cock volgde, slenterend, een peinzende uitdrukking op zijn gezicht. De oude speurder voelde zich niet prettig. Het onderzoek verliep niet zoals hij wilde. Ook het gesprek met nicht Abigail had hem niet bevredigd. Had ze de dode inderdaad als haar oom herkend? Of had ze gelogen? Maar waarom? Wat had het voor zin? Waarom zou ze van een volkomen onbekende man zeggen dat hij haar oom was… een man die bovendien later bleek vermoord te zijn? Een sterk gevoel van onbehagen overviel hem, knaagde aan zijn gemoed. Het oude vergeelde portretje zat hem dwars. Louise, negentien jaar. Was hij inderdaad een sentimentele oude dwaas? Hij keek naar Vledder, die was blijven staan. ‘We moesten die Verpoorten nog maar eens benaderen.’ Vledder schudde zijn hoofd. ‘Hij is een betrouwbaar man. Ik heb uitvoerig naar hem geïnformeerd.’

De Cock knikte. ‘Maar hij had Van Maanenfeldt in meer dan twintig jaar niet gezien.’

Vledder keek hem aan. ‘Wil je suggereren dat ik de herkenning niet goed heb geleid? Dat ik mij zand in mijn ogen heb laten strooien?’

De Cock legde vertrouwelijk een hand op de schouder van zijn jonge collega en schudde zijn hoofd. ‘Je weet wel beter. Ik wil alleen zeggen dat nicht Abigail en de heer Verpoorten zich mogelijk hebben vergist… niet goed naar de dode hebben gekeken. Er hoeft van opzet geen sprake te zijn. Misschien wel van een kleine predispositie.’

‘Een wat?’

De Cock grinnikte. ‘Een predispositie. Subtiele beïnvloeding…’ Vledder keek hem verrast aan. ‘Je bedoelt dat iemand gesuggereerd heeft dat ze een dode Van Maanenfeldt zouden zien en toen zagen ze ook een dode Van Maanenfeldt?’

‘Zoiets… ja.’

‘Hypnose?’

De Cock plooide zijn lippen in een tuitje. ‘Zo zou ik het niet willen noemen. Er zijn ook wel andere middelen om iemand een verwachtingsbeeld op te dringen.’

Plotseling stokte hij, volgde met strakke blik een auto, die met een scherpe bocht vanaf de Prins Hendrikkade het ’s Gravenhekje opreed. Het was een lage Citroën met een ronde platte neus. Voor nummer 37 bleef hij staan.

Het linkerportier zwaaide open en een man stapte uit. ‘Raymond Verbruggen,’ lispelde Vledder.

De Cock knikte traag. ‘In een groene DS 2l.’

‘Martha van der Nooy.’

De Cock keek verstrooid op. ‘Wie is dat?’

Vledder tikte op zijn aantekeningen. ‘Ze werd in de late avond van de zeventiende november van het vorige jaar met ernstig hoofdletsel in bewusteloze toestand gevonden op een eenzame landweg bij Eemnes. Haar fiets lag een tiental meters verder verkreukeld in een sloot. Zonder bij kennis te zijn gekomen, stierf ze in een ambulancewagen, die in een razende vaart op weg was naar een ziekenhuis in Hilversum.’

‘De trouwe dienstmaagd van tante Heleentje.’

Vledder knikte. ‘Volgens het politierapport was ze die avond in Eemnes op bezoek geweest bij een oude vriendin. Dat deed ze iedere donderdag. Het ongeluk gebeurde toen ze op de terugweg was naar Blaricum, waar ze samen met haar invalide zuster in een oud boerderijtje woonde.’

‘Geen sporen van misdrijf?’

Vledder raadpleegde zijn aantekeningen. ‘De fiets werd door deskundigen van het gerechtelijk laboratorium in Den Haag onderzocht. Er waren sporen van een aanrijding door een groene wagen. Aan het achterspatbord en op de rand van de bagagedrager werden partikeltjes groene lak gevonden.’

‘Ze werd dus van achteren aangereden.’

‘Ja, duidelijk, door een achteropkomende wagen. Kennelijk met opzet. Er waren geen remsporen.’

‘Ook verderop niet? Ik bedoel, de wagen is na de aanrijding niet gestopt?’

‘Nee.’

De Cock plukte aan zijn onderlip. ‘En verder?’

‘Verder niets. Er is een telexbericht uitgegaan met een verzoek tot aanhouding van de bestuurder van een groene auto met beschadigingen aan de rechtervoorzijde.’ Vledder maakte een hulpeloos gebaar. ‘Het was allemaal wat vaag en het leverde ook niets op. Martha van der Nooy werd drie dagen later in Blaricum begraven en de dominee hield een toespraak, waarin hij haar grote trouw en hulpvaardigheid prees. Martha… Martha… Gij zijt bekommerd en verontrust u over vele dingen…’ De Cock keek zijn jonge collega verbaasd aan. ‘Staat dat in het politierapport?’

Vledder schudde lachend zijn hoofd. ‘In het Nieuwe Testament, Lucas 10 vers 4 volgens de Blaricumse politieman die het ongeval destijds behandelde. Hij is blijkbaar een zeer godsdienstig man. De bijbeltekst had hij onthouden. Martha van der Nooy kende hij al vele jaren. Zij behoorden tot hetzelfde kerkgenootschap. De toespraak van de dominee vond hij bijzonder toepasselijk.’ De Cock staarde voor zich uit. ‘Ontdaan van alle franje… neef Archibald had gelijk… het was moord.’

Vledder ging verder. ‘De politie in Blaricum denkt aan een onervaren of een dronken chauffeur. Moord lag niet voor de hand. Martha van der Nooy had geen vijanden. Integendeel, ze was zeer geliefd.’

De Cock knikte begrijpend. ‘Waar is die invalide zuster?’ Vledder trok een droef gezicht. ‘Het oude boerderijtje is voor een appel en een ei verkocht. Die zuster is opgenomen in een verzorgingshuis.’

‘Waar?’

‘In Bussum.’

‘Heb je het adres?’

Vledder trok zijn schouders op. ‘Nee… waarom?’

‘Zoek het op. Invalide mensen hebben vaak veel tijd om na te denken.’

De telefoon op het bureau rinkelde. Vledder nam de hoorn op en luisterde. Al na een paar seconden legde hij de hoorn op het toestel terug en keek naar De Cock. Zijn gezicht stond ernstig. ‘De commissaris wil je spreken.’

De Cock kwam moeizaam overeind, maakte een grimas en slenterde de kamer uit.

Rechercheur De Cock ging zonder kloppen binnen. Met de deur nog in zijn hand bleef hij staan, verrast. Bij het raam, in een stalen feuteuil, zat Aleida van Maanenfeldt. Ze droeg een marineblauw mantelpakje en een wat tulbandachtige hoed. Haar donkere ogen schitterden achter het gaas van haar voile. De commissaris zat schuin naast haar. Zijn gezicht zag rood, verhit. Hij wiste met een zakdoek het zweet van zijn voorhoofd. De Cock grinnikte zachtjes. Aan zijn komst was kennelijk een heftig debat voorafgegaan.

De grijze speurder deed de deur zachtjes achter zich dicht en liep de kamer in. De commissaris wuifde naar een lege fauteuil.

‘Ga zitten, De Cock,’ sprak hij geaffecteerd. ‘Ik moet eens ernstig met je praten. Mijn laatste waarschuwing schijn je niet ter harte te hebben genomen.’ Hij wenkte opzij. ‘Mevrouw Van Maanenfeldt is opnieuw met klachten bij mij gekomen. Ze acht jouw optreden ten opzichte van haar dochter onbehoorlijk en ontoelaatbaar.’ De Cock plukte aan zijn neus. ‘Moord is een onbehoorlijke en ontoelaatbare zaak.’

De commissaris kneep zijn dunne lippen op elkaar. ‘Zeker, maar dat geeft jou nog niet het recht om de betrokkenen op een onfatsoenlijke manier te benaderen.’

Mevrouw Van Maanenfeldt boog zich naar voren. ‘We zijn niet betrokken,’ verbeterde ze scherp. ‘We hebben met de ongelukkige dood van Archibald niets te maken. Uw rechercheur tast duidelijk in de verkeerde richting. Hij moet speuren in het milieu waarin Archie de laatste tijd vertoefde… zwervers, verslaafden, outlaws.’ Ze verschoof in haar fauteuil en schudde haar hoofd. ‘We hebben er niets op tegen dat ons op een fatsoenlijke manier redelijke vragen worden gesteld, maar wij wensen niet zonder enige grond beschuldigd te worden.’

De Cock veinsde onbegrip. ‘Doe ik dat?’

Mevrouw Van Maanenfeldt schoof haar voile omhoog. Haar donkere ogen flikkerden kwaadaardig. Ze stak haar rechterwijsvinger vermanend op.

‘Ik verbied u mijn dochter in het vervolg zonder mijn bijzijn te verhoren.’ Ze sprak fel, geëmotioneerd. ‘Ik heb haar de uitdrukkelijke opdracht gegeven geen vragen meer van u te beantwoorden.’ Ze pauzeerde even. ‘En mocht u zich weer bij haar huis aan het ’s Gravenhekje vervoegen, zorg dan voorzien te zijn van een deugdelijke last tot binnentreden. Ik heb Abigail gezegd u anders niet meer toe te laten.’

De Cock keek haar aan. ‘Waarom? Hebt u iets te verbergen?’ Mevrouw Van Maanenfeldt slikte. Haar donkere huid kleurde rood.

‘Wij stellen uw bezoeken niet op prijs. Wij wensen bovendien van uw insinuaties verschoond te blijven. Mijn dochter Abigail is een lief en zachtaardig kind… te lief en te zachtaardig om door uw botte verhoormethoden te worden… worden…’ De Cock glimlachte. ‘Beschadigd,’ vulde hij aan.

Ze knikte heftig. ‘Juist! Beschadigd!’

De Cock wreef over zijn gezicht. ‘Is Abigail uw enig kind?’ ‘Ja.’

‘Hebt ú haar de naam Abigail gegeven? Het is me opgevallen dat de naam verder in uw familie niet voorkomt. U weet wat Abigail betekent?’

‘Dat weet ik… ja.’

De Cock wenkte opzij. ‘Wilt u het de commissaris vertellen. Hij kent de betekenis vermoedelijk niet.’

Mevrouw Van Maanenfeldt aarzelde. Ze plukte nerveus aan de kraag van haar blouse. Haar arrogante houding verdween, haar zekerheid ebde weg.

‘Abigail betekent… de vreugde van de vader.’ Haar stem klonk zacht.

De Cock knikte instemmend. ‘De vreugde van de vader,’ herhaalde hij peinzend. ‘Abigail werd precies tweehonderdnegentig dagen na het sterven van uw man geboren. Volgens mijn inlichtingen was uw echtgenoot, Adriaan van Maanenfeldt de maanden vóór zijn dood zo ernstig ziek, dat van een… eh… geslachtsdaad geen sprake kon zijn.’ De rechercheur weifelde even, boog zich toen naar voren. ‘Mevrouw Van Maanenfeldt, Abigail, de vreugde van wélke vader was zij?’

De vrouw staarde hem met verschrikte ogen aan. Het bloed trok uit haar gezicht. Haar blik dwaalde weg. Plotseling zakte ze achteruit, plofte tegen de rug van de fauteuil. Haar handen gleden uit haar schoot en de tulband schoof scheef op haar hoofd.

De Cock stond langzaam op en keek onbewogen op haar neer. De commissaris stormde naar het fonteintje. Met een glas water in de hand keek hij vernietigend naar De Cock.

‘Eruit!’ brieste hij.

De Cock ging.

Vledder keek De Cock verwonderd aan. ‘Tweehonderdnegentig? Dat is toch veel te lang? Volgens mijn weten duurt een normale zwangerschap maar tweehonderdtachtig dagen.’ De Cock knikte bedaard. ‘Negen maanden. De wet houdt zich echter aan een termijn van driehonderd dagen. Volgens ons Burgerlijk Wetboek geldt een kind, dat binnen driehonderd dagen na het ontbinden van een huwelijk — door dood of echtscheiding — wordt geboren, als zijnde nog staande het huwelijk verwekt. Het was dus volkomen legaal dat Abigail de naam Van Maanenfeldt kreeg. Toch had ik bij het bestuderen van de stamboom onmiddellijk het gevoel dat er met de afstamming van nicht Abigail iets aan de hand was.’

‘Waarom?’

‘Wel, ten eerste die tweehonderdnegentig dagen. Dat was lang, zoals je terecht opmerkte. Bovendien is Adriaan van Maanenfeldt aan blaaskanker gestorven en heeft hij de laatste weken voor zijn dood vrijwel voortdurend in coma gelegen.’ ‘Hij kon de verwekker niet zijn.’

De Cock schudde zijn hoofd. ‘De vraag drong zich aan me op: Wie geeft een kind, dat kennelijk niet door de wettige echtgenoot is verwekt, de naam Abigail… vreugde van de vader?’ Vledder glimlachte. ‘Gezien de omstandigheden is het inderdaad een vreemde naam. Zou ze erbij hebben nagedacht? Misschien vond ze de naam alleen maar mooi.’

De Cock gebaarde heftig. ‘Natuurlijk heeft ze erbij nagedacht. Ze kende de betekenis. Het was pure opzet.’

‘Om de echte… ik bedoel, de natuurlijke vader te treffen?’ De Cock knikte traag. ‘Om hem er voortdurend aan te herinneren dat hij de vader was.’ Hij kauwde nadenkend op zijn onderlip. ‘Zie je,’ zei hij bedachtzaam, ‘er was in ons laatste gesprek met nicht Abigail iets dat mij bijzonder trof. Ze vertelde dat haar moeder steeds wilde, dat zij naar Blaricum ging. Als iemand recht op zijn geld heeft, ben jij het.’

Vledder keek hem aan en slikte. ‘Je wilt zeggen…?’ De Cock staarde langs hem heen.

‘Archibald is… was de vader van Abigail.’

Загрузка...