10

Met een ruk kwam Vledder uit zijn stoel overeind. Verbijsterd keek hij zijn oudere collega aan.

‘Je liet hem gaan,’ stamelde hij onthutst. ‘Je liet hem gaan.’ De Cock veinsde verbazing. ‘Wie?’

De jonge rechercheur strekte in een wild gebaar zijn rechterhand naar de deur van de recherchekamer.

‘Die Alex van Waardenburg.’

De grijze speurder maakte een verontschuldigend gebaartje. ‘Wat had ik dan moeten doen? Hem arresteren? Op basis waarvan?’‘Moord.’

De Cock trok zijn neus iets op.

‘Sinds wanneer hanteer jij een ander Wetboek van Strafvordering?’

Het klonk sarcastisch.

Vledder balde zijn linkerhand tot een vuist en hield die trillend omhoog.

‘Heb je dat dan niet gezien?’

‘Wat?’

‘Die tatoeage op de rug van zijn linkerhand.’

De Cock knikte bedaard.

‘In blauw en rood,’ sprak hij simpel, ‘een bundel pijlen in een klauw.’

‘Je zag het dus wel?’

‘Zeker.’

Vledder grinnikte vreugdeloos.

‘Maar zo’n man zoek je toch?’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Alex van Waardenburg was niet onze mysterieuze lifter van de vluchtstrook.’

Het gezicht van Vledder betrok.

‘Hij was het niet?’

De Cock schudde opnieuw zijn hoofd. ‘Dat was een ander type, slanker, taniger, atletischer. Geen militair, zoals Alex van Waardenburg, met een stramme strakke pas, maar een man met de sluipende gang van een roofdier.’

‘Maar hij had dezelfde tatoeage.’

‘Inderdaad.’

‘Toeval?’

De Cock antwoordde niet direct. Hij liet zijn hoofd zakken en dacht na over het moment dat Alex van Waardenburg even met beide handen op de rand van zijn bureau leunde. Langzaam keek hij op. ‘Weet je, Dick,’ sprak hij zacht, peinzend, ‘hij wilde het… hij wilde per se dat ik die vreemde tatoeage op zijn hand zag. De manier waarop hij zijn handen voor mij op het bureau legde, pal onder mijn ogen, was ongewoon en te nadrukkelijk.’ Hij ademde diep. ‘Daarom heb ik ook niet gereageerd.’‘Hoe bedoel je?’

De Cock strekte de wijsvinger van zijn rechterhand en stak die gebarend naar voren. ‘Ik had aan Alex van Waardenburg kunnen vragen wat die vreemde tatoeage op de rug van zijn hand betekende… waar hij die had laten aanbrengen… of hij nog andere mannen kende met eenzelfde tatoeage. Maar iets zei mij dat niet te doen.’ Hij glimlachte. ‘En ik ben dat innerlijke stemmetje dankbaar.’

‘Waarom?’

De Cock grinnikte.

‘Omdat het snode plannetje van Alex van Waardenburg nu niet doorging.’

Vledder keek hem niet-begrijpend aan.

‘Wat voor plannetje?’

De grijze speurder stak opnieuw zijn wijsvinger omhoog en hield die voor het puntje van zijn neus.

‘Door het zo nadrukkelijk tonen van de tatoeage op de rug van zijn linkerhand drong hij als het ware een aantal vragen bij mij op. Als ik die had gesteld… zoals hij ongetwijfeld van mij verwachtte… dan had hij daaruit zijn conclusies kunnen trekken.’ De Cock liet zich terugvallen in zijn stoel en trok zijn gezicht strak. Met zijn vlakke hand klapte hij ritmisch op het blad van zijn bureau.

‘Alex van Waardenburg wilde van mij weten of ik die afbeelding… die bundel pijlen in een klauw… al kende… met andere woorden… hij wilde van mij ervaren of iemand de tatoeage op de hand van de moordenaar had opgemerkt.’

Vledder staarde hem met grote ogen aan.

‘Maar dat betekent,’ sprak hij hees, ‘dat…’

De Cock vulde hem hoofdknikkend aan.

‘Dat Alex van Waardenburg de moordenaar kent.’


Vledder manoeuvreerde de oude Volkswagen met een haast speels gemak door het woelige stadsverkeer. Het was opnieuw gaan regenen. De felle kleuren van de lichtreclames spiegelden in het natte asfalt van het Damrak. De Cock liet zich onderuitzakken en schoof zijn vilten hoedje tot over zijn ogen. Hij knorde vergenoegd.

‘Je kunt het Slotervaart Ziekenhuis wel vinden?’

De jonge rechercheur knikte.

‘Aan het einde van de Aletta Jacobslaan. Als ik bij Sloterdijk de ringweg te pakken heb, zijn we er in een paar minuten.’ Hij blikte opzij. ‘Je weet zeker dat we haar mogen bezoeken?’ De Cock schoof zijn hoedje iets terug.

‘Alleen niet als rechercheurs van politie.’

‘Wat?’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘De behandelende geneesheer wilde dat niet… nog niet. Tegen familie had hij geen bezwaar.’ Hij grinnikte vrolijk. ‘Dus ben ik oom Jurrian en jij Dick, een belangstellende neef.’‘En haar vader?’

‘Die komt vanavond niet. Toen jij vanmiddag naar de sectie was, heb ik hem opgebeld. Hij had tegen de maskerade geen bezwaar.’ Een tijdje reden ze zwijgend voort. De uitlaat van de motor was doorgeroest. Het tetterende geluid onder de carrosserie hinderde de grijze speurder in bijzondere mate. Het stoorde het fijne raderwerk van zijn denken. Maar hij liet geen klacht horen. Hij had zich er al jaren mee verzoend dat het wagenpark van de politie gebrekkig werd onderhouden. Voor reparaties… geen tijd en geen geld. Het was Vledder, die het zwijgen verbrak. ‘Toch is onze conclusie wat voorbarig.’

Het klonk als het resultaat van diep gepeins.

‘Welke conclusie?’

‘Dat Alex van Waardenburg de moordenaar kent.’

De Cock drukte zich wat omhoog.

‘Hoezo?’

‘Alex van Waardenburg behoeft de moordenaar niet te kennen… niet in persoon, bedoel ik. Het is ook mogelijk dat hij alleen maar weet dat de moordenaar op de rug van een van zijn handen dezelfde tatoeage heeft als hij… een bundel pijlen in een klauw.’

De Cock trok een grimas.

‘Hoe… hoe weet hij dat? Wie heeft hem dat verteld? Is het een wetenschap uit eigen waarneming? Heeft hij de moord zien plegen?’ Vledder trok wrevelig zijn schouders op.

‘Zoveel vragen? Ik weet niet hoe hij dat weet… daar heb ik geen idee van.’

De Cock draaide zich half naar hem toe.

‘Je vergeet dat er nog een link is tussen Alex van Waardenburg en de moordenaar.’

Vledder trok zijn wenkbrauwen samen.

‘Nog een link?’

In zijn stem trilde onbegrip.

De Cock knikte.

‘Een dode Mareille van Luxwoude.’


Vledder plaatste de Volkswagen op een grote parkeerplaats schuin naast het ziekenhuis. De beide rechercheurs stapten uit en slenterden door de regen over het brede toegangspad naar de ingang. De Cock blikte opzij.

‘Heb je de foto’s meegenomen?’

De jonge rechercheur knikte.

‘Vind je het nog nodig?’

‘Wat?’

‘Om ze aan Sandra Verloop te laten zien. Het is misschien een schok voor haar. Foto’s van een dode zijn nooit prettig om naar te kijken. Bovendien weten we vrijwel zeker, dat de vrouw die zij in de wagen op de vluchtstrook zag, Mareille van Luxwoude was.’ De Cock trok de kraag van zijn regenjas iets op.

‘Dat is theorie,’ bromde hij. ‘Een theorie, die alleen wordt bevestigd door het feit dat de politie in Hilversum de lichtblauwe metallic Mercedes op het parkeerterrein bij de AVRO-studio heeft teruggevonden. Met een handige advocaat blijf je met zo’n theorie bij een mogelijke terechtzitting nergens. De verdediging veegt hem zo van tafel.’

Vledder trok wat onwillig zijn schouders op.

‘Oké, dan laat ik ze zien.’

De Cock hield zijn pas in.

‘Heb je overigens het kenteken van die lichtblauwe Mercedes al eens opgevraagd?’

‘Nee.’

‘En van die Volvo?’

‘Ook niet.’

‘Dan mag je dat wel eens doen. Het interesseert mij machtig van wie die wagens zijn.’

De jonge rechercheur sputterde.

‘Die Volvo stond als gestolen geregistreerd.’

‘En die Mercedes?’

Met een mokkende Vledder in zijn kielzog sjokte De Cock door de ruime hal naar de liften. In gezelschap van een reeks andere bezoekers stegen ze naar de zevende etage. Daar namen ze hun natte regenkleding over de arm en gingen op zoek naar de juiste kamer. Sandra Verloop lag er witjes bij, in een bed dat veel te groot leek. Om haar lippen danste een zoete glimlach toen ze de grijze rechercheur in het oog kreeg. Blij stak ze hem haar hand toe. ‘Ik had u al veel eerder verwacht.’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘De behandelende arts stond niet toe dat jij door rechercheurs werd verhoord.’ Hij duimde opzij. ‘Dat is mijn collega Vledder.’ Hij keek quasi spiedend om zich heen. ‘Wij zijn hier dan ook incognito. Collega Vledder is jouw dierbare neef Dick en ik ben je lieve oom.’

Sandra Verloop lachte.

‘Ze zijn hier gek. Ik mankeer niets.’

De Cock negeerde haar opmerking. Hij pakte een stoel onder het grote bed vandaan en ging naast haar zitten. ‘Hoe voel je je?’ vroeg hij bezorgd.

‘Best. Ik zei toch, ik mankeer niets. Volgens mij lig ik hier voor tjoema.’

De Cock lachte om het woord.

‘Wanneer mag je naar huis?’

Sandra Verloop wees naar een kalender aan de muur. ‘Over twee dagen.’ Ze drukte zich omhoog en verschoof iets aan haar kussen. ‘Is die man nog bij u geweest?’

‘Welke man?’

‘Die mij hier heeft gebracht.’

‘Die taxichauffeur?’

Sandra Verloop keek de oude rechercheur verbaasd aan. ‘Taxichauffeur?’

De Cock knikte.

‘Simon Janszen met es-zet.’

‘Is hij taxichauffeur?’

‘Dat… eh, dat beweert hij. En hij zag er ook als een taxichauffeur uit… compleet met een pet… een fraaie schipperspet met een stoffen klep.’

Sandra Verloop trok een bedenkelijk gezicht.

‘Hij reed niet in een taxi.’

De Cock trok zijn wenkbrauwen op.

‘Dat weet je zeker?’

Sandra Verloop knikte heftig. Er kwam ook wat kleur op haar wangen. ‘Ik weet toch hoe een Amsterdamse taxi er van binnen uitziet… met een meter.’ Ze keek toornig naar De Cock op. ‘En vraag mij niet steeds of ik iets zeker weet. Als ik iets zie, dan zie ik het goed.’ Ze hield haar hoofd iets schuin en veranderde van toon. ‘Weet u al wie die vrouw is?’

De Cock wenkte Vledder naderbij. Toen de jonge rechercheur de foto’s van de dode Mareille van Luxwoude had laten zien, knikte Sandra traag. Haar tong gleed langs haar lippen. ‘Dat… eh, dat is ze.’ Ze knikte nog eens. Nadrukkelijker. ‘Ja, dat is ze.’

Vledder borg de foto’s weer in de binnenzak van zijn colbert. ‘En die man,’ vroeg hij, ‘die jou op het Stationsplein neersloeg… was de man die jullie vanaf de vluchtstrook een lift gaven naar Amsterdam?’

Sandra Verloop keek naar De Cock.

‘Dat bericht heb ik u toch doorgespeeld? De man die mij hier bracht, heeft mij beloofd dat hij contact met u zou opnemen.’ De grijze speurder glimlachte geruststellend.

‘Dat deed hij ook. Dezelfde avond nog kwam hij naar de Warmoesstraat.’ Hij boog zich iets dichter naar haar toe. ‘Hoe kwam het zo… hoe kwam je met onze vreemde lifter in contact?’‘Ik zag hem.’

‘Waar?’

‘Op het Damrak… op het brede trottoir. Ik werk sinds een paar maanden in Amsterdam en was op weg naar huis… naar de trein.’

‘En toen?’

Sandra Verloop schokschouderde. Het was een gebaar van machteloosheid. ‘Ik weet wat u tegen mij hebt gezegd… dat ik gevaar liep. Maar ik kon er niets aan doen. Het was sterker dan ikzelf. Ineens liep ik achter die man aan en riep steeds maar; dat is ’m… dat is ’m… dat is ’m.’ Ze grinnikte nerveus. ‘De mensen om mij heen keken mij wat raar aan.’

‘En die man?’

Sandra Verloop greep met beide handen naar haar hoofd. ‘Niets… hij liep gewoon door… net alsof ik er helemaal niet was… of hij mij niet hoorde. Ik zag ook nergens een politieman… iemand, die mij kon helpen. Toen de man steeds maar doorliep, hoopte ik dat hij het station in zou gaan. Daar zijn vaak luitjes van de spoorwegpolitie. Dan had ik hem kunnen laten pakken.’

De Cock zuchtte.

‘Zover kwam je niet.’

Sandra Verloop schudde haar hoofd. Ze werd rustiger. De emotie ebde weg.

‘Op het Stationsplein, tussen al die mensen, draaide hij zich plotseling om en gaf mij een slag tegen mijn hoofd. Ik stond even te tollen en viel toen op straat. De man boog zich over mij heen. Ik zag even zijn ogen. Toen zei hij…’ Ze stokte. De Cock keek haar gespannen aan.

‘Wat zei hij?’

Sandra Verloop slikte een brok uit haar keel.

‘Ik… eh, ik was het niet.’

Загрузка...