7

Het wolkendek dat de Amsterdamse binnenstad omhulde, hing laag en wikkelde de toppen van de eeuwenoude geveltjes in grijze wollen dekens.

Vanaf het Stationsplein, waar hij uit de tram was gestapt, slenterde De Cock langs het Victoriahotel naar het brede trottoir van het Damrak. Hij trok de kraag van zijn regenjas wat omhoog en drukte zijn vilten hoedje naar voren. Onder de gebogen rand keek hij naar de sombere gezichten die aan hem voorbijgleden. Een trage, miezerige motregen scheen alle blijheid bij de mensen te hebben weggespoeld. Ook de schoongestraalde beurs van Berlage deelde in de malaise en toonde donkere plekken van regen doortrokken muren.

De grijze speurder verkeerde zelf in een puike stemming. Een korte, maar intensieve nachtrust, had zijn geest verkwikt: Even voor het naar bed gaan, had een telefoontje met een vriendelijke verpleegster hem geleerd dat Sandra rustig in slaap was gesukkeld en dat er was te voorzien dat ze spoedig, zonder enig blijvend letsel, het Slotervaart Ziekenhuis zou mogen verlaten. Die mededeling had veel zorgen en spanningen bij hem weggenomen. Bovendien gaf het vinden van de lichtblauwe metallic Mercedes op de parkeerplaats bij de AVRO-studio, zo meende hij, voldoende aanknopingspunten voor een nader onderzoek in de toch wel mysterieuze wurgmoord. Bij de Oudebrugsteeg stak hij te abrupt de rijbaan van het Damrak over, huppelde vrolijk aan een aanstormende tram voorbij, liet ongewild een vrachtwagen schielijk stoppen en bereikte uiteindelijk heelhuids de overkant, waar hij een paar bekende nachthoertjes, op weg naar huis, uitbundig groette.

De Cock had er zin in. Hij sjokte blijmoedig naar zijn geliefde Warmoesstraat, stapte het politiebureau binnen en besteeg voor zijn leeftijd opmerkelijk kwiek de twee trappen naar de recherchekamer. Toen hij binnenstapte zag hij Vledder al ijverig achter zijn nieuwe elektrische schrijfmachine zitten. De vingers van de jonge rechercheur gleden razendsnel over de toetsen. Pas toen De Cock tegenover hem in zijn stoel plofte, keek hij op. ‘Je bent laat.’

De grijze speurder keek op zijn horloge.

‘Het is pas half tien.’

Vledder bromde. ‘Ik heb er al bijna twee uur op zitten.’ Hij pakte zijn notitieblok en wierp dat over de schrijfmachine naar De Cock. ‘Dat is ze.’

‘Wie?’

‘Die vermoorde vrouw.’

De oude rechercheur bekeek de aantekening.

‘Mareille van Luxwoude,’ las hij hardop. Hij schoof zijn onderlip iets vooruit. ‘Een mooie naam.’

Vledder knikte.

‘Ben Kreuger belde mij die naam vanmorgen door. Hij had gisterenavond op het hoofdbureau nog laat aan het tasje gewerkt. Er zaten brieven in en die heeft hij in de jodiumdampen gehangen.’[1]‘Die naam?’

‘Stond op de enveloppen en er was een rijbewijs met die naam.’‘Verder?’

‘Wat bedoel je?’

‘Wat zat er verder in dat tasje?’

Vledder schoof zijn schrijfmachine opzij.

‘Vijftienduizend gulden.’

De Cock reageerde verrast.

‘Vijftienduizend gulden?’ herhaalde hij ongelovig.

De jonge rechercheur knikte.

‘Honderd bankbiljetten van honderd en vijf van duizend gulden.’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Welke vrouw loopt er met vijftienduizend gulden in haar handtasje?’

Vledder grinnikte. ‘Mareille van Luxwoude.’ Het klonk wat schamper.

‘Wat waren het voor brieven die Ben Kreuger heeft bewerkt? Van wie waren ze afkomstig?’

Vledder trok zijn schouders op.

‘Dat weet ik niet. Daar heb ik ook niet naar gevraagd. Kreuger was nogal kortaf.’

‘Wanneer krijgen we dat tasje?’

Vledder wuifde ongeduldig.

‘Zo gauw mogelijk. Dat heeft hij beloofd. Hij zou het handtasje van de vermoorde vrouw vanmorgen nog, compleet met de brieven en het geld, bij ons aan de Warmoesstraat laten bezorgen.’ Hij zweeg even. ‘Ben Kreuger had alvast een teleurstelling voor je.’‘En dat is?’

‘De vingerafdrukken die hij in de Volvo heeft aangetroffen, zijn niet van jouw vreemde lifter.’

De Cock glimlachte.

‘Dat verwachtte ik ook niet.’

Vledder reageerde verrast.

‘Maar je hebt Ben Kreuger wel om een vergelijking van die vingerafdrukken gevraagd.’

‘Dat was gisterenavond… nog kort na het vinden van het lijk. Je mag in ons werk uiteraard niets uitsluiten. Maar het zou niet in mijn theorie hebben gepast.’

‘Welke theorie?’

De Cock gebaarde voor zich uit.

‘Zoals uit het vinden van de lichtblauwe Mercedes al duidelijk blijkt… er zijn meerdere mensen bij deze moord betrokken… mensen met tegengestelde belangen. En misschien ligt hier onze kans.’

‘Verraad?’

De Cock streek met zijn pink over de rug van zijn neus. ‘Mogelijk. Het alarmeren van de rijkspolitie, dat op de vluchtstrook een wagen met een lijk stond, was in feite al een vorm van verraad. De vraag is alleen wie… wie moest door het verraad worden getroffen? En wat is de rol van de verrader?’ Hij maakte een wat wrevelige beweging. ‘We weten nog niets van de achtergronden… van de motieven voor deze moord. We kunnen slechts van één ding overtuigd zijn.’

‘Wel?’

‘Het was geen roofmoord.’


Vledder wees naar de grote klok in de recherchekamer. ‘Ben Kreuger heeft woord gehouden. Het is net tien uur.’ Hij nam het handtasje, keerde het om en stortte de inhoud over zijn bureau uit. De honderd bankbiljetten van honderd gulden en de vijf van duizend gulden waren met een elastiekje samengebonden. Om het stapeltje brieven zat een roze lint. De Cock bracht het stapeltje naar zijn neus. Hij onderscheidde dezelfde zwoele parfumgeur, die in de Volvo als een sluier om de vrouw hing. Omzichtig bekeek hij de achterzijde van de enveloppen. Er was geen afzender. Met een achteloos gebaar wierp hij het pakje brieven op het bureau terug.

‘Je moet ze maar eens doorlezen. Ze zijn niet recent. Volgens mij draagt ze die brieven al jaren in haar handtasje bij zich. Kijk maar naar de hoeken van de enveloppen. Die zijn bijna doorgesleten.’

Vledder pakte een rood lederen mapje met een rijbewijs en bekeek de verdere inhoud. ‘Ze heeft ook nog een auto op haar naam staan.’

‘Wat voor een auto?’

Vledder lachte.

‘Dat zegt je toch niets.’

‘Ik bedoel, geen Mercedes of een Volvo?’

De jonge rechercheur schudde zijn hoofd.

‘Het is een Italiaan… een Fiat Panda.’

De Cock ging weer in de stoel achter zijn bureau zitten. ‘Welke gegevens heb je, alles bijeen?’

‘Van de vrouw?’

‘Ja.’

Vledder trok een lade van zijn bureau open en nam daaruit een map en sloeg die open. ‘Mareille van Luxwoude,’ las hij op een nieuwsdiensttoontje, ‘oud 35 jaar, geen antecedenten… is nog nooit met de politie en/of justitie in aanraking geweest. Volgens de gegevens van de burgerlijke stand is ze in Haarlem geboren en ongehuwd. Blijkens ons telefoonboek is ze modeontwerpster van beroep en woont op het adres Brouwersgracht 112–118 in Amsterdam.’

De Cock fronste zijn wenkbrauwen.

‘Brouwersgracht 112–118… dat zijn toch pakhuizen… pakhuizen van een handel in oliën en vetten?’

Vledder grijnsde.

‘Je loopt achter. Die oude pakhuizen zijn omgetoverd tot riante appartementen.’

‘Duur?’

Vledder gniffelde.

‘Jij en ik kunnen er van ons salaris niet wonen.’

De Cock kneep zijn lippen samen.

‘Mareille van Luxwoude blijkbaar wel.’ Hij zweeg even en wreef zich nadenkend achter in zijn nek. ‘Hoe laat is de gerechtelijke sectie?’

‘Vanmiddag om halfdrie. Dokter Rusteloos kon niet eerder komen. Hij had het druk. Nog een sectie in Den Bosch en een in Utrecht.’

‘Ga jij erheen?’

Vledder glimlachte.

‘Jij mag ook.’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Ik heb in mijn lange rechercheleven al genoeg lijken zien openpeuteren,’ sprak hij knorrig. Hij wees naar de inhoud van het handtasje op het bureau van Vledder. ‘Zijn daar sleutels bij?’ De jonge rechercheur knikte.

‘Een leren hangertje met een autosleutel en een ring met twee sleutels van een cilinderslot.’

‘Geef mij die maar.’

‘Van het cilinderslot?’

De Cock strekte zijn geopende hand naar hem uit.

‘En heb je haar telefoonnummer?’

Vledder raadpleegde zijn map.

‘Zeven-twee-acht-twee-twee-drie-één.’

De Cock borg de sleutels in zijn broekzak, schreef het nummer onder haar naam op de blocnote en greep de telefoon. Vledder keek hem verwonderd aan.

‘Ga je haar bellen?’

‘Ja.’

‘Ze ligt in ons mortuarium.’

Het klonk als een misplaatste grap.

De Cock drukte ongestoord het nummer in. Toen de bel driemaal was overgegaan, werd de hoorn opgenomen. ‘Wie… eh, wie is daar?’ vroeg een stem benepen.

De Cock verbrak de verbinding.

Vledder keek hem gespannen aan.

‘Was er iemand?’

De oude rechercheur knikte met een ernstig gezicht. ‘Een man.’

Vledder liet De Cock op de Brouwersgracht uitstappen en frommelde daarna de oude politiewagen op een benard parkeerplekje bij de Melkmeisjesbrug. Moeizaam wrong hij zijn lichaam door een halfopen portier naar buiten en sloot de wagen af. Via de Herenmarkt met de achterzijde van het zeventiendeeeuwse gebouw van de voormalige West-Indische Compagnie slenterden ze verder de gracht af, staken de rijbaan van de Binnen Brouwersstraat over en bleven staan voor een paar monumentale pakhuizen.

Vledder keek omhoog.

‘Dit moet het zijn.’

De Cock knikte traag. Hij keek naar de brede groene toegangsdeur en monsterde het slot. Hij tastte in zijn broekzak en pakte de ring met de beide sleutels. Een van de sleutels bleek te passen. Via de groene deur bereikten ze een hal met rechts aan de wand een lichtmetalen tableau met drukknoppen en rozetten van spreekgaatjes. De Cock liet zijn blik langs de namen glijden. Mareille van Luxwoude, zo leerde hem het tableau, had een appartement op de eerste etage.

De beide rechercheurs bestegen een brede trap naast het tableau. Boven aan die trap, op een ruim portaal met een palm in een verlichte nis, bleven ze staan. De Cock nam de tweede sleutel en liep op de toegangsdeur van het appartement toe. Vledder stak afwerend zijn hand op.

‘Dat kun je niet doen,’ sprak hij gedempt. ‘Daar is iemand binnen.’ De Cock reageerde onnozel.

‘Dat weet ik niet.’

De jonge rechercheur snoof. Zijn neusvleugels trilden. ‘Dat weet je wel,’ siste hij van tussen zijn tanden. ‘Je hebt toch gebeld?’

De grijze speurder negeerde de opmerking. Hij stak de sleutel in de gleuf en draaide het slot langzaam terug. Daarna duwde hij de deur van het appartement omzichtig open. Toen er geen reactie kwam, stapte hij naar binnen… kalm en behoedzaam, bedacht op gevaar. Vledder liep hem na en sloot de deur achter zich. De Cock snoof. Opnieuw kroop een zwoele zoete parfumgeur naar zijn neusgaten. De oude rechercheur trok een vies gezicht. De geur van het parfum stond hem tegen, wekte weerstanden in hem op. Hij vroeg zich wrevelig af wat voor een soort mannen een dergelijke weeë geur als aangenaam ondervonden. Na een imposante hal met een fraaie garderobe kwamen ze in een ruim, hoog vertrek met uitzicht op de gracht. De wanden van de kamer waren uitgevoerd in steriel wit met op de vloer een hoogpolig berbertapijt, waarop hangmatten aan fragiele verchroomde poten. Er was niemand.

Tussen de beide gebogen ramen stond een kleine ronde glazen tafel, waarop een witte telefoon in een moderne vormgeving. Naast het toestel stond een lichtmetalen asbak, bijna geheel gevuld met sigarettenpeuken. Sommige toonden lipstickvlekken in het ceriserood van haar brede sensuele mond.

De Cock bedacht dat hij vanaf het moment dat hij haar dode lichaam op de achterbank van de Volvo had ontdekt, geen moment van sympathie, medeleven of medelijden had gekend. De dood van de jonge vrouw trof hem niet, weekte niets bij hem los. Hij bleef gevoelloos… een gevoelloosheid, die hem verbaasde en irriteerde. Hij keek opzij naar Vledder. De jonge rechercheur voelde zich kennelijk niet op zijn gemak. Wat angstig boog hij zich naar De Cock. ‘Er moet hier toch iemand zijn,’ fluisterde hij benepen.

De grijze speurder knikte traag voor zich uit.

Plotseling kwam vanuit een zijdeur een man het vertrek binnen. Hij droeg een camelkleurige kamerjas en was op blote voeten. Toen hij de beide rechercheurs in het oog kreeg, bleef hij staan, geschokt, verstijfd, met halfopen mond.

De Cock nam de man scherp in zich op. Hij had een wat blozend, rond, bol gezicht met lichtblond, terugwijkend haar in een korte krullenpermanent. Zijn blauwe ogen lagen diep en op zijn lijf zat te veel vet.

De grijze speurder nam zijn hoedje af en maakte een lichte buiging. Daarna bracht hij een beminnelijke glimlach.

‘Goedemorgen.’

De man slikte.

‘Hoe… eh, hoe komt u binnen?’

De Cock hield de ring met sleutels omhoog.

‘Hiermee.’

De man keek op.

‘Dat… eh, dat zijn de sleutels van Mareille,’ stamelde hij onthutst. De Cock knikte. De beminnelijke glimlach gleed van zijn gezicht. ‘Gevonden… in haar tasje.’

De man deed een stap naar voren.

‘Wat is er met Mareille?’

In zijn stem trilde angst.

De Cock keek hem aan, strak, onbewogen.

‘Mareille is dood.’

Загрузка...