De Cock stapte op het Stationsplein uit een overvolle tram en sjokte te midden van de stroom bus-, tram- en treinreizigers naar het brede trottoir van het Damrak. Hij realiseerde zich dat dit alweer de derde dag werd van zijn onderzoek naar de wurgmoord op Mareille van Luxwoude.
Hoewel hij over de dader en zijn motieven nog steeds volkomen in het duister tastte, had hij toch niet het gevoel dat de zaak hem ontglipte. De vreemde, wat bizarre tatoeages op de handen van zakenlieden, bij wie het zich laten tatoeëren geen traditie kent, hadden hem een tijdlang uit de slaap gehouden. Met de bundel pijlen in een klauw op zijn netvlies was hij uiteindelijk toch in slaap gesukkeld.
Hij keek om zich heen naar het hem zo vertrouwde beeld van het Damrak, de witte rondvaartboten, de masten met wapperende vlaggen, de schoongespoten beurs. Over zijn lippen gleed een glimlach. Hoe vaak was hij hier over het trottoir geslenterd, op weg naar de Warmoesstraat, zijn hoofd vol van gedachten over de moord die hem bezighield. Hij grinnikte om de zelfspot. Rechercheur van politie… wat een vak.
Hij liep de hal van het bureau binnen, groette in het voorbijgaan Meindert Post, de oude Urker wachtcommandant, en besteeg de trappen naar de tweede etage. Toen hij de grote recherchekamer binnenstapte, zag hij Vledder al achter zijn elektrische schrijfmachine zitten. De grijze speurder hing zijn oude regenjas en hoedje aan de kapstok en wandelde naar zijn bureau.
‘Goedemorgen.’
Vledder keek op.
‘Je bent weer laat.’
De Cock wees naar de klok aan de muur.
‘Half tien… een christelijke tijd voor een oude man.’ De jonge rechercheur zwaaide naar de deur.
‘Je moet onmiddellijk bij Buitendam komen. De commissaris stond vanmorgen al om kwart voor negen bij mij en vroeg waar je was.’
De Cock grijnsde.
‘Een domme vraag. Voor negenen ben ik er niet. Zeker niet als ik de avond daarvoor nog laat op pad ben geweest. Ik kan mij niet, zoals hij, een vaste nachtrusttijd veroorloven.’
Het klonk pinnig.
Vledder trok een bedenkelijk gezicht.
‘Doe kalm aan,’ sprak hij sussend. ‘Ik weet niet wat je bezielt. Telkens als de commissaris wat met je wil bespreken, gaan bij jou je nekharen bij voorbaat al recht overeind staan.’ De oude rechercheur negeerde de opmerking.
‘Heeft hij gezegd waarover hij met mij wil praten?’ Vledder schudde zijn hoofd.
‘Ga nou maar. Als je straks terugkomt, heb ik nog een paar verrassingen voor je in petto.’
De Cock draaide zich om en liep de kamer af.
Commissaris Buitendam, de lange, statige chef van het bekende politiebureau aan de Amsterdamse Warmoesstraat, wenkte met een slanke hand.
‘Kom binnen, De Cock,’ sprak hij geaffecteerd, ‘en ga zitten.’ Hij kwam achter zijn bureau vandaan en gebaarde uitnodigend naar het zitje van stalen meubelen bij het raam, waar de commissaris slechts zijn prominente gasten ontving.
De grijze speurder trok zijn gezicht in een onwillige plooi. Nors, ontoegankelijk. Toenaderingen van zijn chef wees hij in de meeste gevallen koel en hooghartig van de hand. Hij had geen hekel aan zijn commissaris, maar leefde met hem toch op enigszins gespannen voet. De Cock hield dat graag zo, beducht voor elke inmenging in zijn wijze van onderzoek.
‘Als het u hetzelfde is… ik blijf liever staan.’
Op het bleke gezicht van de commissaris kwam een lichte blos.
‘Zoals je wilt.’ Hij liep terug naar zijn bureau en nam wat stijfjes plaats.
‘Jij houdt je bezig met de wurgmoord op een vrouwtje van lichte zeden?’
Het klonk wat neerbuigend.
De Cock knikte.
‘Mareille van Luxwoude… zo heet ze.’
Commissaris Buitendam kuchte.
‘Vanmorgen, ruim voor achten, had ik meester Schaaps, onze officier van justitie, al aan de telefoon.’
De Cock reageerde quasi verwonderd.
‘Is die man al zo vroeg op?’
Buitendam keek hem bestraffend aan.
‘Dat is een ongepaste opmerking, De Cock. meester Schaaps is altijd zeer attent… op elk uur van de dag.’
De oude rechercheur liet als teken van berouw zijn grijze hoofd iets zakken. ‘Dat… eh, dat telefoontje had betrekking op mijn onderzoek?’
Commissaris Buitendam strekte zijn wijsvinger naar hem uit. ‘Inderdaad, jouw onderzoek. Meester Schaaps is gisterenavond laat nog benaderd door de heer André Grubbenvorst uit Hilversum, directeur van European Technics. De heer Grubbenvorst had zijn bezorgdheid uitgesproken over jouw wijze van optreden.’
‘Bezorgdheid?’
‘Hij had jou en Vledder aangetroffen op zijn privé-terrein… zonder dat hij jou daar toestemming voor had gegeven en zonder dat jij hem enig bevel of last kon tonen, waaruit kon blijken, dat aan jou die toestemming op een of andere wijze was verleend.’ De Cock glimlachte.
‘De heer Grubbenvorst heeft mij niet naar een last gevraagd.’ Hij gniffelde. ‘Daartoe heb ik hem de kans niet gegeven. Bovendien stond op zijn privé-terrein, inzake de moord op Mareille van Luxwoude, zeer belastend materiaal.’
‘Wat voor materiaal?’
‘Haar auto… de auto, waarmee zij vermoedelijk naar haar moordenaar is gereden. Voordat de heer Grubbenvorst, of wie dan ook, dat belastende materiaal aan mijn nasporingen kon onttrekken, heb ik ingegrepen. Ik heb samen met Vledder vastgesteld dat het inderdaad de wagen van de vermoorde was en straks zal ik hem laten zekerstellen.’
Commissaris Buitendam keek hem onderzoekend aan. ‘Hoe wist je dat het wagentje daar stond?’
De Cock glimlachte opnieuw.
‘Ik zag het vanaf de openbare weg.’
Commissaris Buitendam wond zich zichtbaar op.
‘Dat is een leugen,’ riep hij fel. ‘Een pure leugen… een leugen, die jij ook gisterenavond al hebt gebracht. Volgens de heer Grubbenvorst stond de auto zo ver onder het groen, dat hij vanaf de openbare weg niet zichtbaar was.’
De Cock bleef glimlachen.
‘Ik zag hem.’
Het gezicht van de commissaris kleurde donkerrood. ‘Dat was onmogelijk… zeker op dat uur.’
De Cock maakte een hulpeloos gebaartje.
‘Dat is de mening van de heer Grubbenvorst. Maar hij onderschat mijn waarnemingsvermogen. Mijn oude moeder meende al dat ik kattenogen had.’
Commissaris Buitendam brieste.
‘Dat… eh, dat is een bedenkelijk grapje.’
De Cock knikte traag.
‘Mogelijk,’ sprak hij kalm, gelaten, ‘maar ik acht het bedenkelijk dat een commissaris van politie en een officier van justitie zich beiden, zonder enig voorbehoud, aan de zijde van een vermoedelijke moordenaar scharen.’
Commissaris Buitendam kwam met een ruk uit zijn stoel overeind en wees trillend met zijn hand naar de deur.
‘Eruit!’
De Cock ging.
Vledder keek hem schattend aan. ‘Was het weer zover?’ De Cock schudde verontwaardigd zijn hoofd.
‘Die man kan geen gesprek voeren. Als het onderhoud niet naar zijn wens verloopt, dan schreeuwt hij je de kamer uit.’ De grijze speurder liet zich in zijn stoel zakken. ‘Ik word al dat gedoe zo langzamerhand zat. Waar gaan wij op die manier naar toe? Wanneer een of andere autoriteit of vooraanstaand zakenman maar even zijn bezorgdheid uitspreekt, sta je als politieman al in de beklaagdenbank.’
‘Wie was er bezorgd?’
‘Grubbenvorst… over ons optreden van gisterenavond.’‘Wat mankeerde daar aan?’
‘We hadden niet in zijn tuin mogen komen.’
Vledder trok zijn gezicht strak.
‘Hij moet voorzichtig zijn, anders arresteren wij hem vandaag nog terzake moord.’
De Cock trok zijn wenkbrauwen op.
‘Grubbenvorst?’
Vledder knikte.
‘Ik zei toch dat ik een paar verrassingen voor je in petto had? Wel, ik heb vanmorgen eerst een paar nalatigheden van mij goedgemaakt.’
‘Welke?’
De jonge rechercheur gebaarde naar de telefoon.
‘Ik heb de kentekens opgevraagd van de Zwarte Volvo en de lichtblauwe Mercedes.’
‘En?’
Vledder raadpleegde zijn aantekeningen.
‘De zwarte Volvo, type 740 Gl, staat op naam van de heer Petrus Johannes Terschuur, woonachtig in Hilversum. Hij deed eergisteren, ’s morgens, zo rond de klok van tien uur, bij de politie in Hilversum persoonlijk aangifte van diefstal.’‘Dat was dus ruim voor wij het lijk van Mareille in zijn wagen ontdekten.’
‘Inderdaad.’
‘En de Mercedes?’
Vledder grijnsde.
‘Staat op naam van… European Technics Corp., gevestigd in Amsterdam aan de Prinsengracht 1370 tot 76.’
‘De onderneming van Grubbenvorst.’
Vledder knikte.
‘Ook de Mercedes werd als gestolen opgegeven. Dat gebeurde op dezelfde dag hier in Amsterdam bij het politiebureau aan de Lijnbaansgracht.’ Hij zweeg even. ‘En raad eens wie de aangifte deed?’
De Cock trok zijn schouders op.
‘Zeg het maar,’ bromde hij. ‘Ik houd niet zo van raadseltjes.’ De jonge rechercheur boog iets naar hem toe.
‘Janszen… Simon Janszen met es-zet.’
De grijze speurder keek zijn jonge collega verbijsterd aan. Het duurde enige tijd voor hij de mededeling had verwerkt. Met zijn vlakke hand klapte hij op het blad van zijn bureau. ‘Dan had onze Sandra Verloop toch gelijk,’ riep hij blij verrast. ‘De man, die haar van het Stationsplein naar het Slotervaart Ziekenhuis bracht, was geen taxichauffeur.’
Vledder keek hem verward aan.
‘Waarom presenteerde hij zich dan als zodanig? Dat moet hij bij het Slotervaart Ziekenhuis hebben gedaan… anders had men de vader van Sandra niet over een taxichauffeur kunnen berichten… en hij deed het bij ons.’
De Cock wreef nadenkend over zijn kin.
‘Ik denk dat de heer Janszen die hoedanigheid de beste camouflage achtte om zijn aanwezigheid op het Stationsplein te verklaren.’ De blik van Vledder verduisterde. ‘Dat begrijp ik niet.’‘Simon Janszen was onmiddellijk ter plekke toen Sandra door onze geheimzinnige lifter werd neergeslagen. Voor een Amsterdamse taxichauffeur was dat heel verklaarbaar, heel plausibel.’ Vledder schudde zijn hoofd.
‘Het is mij nog niet duidelijk,’ reageerde hij opstandig. ‘Er lopen zoveel mensen op het Stationsplein. Zeker zo rond de klok van zes uur. Je kan dan bijna over de hoofden lopen. Simon Janszen had helemaal geen camouflage nodig. Hij kon gewoon een man zijn die daar liep en de mishandeling zag gebeuren.’‘Waarna hij Sandra de helpende hand reikte.’
‘Precies.’
‘Met zijn wagen in de buurt?’
‘Dat kan toch?’
De Cock drukte zijn wijsvinger tegen zijn neus.
‘Wie is Janszen? Wie is Simon Janszen nu in werkelijkheid?’ Vledder zuchtte.
‘De man, die eergisteren bij het bureau Lijnbaansgracht aangifte deed van diefstal van de lichtblauwe metallic Mercedes, de wagen waarin Sandra Verloop het lijk van Mareille van Luxwoude zag.’‘Heel goed. En wat is jou vanmorgen gebleken?’
‘Dat het kenteken van de lichtblauwe Mercedes op naam staat van European Technics Corp., aan de Prinsengracht in Amsterdam.’ De Cock glimlachte. ‘Hoe kon Simon Janszen van de diefstal van de Mercedes aangifte doen?’
‘Als hij daartoe was gerechtigd.’
‘Door wie?’
‘European Technics.’
De Cock grinnikte.
‘Zo simpel is het. Ik ben er vrijwel van overtuigd dat Simon Janszen in dienst is van die onderneming… vermoedelijk als chauffeur. En als hij in dienst is van die onderneming, dan is hij ook in dienst van…’
De ogen van Vledder lichtten op.
‘André Grubbenvorst.’