4

De Cock keek door het open achterportier van de wagen. De vrouw lag er vreemd, verstard bij. In de dode, opengesperde ogen lag nog een blik van schrik, angst en verbijstering. Haar beide handen, leunend in haar schoot, waren in haar doodsstrijd met krommende vingers tot klauwen verkrampt.

De oude rechercheur boog zich iets naar haar toe. In de lange, opvallend slanke hals waren duidelijke strangulatieplekken te onderscheiden. Toen hij de plekken nog wat nader bekeek, week hij terug voor een zwoele geur van parfum, die als een sluier om haar heen hing.

De grijze speurder schatte haar op voor in de dertig. Hoewel de dood haar een bijna angstaanjagende aanblik gaf, toonde haar ovaal gezicht regelmatige trekken. Haar kastanjebruine haren hingen fraai golvend tot op haar schouders. Ze was, zo bezag De Cock, van een profane schoonheid, wild, hartstochtelijk, met een brede sensuele mond, sterk aangezet in ceriserood. Vledder hijgde in zijn nek.

‘Vermoord?’

De Cock knikte traag.

‘Gewurgd… met de handen. Bekijk die rood-blauwe plekken in haar hals… de beide duimafdrukken zijn aan de voorzijde duidelijk te zien. Verderop… wat vager, zie je nagel- en vingerindrukken.’

‘Is het hier gebeurd?’

‘Hoe bedoel je?’

‘Achter in de wagen?’

De Cock knikte opnieuw.

‘Ik denk dat de moordenaar aanvankelijk naast haar zat en daarna, mogelijk tijdens een tedere omhelzing, bruut heeft toegeslagen.’‘Toen de wagen hier al stond?’

De Cock maakte een weifelend gebaartje.

‘Dat is niet te zien. Het kan ook elders zijn gebeurd en dat de moordenaar na zijn gruwelijke daad de wagen met het lijk naar deze parkeerplaats heeft gereden.’ Hij keek fronsend naar zijn jonge collega op. ‘Is… eh, is dit een Mercedes?’

Vledder lachte.

‘Nee, een Volvo, type 740 GL.’

De Cock maakte een schouderbeweging.

‘Ik houd ze niet uit elkaar,’ sprak hij knorrig. ‘Volgens mij lijken al die wagens op elkaar.’

Vledder gniffelde.

‘Laten de diverse autofabrikanten dat niet horen.’ Hij wees wat achteloos naar de dode vrouw op de achterbank. ‘Is zij een hoertje?’

De Cock trok zijn wenkbrauwen iets omhoog.

‘Ik ken haar niet. Bij mijn weten heb ik haar nooit ontmoet. Ze lijkt mij zo op het oog geen Walletjestype… gezien haar opmaak, haar kleding… mogelijk een peperdure escort of callgirl.’ Hij grinnikte ondeugend. ‘Maar onze samenleving kent ook eerbare vrouwen die amoureuze ritjes maken.’

‘Daar schat je het op… een liefdesaffaire?’

De oude rechercheur antwoordde niet. Hij draaide zich langzaam om naar een jeugdige agent, die op enige meters afstand stond, en duimde over zijn schouder. ‘Heb jij haar ontdekt?’ De jonge agent stapte naderbij, duwde de mouw van zijn uniform iets terug en keek op zijn horloge.

‘Een twintig minuten geleden.’

‘Naar aanleiding van een melding?’

De jonge agent schudde zijn hoofd.

‘Ik rijd nog wel eens over deze parkeerplaats bij het Havengebouw en noteer de kentekens van de wagens die hier langer dan een dag staan.’

‘Waarom?’

De agent glimlachte.

‘Dat zijn dan vaak wagens die als gestolen staan geregistreerd.’ De Cock gebaarde achter zich.

‘Deze?’

‘Die stond hier gisteren nog niet.’

‘Hoe laat was je hier gisteren?’

De jonge diender raadpleegde opnieuw zijn horloge. ‘Ongeveer dezelfde tijd.’

‘Is dit een gestolen wagen?’

‘Dat heb ik nog niet gecontroleerd. Toen ik die dode vrouw in die geparkeerde wagen ontdekte, heb ik eerst u gebeld en daarna de mensen gewaarschuwd die u bij de behandeling nodig hebt.’ De Cock schonk hem een glimlach.

‘Dat is heel erg attent van je.’ Hij zweeg even en blikte om zich heen. ‘Dat achterportier… heb jij dat zo wijd opengetrokken?’ De agent maakte een verontschuldigend gebaartje.

‘Ik moest toch kijken of ze echt dood was.’

De grijze speurder knikte begrijpend. Hij liep van de jonge agent weg en slenterde met uitgestoken hand en een blijde lach om zijn mond naar dokter Den Koninghe, die vanaf een ambulancewagen naar hem toe kwam. Achter de kleine lijkschouwer torenden twee levensgrote broeders van de Geneeskundige Dienst met een brancard.

De Cock schudde dokter Den Koninghe hartelijk de hand. ‘Hoe gaat het?’ vroeg hij belangstellend.

De kleine lijkschouwer bromde.

‘Het is voor ons en onze dienst bijna niet meer om bij te benen,’ riep hij wat opstandig. ‘Deze stad wordt met de dag gewelddadiger. Moorden lijkt zo langzamerhand een Amsterdamse volksziekte.’

De Cock trok een grimas.

‘U overdrijft.’

Dokter Den Koninghe bleef staan. Door zijn metalen brilletje keek hij schuins omhoog.

‘Weet je hoeveel mensen hier dit jaar al op gewelddadige wijze om het leven zijn gekomen?’ vroeg hij met een zweem van emotie. ‘Zevenenzestig. En dat in een, mondiaal gezien, toch betrekkelijk kleine stad met niet meer dan enkele honderdduizenden zielen.’ Licht bevend stak hij waarschuwend de wijsvinger van zijn rechterhand omhoog. ‘En let op, brave vriend… dit moorddadig jaar is nog niet om. Wij hebben nog ruim anderhalve maand voor de boeg.’

De Cock greep met beide handen naar zijn hoofd.

‘Ik geloof dat het tijd wordt dat ik met pensioen ga,’ reageerde hij lachend. ‘Ik ga mij anders nog schuldig voelen aan al die moorden.’ De lijkschouwer schudde zijn hoofd. Met zijn vlakke hand klapte hij De Cock vriendschappelijk op de borst. ‘Het heeft aan jou niet gelegen,’ sprak hij bemoedigend. ‘Jij hebt je muts steeds goed opgehouden.’

De Cock keek hem niet-begrijpend aan.

‘Welke muts?’

Den Koninghe zwaaide.

‘De muts van de tolerantie. Bij velen is die muts allang over de ogen gezakt. Begrijp je… ze zijn door hun tolerantie stekeblind geworden… blind voor al het kwaad dat onze samenleving bedreigt.’ Met een gebaar van ingehouden woede liep de lijkschouwer aan De Cock voorbij naar de wagen. Hij zette zijn linkerknie krakend op de achterbank en boog zich over de dode vrouw. De Cock liep achter hem aan en keek scherp toe. Hij trok al een tiental jaren met de oude lijkschouwer op en kende zijn gewoonten. Toen Den Koninghe de opengesperde ogen van de dode wilde toedrukken, hield de grijze speurder zijn hand tegen. ‘Ik wil haar zo… met open ogen… nog aan iemand laten zien,’ sprak hij verklarend.

De dokter trok zijn hand terug en stapte uit de wagen. Hij nam zijn ziekenfondsbrilletje af, plukte uit de borstzak van zijn ouderwets jacquet een witzijden pochet en poetste zijn glazen. ‘Ze is dood,’ sprak hij zonder op te zien.

Het klonk wat laconiek.

‘Dat meenden wij al,’ reageerde De Cock in stijl. ‘Gewurgd?’ De lijkschouwer knikte.

‘Door iemand met grote, zeer sterke handen. Een buitengewoon krachtige greep. De sectie zal uitwijzen dat tijdens de wurging ettelijke kraakbeenringen van haar slokdarm zijn gebroken.’‘Hoe lang is ze dood?’

Den Koninghe zette zijn brilletje op en plooide zijn zijden pochet weer in de borstzak van zijn jacquet.

‘De lijkstijfheid is algemeen,’ sprak hij wat krakerig. ‘Ik schat zo een uur of tien, twaalf. Het kan ook nog langer zijn.’ De Cock knikte traag en begrijpend. Hij drong niet verder aan. De oude rechercheur wist dat het geen zin had om de lijkschouwer een nader tijdstip te ontlokken. Ondanks al zijn kennis en ervaring kon hij niet exacter zijn.

Den Koninghe lichtte tot afscheid zijn oude, groen uitgeslagen garibaldi en liep het parkeerterrein af.

De Cock keek hem bezorgd na. Hij had een zwak voor de altijd wat excentrieke lijkschouwer.

Bram van Wielingen en Ben Kreuger kwamen samen aanwandelen. Bram van Wielingen had duidelijk haast. Zoals altijd. Snel bracht hij zijn Hasselblad in stelling en flitste een paar maal in de dode ogen. Daarna liep hij op De Cock toe. ‘Heb je nog bijzondere wensen?’

De Cock wees voor zich uit.

‘De wagen… schiet nog een paar duidelijke plaatjes van die wagen, dan behoef ik het merk en het kenteken niet meer te onthouden.’‘Moet je de prentjes vanavond nog hebben?’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Dat mag ook morgen.’

Bram van Wielingen glimlachte. Hij boog zich iets naar hem toe. ‘Mijn neef is geslaagd,’ sprak hij vertrouwelijk. ‘Hij geeft vanavond een knal van een fuif. En daar wil ik graag heen.’ De Cock keek hem wat spottend aan.

‘Jouw leven hangt, geloof ik, van fuifjes en feestjes aan elkaar.’

De fotograaf knikte.

‘Ik heb een grote familie. De Van Wielingens zijn erg vruchtbaar. En we hebben allen dezelfde familietic… een passie voor uitbundige fuiven en vrolijke feestjes.’ Hij maakte rap nog een paar opnamen van de auto, borg zijn fotospullen in een aluminium koffer en wuifde joviaal. ‘De Cock… morgen ben je de eerste.’ De oude rechercheur zwaaide terug, draaide zich om en liep naar Ben Kreuger, die op de bestuurdersplaats van de wagen doende was om de achteruitkijkspiegel in te kwasten. ‘Heb je al wat?’

De dactyloscoop knikte.

‘Een paar bruikbare greepjes op de portierstijlen.’ Hij duimde over zijn rug naar de achterbank. ‘Daar begin ik pas aan als je die dode juffrouw hebt laten weghalen. Ze kijkt anders zo op mijn vingers.’

De Cock onderdrukte een lach.

‘Ik wil overigens dat je ook van haar vingerafdrukken neemt. Ik heb nog geen flauw idee wie zij is.’

Ben Kreuger maakte een korte hoofdbeweging.

‘Er ligt een klein laktasje achter haar voeten. Heb je dat nog niet gezien?’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Zover heb ik nog niet gekeken.’

‘Ik zal straks even onderzoeken of er vingerafdrukken op dat tasje staan. Dan kan jij het verder gebruiken. Misschien zit haar rijbewijs erin… of andere papieren met haar naam.’

De Cock keek hem wat schuins aan.

‘Ik heb nog een klus voor je.’

‘Buiten dit?’

‘Ja.’

‘Waar?’

‘Aan de Kit. Gisteravond heb ik in onze Volkswagen een lift gegeven aan een man, van wie ik nu moet aannemen dat hij een moordenaar is.’

De dactyloscoop liet zijn dasharen kwast even rusten. ‘En je hebt vergeten om naar zijn naam te vragen?’ Het klonk cynisch.

De Cock schoof zijn dikke onderlip vooruit. ‘Zo… eh, zo zou je het kunnen noemen.’

Ben Kreuger kwastte glimlachend verder. ‘Ik ga straks wel even met je mee.’

De Cock gaf de dactyloscoop een dankbaar tikje op zijn schouder. ‘Fijn.’ Hij zweeg even. ‘En… eh, voorlopig entre nous, begrijp je… ik moet anders zoveel uitleggen.’

Ben Kreuger knikte met een ernstig gezicht.

‘Ik begrijp je.’

De grijze speurder deed een stap terug en wenkte de beide broeders van de Geneeskundige Dienst. Ze kwamen met hun brancard naderbij. Een van hen trok aan de andere zijde van de wagen het achterportier open. Langzaam lieten ze de dode vrouw van de achterbank glijden, vingen haar op en legden haar voorzichtig op de brancard. Daarna drapeerden zij een laken over haar heen, sloegen het bruine canvas toe en sjorden de riemen vast. Zacht wiegend droegen ze haar naar de ambulancewagen. Vledder kwam naast De Cock staan.

‘Zal ik meegaan naar het sectielokaal… voor het opnemen van een uitgebreid signalement? We weten nog steeds niet wie zij is.’ De oude rechercheur schudde zijn hoofd.

‘We gaan straks samen.’

Vledder fronste zijn wenkbrauwen.

‘Samen?’

De Cock knikte.

‘Met Sandra Verloop.’ Hij wees naar de rode lichten van de wegrijdende ambulancewagen. ‘Misschien is zij wel de vrouw die Sandra gisterenavond in de wagen op de vluchtstrook zag.’ Vledder keek hem verward aan.

‘Dat was in een Mercedes.’

De Cock reageerde wat kriegelig.

‘Ik zei je toch… die wagens lijken allemaal op elkaar.’ Vledder stak zijn beide armen omhoog.

‘Maar een Mercedes,’ riep hij in wanhoop, ‘of een Volvo… dat is een verschil van…’ Verder kwam hij niet.

De jonge diender stormde in looppas op de beide rechercheurs toe. Zijn gezicht zag rood.

‘Hij is gestolen,’ riep hij opgewonden.

De Cock keek hem onderzoekend aan.

‘Deze zwarte wagen?’

De jonge agent knikte.

‘Gisteren.’

‘Waar?’

‘In Hilversum… vanaf een parkeerplaats achter de AVRO-studio.’

Загрузка...