16

De Cock had moeie voeten. Plotseling voelde hij ze. Het was op het moment dat hij, terugkomend uit Hilversum, zich aan het bureau Warmoesstraat in zijn stoel liet zakken. Hij leunde achterover en legde zijn voeten op een hoek van zijn bureau. Met een van pijn vertrokken gezicht bevoelde hij zijn kuiten. Het was alsof geniepige kleine duiveltjes uit pure boosaardigheid met duizend scherpe spelden in zijn kuiten prikten. Hij kende de pijn, die uit de holten van zijn voeten kwam, langs zijn hielen omhoog trok en zich vastzette in zijn kuiten. Hij wist ook wat die pijn betekende. Telkens als de zaken slecht liepen, als hij het machteloze gevoel had volkomen in het duister te tasten, geen enkele vooruitgang meer te boeken, gaven die helse duiveltjes acte de présence.

Vledder keek hem bezorgd aan.

‘Zijn ze er weer?’

De grijze speurder knikte en sloot zijn ogen. Minutenlang bleef hij zo zitten. Zijn markant gezicht leek een stalen masker. Om de pijn te verdrijven zette hij zijn tanden in zijn onderlip. ‘Het trekt alweer wat weg,’ sprak hij mat.

Vledder keek hem droevig aan.

‘Is het werkelijk zo erg?’

‘Wat?’

De jonge rechercheur wees naar De Cocks pijnlijke onderdanen. ‘Die… eh, die duiveltjes… dat je er geen gat meer in ziet?’ De Cock antwoordde niet direct. Hij tilde zijn benen weer van het bureau. Zijn gezicht stond somber.

‘Die drie bedaagde heren in Hilversum nemen ons op een verschrikkelijke manier in de maling. Ik kan je niet zeggen hoe mij dat steekt. En het ellendige is dat ik er zo weinig aan kan doen. Ik sta gewoon machteloos. Ik heb niets om de zaak open te wrikken.’

Vledder wuifde voor zich uit.

‘Het is nu wel duidelijk dat die Petrus Johannes Terschuur ook tot het groepje behoort.’

Vledder schudde zijn hoofd.

‘Nee,’ sprak hij half lachend, ‘daar maakte hij echt geen geheim van.’

De Cock wreef nog eens over zijn kuiten.

‘Zoals wij ze hebben ontmoet… zowel Van Waardenburg, als Grubbenvorst en Terschuur koketteerde met die tatoeage. Zij drongen het verband tussen hun drieën als het ware aan ons op.’ Hij beet opnieuw op zijn onderlip. ‘En juist daarom heb ik het voortdurend genegeerd. Ik heb niet naar een verklaring voor die tatoeage gevraagd en ik heb niet op dat verband gewezen. En dat zal ik blijven doen tot ik de vierde man met de tatoeage heb gevonden.’

‘Jouw geheimzinnige lifter.’

De Cock knikte nadrukkelijk.

‘Uit hun gedrag blijkt dat de mannen die wij tot nu toe kennen, zich volkomen veilig voelen… veilig door een reeks onderlinge afspraken. En het staat te bezien of we ooit achter de waarheid komen.’ Vledder zuchtte.

‘Je had gelijk vanmiddag… het lijkt een volkomen Hilversumse affaire te worden.’ Hij keek naar De Cock op. ‘Waarom dragen wij de zaak niet aan de politie in Hilversum over. Zij kennen daar de onderlinge verhoudingen beter dan wij.’

De oude rechercheur schudde ferm zijn hoofd.

‘Nooit,’ sprak hij verbeten. ‘En dan bekennen dat wij het niet hebben gered? Geen denken aan. Het lijk van Mareille van Luxwoude werd in ons Warmoesstraat-district aangetroffen. Ook al lopen er draden naar Hilversum… het blijft een Amsterdamse zaak.’ Een tijdje zwegen ze. Vledder trok een denkrimpel in zijn voorhoofd. ‘De drie mannen met dezelfde tatoeage,’ sprak hij bedachtzaam, ‘die wij nu kennen, maakten allen gebruik van dezelfde vrouw.’

De Cock bewoog zijn hoofd langzaam op en neer.

‘Mareille van Luxwoude van Escort Ltd… en ook daar maakten ze geen geheim van.’

Vledder keek hem nadenkend aan.

‘Zou… eh, zou jouw mysterieuze lifter… die geheimzinnige man van de lichtblauwe Mercedes… ook een cliënt van haar zijn geweest?’

De Cock reageerde plotseling verheugd. Zijn gezicht klaarde op. Zijn ogen straalden. Het was alsof ineens de pijn uit zijn kuiten wegtrok, alsof de geniepige duiveltjes voor een opborrelend enthousiasme vluchtten. Opmerkelijk kwiek kwam hij uit zijn stoel overeind, liep om zijn bureau heen naar Vledder en legde vertrouwelijk zijn hand om diens schouder.

‘Dick,’ riep hij blij, bijna uitbundig, ‘dat gaan we vanavond onderzoeken.’


Vanuit het café van Smalle Lowietje stiefelden de beide rechercheurs over een haast verlaten Oudezijds Achterburgwal naar de Lange Niezel, liepen dwars over de Warmoesstraat naar de Oudebrugsteeg en sjokten vandaar over het Damrak naar de Nieuwendijk. De meeste winkels waren dicht. De luiken voor deuren en etalages gaven een triest beeld. De Cock bezag het met enige wroeging.

Het begon te regenen. Steeds feller. Opgejaagd door een straffe wind sloeg een fijne gure motregen tegen hun gezichten. De grijze speurder drukte zijn wat vervormd vilten hoedje vaster op zijn hoofd en trok de kraag van zijn regenjas omhoog. Vledder, naast hem, kreunde. Zijn jong gezicht zag door de gure regen tintelend rood.

‘Het is in dit akelige lage landje van ons ook altijd hondenweer,’ sprak hij mopperend. ‘Ik geloof dat ik ga emigreren. Rechercheur op de Bahama’s… dat lijkt mij wel wat.’

De Cock lachte. ‘Als je daar een paar maanden bent, verlang je terug naar de Warmoesstraat.’

Vledder perste zijn lippen op elkaar. ‘Nooit.’

‘Vraag het eens… vraag het eens aan oude collega’s, gepensioneerden… hun oren gaan gloeien en hun ogen glinsteren als ze terugdenken aan de tijd dat ze aan de Warmoesstraat dienst deden.’ Vledder schudde afkeurend zijn hoofd.

‘Al die oudjes doen aan geschiedvervalsing.’ Hij gniffelde. ‘Ik heb soms het idee dat jij daar nu al mee bezig bent.’ De Cock lachte opnieuw. Vrijuit. Twee glazen cognac bij Smalle Lowietje hadden zijn bloed verwarmd en zijn geest opgekrikt. ‘Dat bureau Warmoesstraat is toch een zalig bureau,’ riep hij vrolijk zwaaiend. ‘Wat wil je als politieman nog meer? Je maakt er van alles mee.’

Vledder bromde.

‘Een berg ellende,’ reageerde hij somber. ‘Denk eens aan de zaak waar wij nu mee bezig zijn. Een kille, sinistere moord door een stel rijke sluwe heertjes, die zich nu in hun comfortabele villa’s vermoedelijk zitten te verkneuteren… verkneuteren om de listen en lagen die ze ons hebben gelegd.’ Het klonk boos en opstandig.

De Cock keek hem aan. Zijn grof, breed gezicht stond strak. ‘Dat ver-kneu-te-ren zal ze vergaan,’ sprak hij verbeten. ‘Dat beloof ik je.’

De felle wind wakkerde nog verder aan. Met gebogen hoofden sjokten ze voort. Vledder blikte opzij.

‘Zou het lukken?’

‘Wat?’

‘Dat met Smalle Lowietje?’

De Cock knikte. Hij schoof de mouw van zijn regenjas iets terug en keek op zijn horloge. ‘Over ongeveer een kwartier belt Smalle Lowietje hem en zegt tegen George Brisbane, dat hij heeft gehoord dat hij op een wat ongelukkige manier zijn vrouwelijke compagnon is kwijtgeraakt en dat hij, Smalle Lowietje, een bijzonder knap en heel intelligent vrouwtje kent, die haar plaats zou kunnen innemen.’

‘Zou George Brisbane daar op ingaan?’

De Cock glimlachte fijntjes.

‘Ik geef het plan een grote kans van slagen. Smalle Lowietje is voor George Brisbane een onverdacht persoon. Hij zal geen argwaan koesteren en benieuwd zijn wat de caféhouder te bieden heeft.’ Hij grinnikte. ‘Verder kun je het wel aan Lowietje overlaten om de Engelsman vol whisky te tappen.’

Vledder snoof.

‘Ik loop toch al heel wat jaartjes met je mee,’ sprak hij hoofdschuddend, ‘maar ik ben bang dat ik aan jouw methoden nooit zal wennen.’ Hij zweeg even en sjorde de riem van zijn regenjas wat strakker. ‘Wat dacht je in de flat van George Brisbane te vinden?’

De Cock antwoordde niet. Aan het eind van de Nieuwendijk liepen ze via de Singel naar de Brouwersgracht. Voorbij de Herenmarkt namen ze de brug naar de onevenzijde en bleven aan de wallenkant tegenover de nummers 112 tot 118 staan. Uit de schaduw van een oude boom hadden ze een prachtig zicht op de toegang tot de appartementen in de voormalige pakhuizen. Vledder porde De Cock met zijn elleboog.

‘Wat dacht je te vinden?’ vroeg hij opnieuw.

De grijze speurder pakte een zakdoek en veegde de regen uit zijn gezicht. ‘Ik ben ervan overtuigd,’ legde hij uit, ‘dat George Brisbane het klantenbestand van Escort Ltd. behoorlijk in kaart heeft gebracht… dat hij precies weet wie wie is… compleet met gewoonten, gebreken en hebbelijkheden. In dat klantenbestand zijn uiteraard ook onze… zo jij ze noemt… sluwe rijke heertjes opgenomen met… zeer waarschijnlijk een aantekening over de vreemde tatoeage, die ook Mareille niet zal zijn ontgaan. En het is zeker niet denkbeeldig dat zij de betekenis van de tatoeage eens aan een van de heertjes heeft ontfutseld en aan George Brisbane heeft doorgegeven.’

Vledder keek de grijze speurder bewonderend aan.

‘Geweldig,’ riep hij enthousiast. ‘Je bent nog steeds een fantastisch vakman.’

De Cock glimlachte om de lof.

‘Ik had aan deze mogelijkheid nog niet gedacht tot jij mij vanmiddag vroeg of ook mijn mysterieuze lifter een cliënt van Mareille van Luxwoude was. Begrijp je, als dat het geval is geweest, dan moet ook hij… met een aantekening over de tatoeage… in het klantenbestand van George Brisbane te vinden zijn.’ Vledder lachte.

‘Ik begrijp het. Daarom was jij vanmiddag zo snel van jouw geniepige duiveltjes af.’

De Cock knikte met een ernstig gezicht.

‘Ik acht onze geheimzinnige lifter nog steeds de sleutel tot de oplossing van de moord op Mareille. Als we hem kunnen ontmaskeren zijn we mogelijk in staat om de zaak te ontwarren en de zich verkneuterende heren ter verantwoording te roepen.’ Vledder porde hem opnieuw met zijn elleboog in de zij en wees naar de overkant van de gracht. ‘Het lukt.’ In zijn stem trilde blijdschap. ‘Daar gaat-ie.’

De Cock keek. Op zijn gezicht kwam een brede grijns. ‘George Brisbane,’ sprak hij vergenoegd, ‘op weg naar Smalle Lowietje.’ Hij keek naar zijn jonge collega op. ‘Heb jij de sleutels uit het tasje van Mareille?’

Vledder knikte en De Cock hield zijn hand op.


Ze gingen aan de wand met het lichtmetalen tableau vol boutons en rozetten van spreekgaatjes voorbij en liepen de brede trap op. Boven aan de trap, in het ruime portaal met de palm in de verlichte nis, bleven ze staan.

De Cock nam de tweede sleutel, stak die in het slot, draaide en duwde de deur van de flat voorzichtig open.

In de hal met de fraaie garderobe draaide hij zich om en sloot de deur weer zorgvuldig af. Vledder keek toe.

‘Zullen we gewoon het licht aan doen? George Brisbane zit voorlopig wel aan de whisky.’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Liever niet. Maar pas wel op met je zaklantaarn, dat het schijnsel niet van buitenaf zichtbaar wordt.’ Hij grinnikte vrolijk. ‘Anders bellen de overburen misschien de politie en die kan ik hier echt niet gebruiken.’ Hij scheen op de vloer en liep vanuit de hal naar het steriel witte vertrek met het hoogpolige berbertapijt. Speurend blikte hij om zich heen. ‘De overgordijnen zijn gesloten,’ stelde hij geruststellend vast.

Vledder liet het ovaal van zijn zaklantaarn door het vertrek dansen. ‘Waar zou hij die aantekeningen hebben? Ik herinner mij niet dat hier ergens in de kamer een kast of een bureau stond.’ De Cock wees naar de zijdeur, waaruit George Brisbane een paar dagen geleden te voorschijn kwam. ‘Ik vermoed daar in de slaapkamer.’

Ook in de slaapkamer bleek het wit te overheersen. Er was een monument van een toilettafel met een drieluik van gebogen spiegels. Tubes, potten en flacons stonden in slagorde. De weeë, misselijkmakende geur van Mareilles parfum hing als een wolk om hen heen. De Cock opende een wandbrede kledingkast en liet het licht van zijn zaklantaarn over een reeks frivole japonnen en blouses glijden. Ineens slaakte Vledder een kreet. Hij zat op de grond naast het lits-jumeaux voor een opengetrokken deur van een nachtkastje.

‘Een kaartenbak.’

‘Waar?’

Vledder klemde de schijnende zaklantaarn onder zijn kin. ‘Hier… in het nachtkastje.’ Hij trok met zijn beide handen de houten bak naar zich toe en liet zijn vingers rap over de kaarten wippen. Nerveus trok hij een kaart half omhoog. ‘Terschuur,’ las hij hardop, ‘Petrus Johannes, weduwnaar, niet onbemiddeld, rustend advocaat, koosnaam Pitie, woonachtig in Hilversum, Schubertlaan 735.’ Hij nam de zaklantaarn onder zijn kin vandaan en keek schuin omhoog naar De Cock, die naderbij stapte. ‘Wist jij, dat Terschuur een advocatenpraktijk heeft gehad?’ De Cock schudde zijn hoofd.

‘Dat wist ik niet. De hoedanigheid van Terschuur is ook nooit ter sprake gekomen.’ Hij boog zich half over Vledder heen en steunde op diens schouders.

‘Staat er iets over de tatoeage?’

De jonge rechercheur bescheen de kaart.

‘Ik zie niets staan… alleen data… vermoedelijk de dagen dat Terschuur van de diensten van Escort Ltd. gebruikmaakte.’ Hij nam de kaart geheel uit de bak en draaide hem om. Op de achterzijde stond niets vermeld. Vledder deed de kaart terug in de bak. ‘George Brisbane vond die tatoeage blijkbaar niet belangrijk genoeg.’

De Cock had even moeite om de teleurstelling te verwerken. ‘Van wanneer,’ vroeg hij mat, ‘dateert de eerste aantekening?’‘Van vier jaar geleden.’

De grijze speurder reageerde geschrokken.

‘Vier jaar!’ riep hij verbijsterd.

Vledder trok de kaart weer iets omhoog en wees met zijn vinger naar de aantekening. ‘Vier jaar,’ herhaalde hij, ‘kijk maar.’ De adem van De Cock stokte. De grijze speurder drukte zich op de schouder van Vledder omhoog en staarde voor zich uit. ‘Dat betekent,’ sprak hij traag, ‘dat de heer Terschuur ook de vermoorde Lucienne Wildenborch heeft gekend.’

Загрузка...