Vledder ging op de rand van het lits-jumeaux zitten en nam de kaartenbak op zijn schoot. Hij keek omhoog naar De Cock. ‘Je hebt gelijk. Het is waar. Hij moet haar hebben gekend. Mareille van Luxwoude kwam ongeveer tweeënhalf jaar geleden bij Escort Ltd. van George Brisbane. En voor Mareille was Lucienne Wildenborch zijn… eh, zijn compagnon.’
‘En werd vermoord.’
Vledder knikte voor zich uit.
‘Op een vrijwel identieke wijze… gewurgd en achtergelaten in een auto. Daar moet toch verband tussen zitten. Ik denk…’ In de flat klonk een zoemtoon… luid, indringend.
De jonge rechercheur nam de kaartenbak van zijn schoot en stond geschrokken op. ‘Daar… eh, daar is iemand,’ fluisterde hij hijgend. De Cock knikte met een ernstig gezicht.
‘Bezoek,’ sprak hij kalm. ‘Bezoek voor de heer Brisbane. Laten we rustig wachten. Als het bezoek merkt dat Mister George niet thuis is, zal hij of zij wel weer vertrekken.’
De zoemtoon klonk opnieuw. Nu langer aangehouden. Vledder kon niet de nodige rust vinden om de inhoud van de kaartenbak verder te onderzoeken. Hij stootte De Cock in het donker aan. ‘Men mag ons hier niet aantreffen,’ sprak hij gejaagd. ‘Dat geeft moeilijkheden. Kunnen we niet proberen om ongezien hier uit die flat te komen?’
‘Hoe?’
Vledder wees naar de vloer.
‘Dat bezoek staat beneden in de hal bij het plateau. Als we de flat uit glippen en we gaan naar een hogere etage dan…’ Weer maakte de jonge rechercheur zijn zin niet af.
Aan de toegangsdeur van de flat klonk gestommel en gekraak. De mond van Vledder viel open.
‘Een inbreker,’ fluisterde hij ontzet. ‘Die heeft eerst geprobeerd of er iemand thuis was.’
De Cock bewoog zijn hoofd op en neer.
‘Beslist. En mogelijk is hij op zoek naar dezelfde buit.’ De grijze speurder wees naar de kaartenbak in de handen van Vledder. ‘Zet dat maar boven op het nachtkastje.’ Hij gniffelde. ‘Waarom zouden we moeilijk doen? Dat bespaart de dief het zoeken.’‘En wij?’
‘Onder het bed.’
Na enkele minuten klonk in de slaapkamer een hijgende ademhaling en schoven voetstappen over het tapijt. Het lichtend ovaal van een zaklantaarn gleed tastend vooruit. Het duurde niet lang. Al na enkele seconden bleven de voeten bij het nachtkastje staan. Er klonk een zwak, instemmend gemompel en toen verdwenen de voeten weer uit de slaapkamer.
De Cock wachtte tot hij hoorde dat de inbreker de flat geheel had verlaten. Toen kwam hij in actie. Traag en log kwam hij onder het bed vandaan en zette zich in beweging. Hij holde de flat uit en daalde met drie treden tegelijk de brede trap af. Vledder volgde.
Toen de twee rechercheurs buiten kwamen, zagen ze op de Brouwersgracht een man met de houten bak onder zijn arm in de richting van de Herenmarkt rennen.
Vledder trok een sprint aan. Nog voor de man de Herenmarkt had bereikt, greep de jonge rechercheur hem vast. In een komische, wat stampende draf kwam De Cock naderbij en schonk de man een glimlach.
‘De heer Janszen,’ sprak hij grijnzend, ‘Simon Janszen met eszet.’
De Cock liet zich in zijn stoel achter zijn bureau zakken en keek de pseudo-taxichauffeur onderzoekend aan. Zijn scherpe blik gleed over het donkerblonde, reeds grijzende haar, het korte voorhoofd en de kleine groene ogen in het doorgroefde gelaat. De trekken van de man waren hem niet onsympathiek. Om de mond van de grijze speurder dartelde een innemend lachje. ‘Dit is de tweede maal dat wij elkaar ontmoeten,’ opende hij vriendelijk. ‘Alleen zijn de omstandigheden niet geheel dezelfde.’ Hij maakte een verontschuldigend gebaartje. ‘Het was natuurlijk dom om bij George Brisbane in te breken. Sinds de moord op dat vrouwtje,’ loog hij met overtuiging, ‘houden wij de flat van die Engelsman voortdurend in het oog. We willen graag weten welke bezoekers er komen… genode en ongenode gasten. Wij zagen u komen… we zagen u bellen aan het lichtmetalen tableau… en we zagen u de trap op gaan naar de flat.’ De Cock pauzeerde even en wees naar de kaartenbak voor zich op zijn bureau. ‘Heer Janszen… was dat zo begerenswaardig?’ De pseudo-taxichauffeur kneep zijn lippen opeen.
‘Ik begrijp u niet. Ik weet niets van een vrouwtje af. Ik weet niet waarover u praat.’
De Cock maakte kleine tutgeluidjes.
‘Kom, kom. Ik spreek geen wartaal. U weet heel goed waarover ik praat.’ Hij wees opnieuw naar de houten bak op zijn bureau. ‘En u kent de betekenis van deze kaarten heel goed.’ Simon Janszen schudde zijn hoofd.
‘Ik weet niet wat die kaarten betekenen… waarvoor ze dienen. Ik heb alleen de opdracht gekregen om ze uit die flat te halen.’ De Cock hield zijn hoofd iets scheef.
‘Opdracht… van wie?’
Simon Janszen leunde in zijn stoel achterover.
‘Dat zeg ik u niet.’
Het klonk halsstarrig.
De Cock boog zich iets naar hem toe.
‘Ach,’ sprak hij vriendelijk, ‘het is allemaal niet zo moeilijk. Als employé van European Technics…’ Hij maakte zijn zin niet af, maar wachtte op het effect.
‘Wat wilt u daarmee zeggen?’
De Cock boog zich nog verder naar hem toe.
‘Dat de opdracht om die kaartenbak uit de flat van Brisbane te halen kwam van uw eigen directeur… de heer Grubbenvorst… voor wie u blijkbaar vaker min of meer vertrouwelijke opdrachten uitvoert.’
Simon Janszen keek hem uitdagend aan.
‘Zoals?’
De Cock plukte even aan zijn onderlip. Hij trof in de man een onverzettelijkheid, die hij niet had verwacht.
Hij strekte zijn wijsvinger naar hem uit.
‘Wat deed u op het Stationsplein die avond toen dat meisje werd neergeslagen?’
‘Dat heb ik u verteld.’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘U presenteerde zich als taxichauffeur. Maar dat bent u niet. Dat was een leugen. Ik herhaal: Wat deed u die avond op het Stationsplein?’
Simon Janszen trok zijn rug recht.
‘Ik behoef u niet te antwoorden. Ik heb het recht om te zwijgen.’ Hij draaide zich naar de oude rechercheur toe. Zijn kleine groene ogen lichtten even fel op. ‘Heb ik het recht om te zwijgen?’
Het duurde seconden voor De Cock reageerde. Toen knikte hij onwillig. ‘U hebt,’ verzuchtte hij, ‘het recht om te zwijgen.’ Op zijn bureau rinkelde de telefoon.
Vledder nam de hoorn op en luisterde. Zijn gezicht betrok. Met een berustend gebaar legde hij de hoorn op het toestel terug. De Cock keek hem gespannen aan. ‘Wie was dat?’
‘Beneden… de wachtcommandant.’
‘En?’
‘Of wij samen nog even op pad willen. Hij heeft voorlopig niemand anders.’
‘Wat is er dan?’
Vledder maakte een hulpeloos gebaartje.
‘Op de De Ruijterkade achter het Centraal Station is een man neergeschoten.’
Met Simon Janszen tussen hen in liepen Vledder en De Cock de trap af. In de hal, voor de balie van de wachtcommandant, bleven ze staan.
Jan Kusters kwam op hen toe.
‘Gaan jullie naar die neergeschoten man? Ik heb de Geneeskundige Dienst al gewaarschuwd.’
De Cock knikte en duimde naar Simon Janszen.
‘Dan moet je hem even voor mij bewaren.’
‘Insluiten?’
De grijze speurder schudde zijn hoofd.
‘Nog niet,’ weerde hij af. ‘Zet hem maar zolang in het dagverblijf. Als ik terugkom wil ik nog even met hem praten.’ Simon Janszen blikte met een kwaad gezicht naar hem op. ‘Dat kun je vergeten… ik praat niet.’
De Cock glimlachte fijntjes.
‘Straks wel,’ sprak hij beslist. ‘Dan nemen wij samen de inhoud van die door jou zo felbegeerde kaartenbak door. Wie weet welke verrassingen die bak nog voor ons in petto heeft.’ Simon Janszen bromde. Jan Kusters kwam vanachter de balie vandaan en leidde hem weg.
De beide rechercheurs stapten haastig het bureau uit en liepen in de richting van de Nieuwebrugsteeg. Vledder keek De Cock van terzijde aan.
‘Verwacht je werkelijk dat Simon Janszen straks gaat praten?’ De Cock maakte een schouderbeweging.
‘Dat is moeilijk te voorspellen. Ik wil het in ieder geval proberen.’
Vledder zuchtte.
‘Men zal hem terdege hebben ingeprent dat hij onder alle omstandigheden tegen ons zijn mond moet houden.’
De Cock knikte traag.
‘Maar Simon Janszen is geen man, die zich onder alle omstandigheden aan zijn opdrachten houdt. Dat heb je gezien aan zijn reactie toen Sandra Verloop werd neergeslagen.’
‘Je bedoelt dat hij haar naar het ziekenhuis bracht, zonder zijn werk af te maken.’
‘Precies. Wat dat werk ook geweest moge zijn.’
Een tijdje liepen ze zwijgend naast elkaar voort. De felle wind was iets gaan liggen, maar het regende nog steeds.
Vledder grinnikte.
‘Ik vond het verhaal dat je aan Simon Janszen opdiste, gewoon schitterend. Ik denk dat hij oprecht gelooft dat wij hem zo snel konden pakken, omdat wij na de moord op Mareille de flat voortdurend in het oog hielden.’
De Cock grijnsde.
‘Dat moet ook. Ik kon hem toch moeilijk openbaren dat wij in de slaapkamer naast zijn voeten onder het lits-jumeaux lagen.’ Vledder wreef over zijn nat gezicht.
‘Straks komt George Brisbane vol whisky thuis en vindt een opengebroken deur.’
De Cock knikte traag voor zich uit.
‘Ik ben benieuwd hoe dat uitpakt… welke consequenties dat heeft.’
‘Voor wie?’
‘Voor ons… voor ons onderzoek. George Brisbane zal onmiddellijk zijn kostbare kaartenbak missen en nadenken… nadenken wie er zo’n intense belangstelling voor zijn aantekeningen had… en waarom?’
‘Wat kan hij doen?’
‘Niet veel. Ik denk ook niet dat hij van de inbraak aangifte komt doen.’
Vledder reageerde verrast.
‘Wat gebeurt er dan met Simon Janszen. Zonder een aangifte moeten we hem laten gaan.’
De Cock bromde.
‘Voorlopig hebben we het recht om hem zes uur vast te houden. En de nachtelijke uren tellen niet mee.’
Vanuit de Nieuwebrugsteeg liepen ze over de brug naar het Damrak en vandaar naar het Stationsplein. Het lag er verlaten bij. Het gure natte weer hield de mensen van de straat. Ze stapten de warme hal van het Centraal Station binnen en liepen langs de opgangen tot de perrons naar de achterzijde. Tussen de deuren naar de De Ruijterkade stond een jonge agent. Toen hij de oude rechercheur in het oog kreeg, liep hij op hem toe.
‘De Geneeskundige Dienst is er nog niet.’
‘Waar is het slachtoffer?’
De agent duimde over zijn schouder.
‘Ik heb hem met zijn rug tegen de muur onder de overkapping gelegd. Ik wilde hem niet in die smerige regen laten liggen.’‘Is hij dood?’
‘Toen ik bij hem kwam, leefde hij nog… even maar… toen blies hij zijn laatste adem uit.’
‘Heeft hij nog wat gezegd?’
‘Nee.’
‘Heb je getuigen?’
De jonge agent schudde bedroefd zijn hoofd.
‘Ik was in de hal om de spoorwegpolitie te assisteren. Ze hadden moeilijkheden met een junk. Terwijl ik daarmee bezig was, kwam er een man naar mij toe en zei mij dat hij achter het station op de De Ruijterkade enkele schoten had gehoord. Ik ben er onmiddellijk heen gegaan. Toen ik op de De Ruijterkade kwam, zag ik op het trottoir een man wankelen. Voor ik bij hem was, viel hij op de straat.’
De Cock knikte begrijpend en de jonge agent liep voor hem uit de kade op.
Scheef weggezakt, met zijn rug tegen de muur van het Centraal Station, zat een man. Zijn voeten staken in de regen. De Cock trok zijn broekspijpen iets op en knielde bij hem neer. Ineens voelde hij hoe het bloed uit zijn gezicht wegtrok.
Vledder zag het en knielde naast hem.
‘Wat is er?’ vroeg hij bezorgd.
De grijze speurder ademde diep. Met een wit vertrokken gezicht pakte hij de linkerhand van de dode en hield die omhoog. Vledder hijgde.
‘De tatoeage.’
De Cock legde de hand terug.
‘Mijn mysterieuze lifter.’