Toen De Cock de volgende morgen na een verkwikkende nachtrust rond halftien opgewekt de grote recherchekamer binnenstapte, trof hij Vledder achter zijn elektronische schrijfmachine. Uitdagend, zijn benen iets uit elkaar, bleef de oude rechercheur zwijgend naast het bureau van de jonge rechercheur staan.
Vledder liet zijn rappe vingers even rusten.
'Wat is er?' vroeg hij verstoord.
'Ik mis jouw opmerking, dat ik te laat ben.'
Vledder keek hem misprijzend aan.
'Ik begin eraan te wennen,' sprak hij gelaten. 'Mijn opmerkingen helpen toch niet. Je bent onverbeterlijk… in elk opzicht.'
De Cock grijnsde breed.
'En dat wil ik blijven.'
Vledder duimde over zijn schouder.
'Commissaris Buitendam heeft al een paar maal naar je gevraagd.'
De jonge rechercheur grinnikte.
'Ook hij zal aan jouw variabele werktijden moeten wennen.'
De Cock grinnikte.
'Ik denk, dat hij tot aan zijn pensionering niet aan mij gewend raakt.'
'En daarna?'
De Cock plukte aan zijn neus.
'Hoop ik,' gniffelde hij, 'dat hij dierbare herinneringen aan mij bewaart.'
Vledder snoof.
'Dat kan ik mij nauwelijks voorstellen.'
De Cock wees naar de telefoon.
'Bel straks even met de recherche in Huizen… vraag of ze al enige vorderingen hebben gemaakt inzake hun onderzoek naar de moord op Hannelore de Brunetière… zeg hen, dat wij door de moord op psychiater Adriaan de Leeuw in Amsterdam belangstelling voor hun
zaak hebben gekregen.'
'Zal ik hen de relaties vertellen, zoals wij die zien… beiden gedood door een nekschot en de mogelijkheid… of de zekerheid, dat Hannelore de Brunetière een patiënt was van psychiater De Leeuw?'
De Cock knikte.
'Dat lijkt mij zinvol.'
'Zal ik hen ook het verhaal vertellen, dat Lilian Gottlieb ons gisteravond deed?'
De Cock tuitte zijn lippen.
'Men zal bij de recherche in Huizen inmiddels wel weten, dat zij haar zwager Jean-Pierre van moord verdenkt. De vraag is of men tijdens het onderzoek enige grond voor die verdenking heeft gevonden. Informeer eens. Wellicht dat de recherche in Huizen aanwijzingen heeft, die wij niet kennen. Dat verhaal van Lilian Gottlieb gisteravond zat vol luchtgaten. Ik was er niet kapot van.'
Vledder grinnikte.
'En dat liet je haar merken.'
De Cock trok zijn gezicht strak.
'Ik geloof in vrouwelijke intuïtie. Ik heb er ook altijd rekening mee gehouden, maar er zijn grenzen.'
'Zoals bij Lilian Gottlieb.'
De Cock negeerde de opmerking.
'Vraag of men er in Huizen bezwaar tegen heeft, dat wij Jean-Pierre de Brunetière verhoren. En wat mogelijk die bezwaren zijn. Ik wil hem niet zonder hun voorkennis benaderen.'
'Wil je zo'n verhoor vandaag nog doen?'
De Cock knikte.
'Zo gauw mogelijk.'
'En als de recherche in Huizen geen overwegende bezwaren heeft, zal ik dan met die Jean-Pierre de Brunetière een afspraak maken… zeggen dat wij komen?'
De Cock schudde zijn hoofd.
'Ik houd van verrassingen.'
De oude rechercheur liep van Vledder weg en hing zijn regenjas en hoedje aan de kapstok.
'Zat hem iets dwars?' riep hij van een afstand.
'Wie?'
'Buitendam.'
Vledder trok zijn schouders op.
'Hij leek mij niet uit zijn humeur.'
De jonge rechercheur stak waarschuwend zijn rechterwijsvinger omhoog. 'En verander daar nu eens niets aan.'
Commissaris Buitendam zwaaide joviaal ter begroeting.
'Ik zal niet aan je vragen,' sprak hij geaffecteerd, 'of je wilt gaan zitten, dat zoek je zelf maar uit.'
De Cock glimlachte.
'Ik blijf liever staan.'
'Zoals je wilt.'
De Cock boog zich iets naar voren.
'Ik hoorde van collega Vledder,' sprak hij beminnelijk, 'dat u belangstelling voor mij had.'
Commissaris Buitendam schudde zijn hoofd.
'Niet in de persoon De Cock,' corrigeerde hij, 'maar in jouw functie als rechercheur, belast met het onderzoek naar de moord op psychiater De Leeuw.'
De Cock liet zijn hoofd iets zakken.
'Daar was ik al bang voor,' sprak hij bedroefd.
Commissaris Buitendam wuifde de opmerking weg.
'Ik heb je enige dagen geleden al gemeld,' ging hij onverstoord verder, 'dat ook de BVD belangstelling voor die affaire heeft. Mij bereikte het verzoek om de resultaten van jouw onderzoek aan de BVD over te dragen.'
De Cocks gezicht betrok.
'In ruil waarvoor?'
Buitendam reageerde verrast.
'In ruil waarvoor?' herhaalde hij.
De Cock knikte.
'Voor wat, hoort wat.'
'Ik begrijp je niet.'
De Cock grijnsde.
'Krijg ik de beschikking over de resultaten van hun onderzoek?'
Commissaris Buitendam schudde zijn hoofd.
'Dat is niet gebruikelijk.'
De Cock spreidde zijn handen.
'De BVD zal de beide ministers die bij psychiater De Leeuw in behandeling waren, inmiddels hebben verhoord. Ik wil de inhoud van die verhoren kennen.'
Commissaris Buitendam slikte.
'Dat is staatsgeheim,' riep hij verontwaardigd. 'Een puur staatsgeheim. Onmiddellijk na het bekend worden van de dood van de psychiater werd het mevrouw De Leeuw verboden om… aan wie dan ook… inlichtingen over de behandeling van de twee ministers te geven. Inmiddels heeft ze de betreffende dossiers ook aan de BVD ter beschikking gesteld.'
De Cock veinsde verwondering.
'En dat wist u?'
Commissaris Buitendam knikte.
'Daarover is met mij overleg gepleegd.'
De Cock toonde verwarring.
'En mij laat u daarbuiten?'
Commissaris Buitendam verschoof iets op zijn stoel.
'Ik achtte het niet relevant.'
De Cock schudde bedroefd zijn hoofd.
'In wat voor een sfeer,' verzuchtte hij, 'moet ik aan dit bureau mijn werk als rechercheur doen… met aan het hoofd een commissaris, die in een onderzoek inzake moord buitengewoon belangrijke informatie… als niet- relevant… voor mij achterhoudt?'
Buitendam kwam uit zijn stoel overeind. Op zijn wangen lagen rode blosjes. Zijn neusvleugels trilden. Wild strekte hij zijn rechterhand naar de deur.
'Eruit.'
De Cock ging.
De beide rechercheurs reden met hun Golf vanaf de steiger achter het politiebureau naar de rijbaan van het Damrak.
Vledder blikte gnuivend opzij.
'Ik zie aan je gezicht, dat het weer fout ging.' 'Ja.'
'Wat was er nu weer?'
De Cock wreef met zijn hand langs zijn nek.
'Hem-bereikte-het-verzoek,' imiteerde hij de geaffecteerde spraak van commissaris Buitendam, 'om-de-resultaten-van-ons-onderzoek- aan-de-BVD-over-te-dragen.'
Vledder trok zijn schouders op.
'Wat is daarop tegen?'
De Cock schudde zijn hoofd.
'Niets. En ik kan dat op den duur ook niet tegenhouden. Ik wilde alleen niet aan Buitendam bekennen, dat wij in feite nog geen enkel resultaat hebben geboekt, daarom vroeg ik om een contraprestatie.'
Vledder keek hem niet-begrijpend aan.
'Dat is?'
De Cock gebaarde voor zich uit.
'Ik ben er van overtuigd, dat de BVD de beide ministers die bij psychiater De Leeuw in behandeling waren, inmiddels heeft verhoord. Ik vroeg aan commissaris Buitendam in ruil voor onze informatie een afschrift van die beide verhoren.'
Vledder lachte vrijuit. Het idee amuseerde hem.
'Toen werd hij woest?'
De Cock schudde zijn hoofd.
'Niet direct. Hij stuurde mij pas zijn kamer af toen ik hem kwalijk nam, dat hij mij niet had ingelicht omtrent het feit, dat het aan mevrouw De Leeuw verboden was om aan ons inlichtingen over de betreffende ministers te verschaffen.'
'Dat is gebeurd?' 'Ja.'
'Denk jij dat er in de verhoren van de beide ministers iets staat wat ons zou kunnen helpen?'
De Cock trok een bedenkelijk gezicht.
'Alles staat of valt bij het motief. Als psychiater De Leeuw omwille van een staatsgeheim om het leven werd gebracht, dan zou de moord… naar mijn gevoel… een meer professioneel karakter hebben gehad.'
'Is een nekschot niet professioneel?'
De Cock bewoog iets op zijn stoel.
'Absoluut dodelijk,' antwoordde hij licht geprikkeld. 'Maar het vergt een bijna persoonlijke benadering. Bedenk, dat de moordenaar een tijdje in de nabijheid van zijn slachtoffer
heeft vertoefd.'
Vledder keek hem verbaasd aan.
'Hoe kom je daarbij?'
De Cock zuchtte.
'De moordenaar heeft De Leeuw,' legde hij geduldig uit, 'gedwongen of verlokt om zijn huis te verlaten en naar de walkant te gaan. Eerst daarna werd de psychiater met een nekschot omgebracht. Dat vergt tijd en risico's. Een professionele moordenaar zal zich zoveel risico's en tijd niet gunnen.'
De oude rechercheur leunde achterover.
'Wat zei men in Huizen?' veranderde hij van onderwerp.
Vledder bracht de Golf op de Prins Hendrikkade voor een rood stoplicht tot stilstand.
'Men kent het vermoeden van Lilian Kusters, en Jean-Pierre de Brunetière heeft geen sluitend alibi. Zijn vrouw Hannelore werd 's morgens door een vroege wandelaar, die zijn hond uitliet, op een zandpad bij een oude boerderij gevonden. De wandelaar zag dat hulp niet meer baatte. Hij liet het lijk onaangeroerd en deed persoonlijk melding van zijn vondst bij de politie. Op dat moment zat daar in het politiebureau van Huizen, opgewonden, schaars gekleed, ongeschoren en ongewassen,
Jean Pierre de Brunetière en meldde de vermissing van zijn echtgenote.'
'Zo snel al?'
'Hoe bedoel je?'
'Hij moet dan vrijwel onmiddellijk na de vermissing naar de politie zijn gehold.'
Vledder maakte een verontschuldigend gebaar.
'Ik heb niet gevraagd hoeveel tijd ertussen zat.'
'Heeft men hem als verdachte gekenmerkt?'
Vledder schudde zijn hoofd.
'Daar was volgens de recherche in Huizen geen directe aanleiding toe. Ook een uitgebreid buurtonderzoek bracht geen aanwijzingen om hem als verdachte aan te merken. Het huwelijk tussen Jean-Pierre en zijn echtgenote gold als harmonisch.'
Het licht sprong op groen en Vledder reed verder. 'Dat wij een verband zagen,' ging hij verder, 'tussen de dood van Hannelore en de moord op psychiater Adriaan de Leeuw in Amsterdam, vond men in Huizen een interessante ontwikkeling.'
De Cock fronste zijn wenkbrauwen.
'Men wist niet, dat zij bij psychiater De
Leeuw in behandeling was?'
'Blijkbaar niet. Men heeft daar niet op gezinspeeld en ik heb dat onderwerp niet aangeroerd. In ieder geval had men er geen enkel bezwaar tegen, dat wij Jean-Pierre de Brunetière over het verscheiden van zijn echtgenote verhoorden… onder voorwaarde dat…'
'… wij hen,' vulde De Cock glimlachend aan, 'op de hoogte zouden brengen van de resultaten van dat verhoor.'
Vledder knikte. Zijn gezicht stond ernstig.
'Ik heb wel naar de weersgesteldheid gevraagd.'
'Op het moment van de moord?'
Vledder knikte opnieuw.
'Er was maanlicht… onversluierd… de gehele avond en nacht.'
Ze reden met hun Golf in Huizen over de Nieuwe Bussummerweg. Er viel een lichte motregen, die tegen de voorruit kleefde en het herfstlandschap om hen heen versomberde. Vledder gebaarde voor zich uit.
'Daar verderop is 1013. Rijden we tot voor de deur?'
De Cock schudde zijn hoofd.
'Zoek ergens een plaatsje om te parkeren. Ik benader een huis het liefst te voet.'
Toen Vledder de wagen op een stille plek tot stilstand had gebracht, stapten beiden uit en slenterden naar de oprijlaan. Het grove grind knarste onder hun schoenzolen.
De jonge rechercheur blikte om zich heen.
'Heer De Brunetière,' sprak hij bewonderend, 'heeft een aardig optrekje.'
De Cock reageerde niet. Voor de indrukwekkende toegangsdeur met zes zware panelen in donker merbau bleef hij staan. Rechts naast de deur was aan de witstenen gevel een groot geelkoperen schild aangebracht met daarin in zwarte, diep verzonken letters: JEAN-PIERRE DE BRUNETIERE, PROJECTONTWIKKELAAR.
De Cock drukte op een bouton onder het geelkoperen naambord. In het inwendige van de villa galmde een gong.
Het duurde ruim twee minuten. Toen werd de zware deur geopend door een lange slanke man, gekleed in een donkerblauwe kamerjas met links, op borsthoogte, een goudkleurig monogram.
De oude rechercheur lichtte beleefd zijn hoedje.
'Mijn naam is De Cock,' sprak hij vriendelijk. 'De Cock met ceeooceekaa.' Hij duimde opzij. 'En dat is mijn collega Vledder. Wij zijn beiden rechercheur van politie, verbonden aan het politiebureau aan de Warmoesstraat in Amsterdam.'
Om de smalle lippen van de man danste een glimlach. Hij deed de deur verder open en gebaarde uitnodigend.
'Komt u binnen.'
Met Vledder in zijn kielzog liep De Cock aan de man voorbij en keek toe hoe hij de deur achter zich sloot.
'U bent Jean Pierre de Brunetière?'
De man knikte.
'Rechercheur De Cock… ik had u verwacht.'
De oude rechercheur toonde verbazing.
'Wij hadden ons niet aangekondigd.'
De man glimlachte opnieuw.
'Een vrouw had mij gewaarschuwd en gezegd dat zij u op mij zou afsturen.'
'Een vrouw?'
Jean-Pierre de Brunetière knikte.
'Lilian Kusters.'
'Uw schoonzuster.'
Jean-Pierre de Brunetière trok zijn schouders op.
'Ik was mij van haar bestaan niet bewust…
tot zij enkele dagen na de tragische dood van mijn echtgenote bij mij op de stoep stond en zich presenteerde als een zuster van mijn vrouw.'
'U had haar voordien nooit ontmoet?'
Jean-Pierre de Brunetière schudde zijn hoofd en ging de beide rechercheurs vanuit de hal voor naar een groot rechthoekig vertrek met donkere balken aan de zoldering. Ongeveer in het midden, rond een imposante schouw, stonden drie diepe, lederen fauteuils en twee middeleeuwse zetels met een hoge rugleuning.
'Neemt u plaats.'
De Cock wachtte tot Jean-Pierre de Brunetière zich in een van de fauteuils had laten zakken en nam toen tegenover hem plaats. Zijn oude hoedje legde hij naast zich op de verwarmde plavuizen vloer.
'Wij condoleren u,' sprak hij vormelijk, 'met het verlies van uw vrouw. Om misverstanden te voorkomen… onze interesse in het tragische verscheiden van uw echtgenote is geen vervolg op hetgeen Lilian Kusters ons verklaarde, maar komt voort uit ons onderzoek naar de dood van psychiater De Leeuw.'
Jean-Pierre de Brunetière knikte begrijpend.
'Hannelore was bij hem onder behandeling.'
'Waarvoor?'
Jean-Pierre de Brunetière antwoordde niet direct. Hij staarde naar de zoldering als zocht hij naar een juiste formulering.
Intussen nam De Cock hem nauwkeurig op. De oude rechercheur schatte de man op voor in de veertig. Hij had een olijfkleurige huid en diepzwart glad achterovergekamd haar. Zijn donkere ogen glansden vochtig.
'Het begon een paar maanden geleden,' sprak hij zacht. 'Hannelore werd midden in de nacht gillend wakker. Ze baadde in het zweet en haar ogen stonden groot en angstig. Ik vroeg haar wat er was. Ze zei dat ze had gedroomd… een verschrikkelijke droom over twee mensen, die voor haar ogen werden vermoord. Ik dacht aanvankelijk dat het van voorbijgaande aard was, maar de angstdromen kwamen steeds veelvuldiger terug.'
'Was er een verscheidenheid aan dromen of kwam steeds dezelfde angstdroom terug?'
Jean-Pierre de Brunetière sloot even zijn ogen.
'Ik had het idee, dat het steeds dezelfde droomervaring was. De reacties van Hannelore bij het ontwaken waren ook steeds hetzelfde. In overleg met onze huisarts is zij toen in behandeling gekomen bij psychiater De Leeuw in Amsterdam.'
'Had ze baat bij die behandeling?'
Jean-Pierre de Brunetière knikte traag voor zich uit.
'Hannelore werd wel iets rustiger.'
De Cock stak zijn handen naar voren en drukte de vingertoppen tegen elkaar.
'Hebt u met haar wel eens over de oorzaak van die steeds terugkerende angstdromen gesproken… bestond er een relatie tussen Hannelore en de mensen, die zij voor haar ogen zag vermoorden… kon zij een beschrijving geven van de toedracht?'
Jean-Pierre de Brunetière zuchtte.
'Ik had het idee, dat Hannelore zelf heel goed wist waar die angstdromen vandaan kwamen, maar om onbegrijpelijke redenen hield zij die voor mij verborgen. Ons huwelijk werd er niet beter op. Om niet steeds door haar angstdromen in mijn slaap te worden gestoord, zijn wij gescheiden gaan slapen. Dat is de reden, dat ik haar nachtelijke vlucht uit ons huis aanvankelijk niet heb bemerkt. Toen ik 's morgens haar bed onbeslapen vond en haar nergens in ons huis kon vinden, ben ik naar de politie gehold om haar vermissing te melden. Toen had men haar al gevonden.'
'Vermoord?'
Jean-Pierre de Brunetière knikte. Uit zijn vochtige ogen gleed een traan.
'Afgemaakt met een nekschot.'
De Cock nam een kleine pauze.
'Was Hannelore,' vroeg hij na een poosje, 'lid van de Zoekers van Osiris?'
Jean-Pierre de Brunetière keek hem verwonderd aan.
'Wat is dat?'
'Een sekte.'
Jean-Pierre de Brunetière maakte een weifelend gebaar.
'Niet dat ik weet. Ik bedoel: ik heb nooit gemerkt dat Hannelore lid van iets was.'
'Droeg ze een amulet?'
De mond van Jean-Pierre gleed half open.
'Een amulet,' herhaalde hij toonloos. 'Een amulet. Toen men haar op dat zandpad vermoord vond, droeg ze om haar hals een ketting… een ketting met een amulet. De recherche heeft het ding aan mij gegeven. Ik had het nooit eerder bij haar gezien.'
Jean-Pierre de Brunetière stond uit zijn fauteuil op en liep naar een secretaire tegen de achterwand van het vertrek. Na enkele seconden kwam hij terug en bleef voor De Cock staan.
De oude rechercheur stak zijn rechterhand naar voren. Jean-Pierre de Brunetière liet de amulet met de ketting in de geopende hand glijden.
Naast hem stond Vledder op en boog zich voorover.
'Isis,' hijgde hij, 'het Bloed van Isis.'