14

De Cock voelde zich gespannen. Hij vroeg zich af of hij alles goed had georganiseerd… of in de fuik, die hij had opgezet, niet ergens een zwakke plek zat of een scheur. Wilde hij tot een sluitende bewijsvoering komen, dan mocht er niets misgaan. Bovendien begreep hij nog niet wat er zou gaan gebeuren… hoe het precies in zijn werk ging.

Een moordenaar of moordenares, zo was zijn ervaring, veranderde niet graag zijn of haar vertrouwde werkwijze. Een wurger hanteerde in de regel geen pistool en een gifmengster greep niet naar een stiletto.

De Cock was er vrijwel van overtuigd, dat opnieuw voor een nekschot zou worden gekozen. Dat nekschot had hem aanvankelijk wat problemen bezorgd. Hij had zich afgevraagd of een nekschot zonder hulp van anderen kon worden toegediend. In dat geval was er niet alleen sprake van een moordenaar, maar ook van een mededader. Hij had er misdaadliteratuur op nagelezen en was tot de ontdekking gekomen, dat het zonder hulp kon. Voorwaarde was een vertrouwensrelatie en de daaraan gekoppelde argeloosheid van het slachtoffer. En dat paste in het patroon van de moorden.

Onder enige morele pressie had De Cock van een bevriende hotelhouder voor een avond de beschikking gekregen over een paar kamers in een klein hotel aan de Prins Hendrikkade in Amsterdam, pal bij de ingang van de IJtunnel. Het was voor hem een vertrouwde omgeving. Hij had hetzelfde hotel in het verleden al eens gebruikt voor een gepland rendez-vous dat tot de oplossing van een reeks moorden moest leiden.

Door een verborgen gat in de muur keek hij in de aangrenzende kamer, die baadde in het extra licht dat hij die middag had laten aanbrengen. Mevrouw Montperlier zat op de rand van haar bed en bladerde in een magazine. Ze toonde nog geen tekenen van nervositeit en dat deed de oude speurder goed.

Door de technische dienst had hij in de kamer een paar uiterst gevoelig microfoons laten monteren. En voor het eerst in zijn loopbaan maakte hij gebruik van de audiovisuele dienst met een camcorder.

De enige moeilijkheid was, dat hij mevrouw Montperlier niet volledig kon beschermen. Hij had haar voorzien van een kogelvrij vest met een hoge kraag, die door een wijde mantel werd gecamoufleerd. Meer mogelijkheden had hij niet. Hij vertrouwde op de zekerheid, dat Vledder aan de andere kant van de kamer van mevrouw Montperlier de gebeurtenissen ook kon volgen.

Beneden bij de receptie zat Fred Prins en buiten, nabij de toegangsdeur van het hotel, surveilleerde Appie Keizer. De beide collega-rechercheurs van bureau Warmoesstraat waren onmiddellijk bereid geweest om De Cock in nood weer eens bij te staan.

De oude rechercheur dacht met enige weemoed terug aan vroeger, toen de politie nog niet de beschikking had over moderne communicatiemiddelen. In zijn jonge jaren bij de politie bezat hij als enig redmiddel een politiefluit, met als filosofie dat er binnen gehoorsafstand altijd een diender stond. Het idee bracht een glimlach om zijn lippen.

De Cock schoof de mouw van zijn colbert terug en keek op zijn horloge. Het was vijf voor half negen. Hij had nog ruim een half uur.

Hij verliet zijn kamer en ging de kamer van mevrouw Montperlier binnen.

'U kunt nog terug,' sprak hij vriendelijk. 'U weet dat er risico's zijn.'

Mevrouw Montperlier legde haar magazine naast zich neer.

'Ik doe het voor Hannelore.' Haar stem klonk zacht. 'En zij zou het voor mij hebben gedaan.'

De Cock knikte.

'U kent uw tekst?'

'Die heb ik wel duizendmaal gerepeteerd.'

De Cock stak waarschuwend zijn rechterwijsvinger omhoog.

'En draai haar nooit uw rug toe.'

Mevrouw Montperlier schonk hem een matte glimlach.

'Ik zal eraan denken.'

Hij verliet haar kamer en ging terug naar zijn observatiepost. Hij keek opnieuw op zijn horloge. De minuten vergleden traag.

Via het gat in de muur zag De Cock, dat ook mevrouw Montperlier tekenen van ongerustheid begon te vertonen. Het magazine lag gesloten op het bed. Met kleine pasjes liep ze de kamer op en neer. Haar hoofd gebogen, zodat haar lange blonde haren haar gezicht bedekten. Soms verdween ze even uit zijn gezichtsveld.

Met zijn mobilofoon nam hij contact op met Vledder. De wetenschap dat die haar wel geheel kon volgen, stelde hem gerust.

Appie Keizer meldde zich.

'Ze komt er aan. Gaat nu het hotel binnen. Over.'

De Cock antwoordde niet. Hij wachtte op het bericht van Fred Prins, dat ze de receptie was gepasseerd.

Het duurde een paar seconden.

'Ze is de trap op.'

De Cock voelde hoe de spanning bezit van hem nam. Elke vezel van zijn lijf trilde. Het pulseren van zijn hart golfde in zijn hals.

Door het gat in de muur zag hij haar de kamer van mevrouw Montperlier binnenkomen. De beide vrouwen stonden recht tegenover elkaar.

Mevrouw Montperlier strekte haar rechterarm beschuldigend uit. Haar gezicht zag bleek.

'Jij hebt Hannelore vermoord,' sprak ze duidelijk. 'En je komt nu om mij te doden.'

Een moment leek het alsof het hart van De Cock stilstond. Tot zijn verbijstering draaide mevrouw Montperlier zich om en gebaarde met de wijsvinger van haar rechterhand naar haar nek.

'Toe maar,' schreeuwde ze. 'Je weet toch hoe het moet?'

Verstijfd keek de grijze speurder toe hoe de andere vrouw een revolver uit haar handtasje pakte. De verstijving duurde een fractie van een seconde. Toen stormde hij de kamer uit.

Op de gang, voor hem uit, draafde Vledder. De jonge rechercheur dook naar de voeten van de vrouw. Er volgde een worsteling op de rand van de trap. Voordat De Cock hen had bereikt, rolden beiden naar beneden.

Onder aan de trap bleef de vrouw bewusteloos liggen. Vledder krabbelde overeind. Zijn linkerwenkbrauw was gescheurd en bloedde hevig. Hij wees naar de bewusteloze vrouw. 'Het was op het nippertje. Als ik niet tussenbeide was gekomen, had ze haar vermoord.' De Cock hijgde na. 'Heb je haar herkend?' Vledder knikte. 'Geertruida de Leeuw.' De Cock schudde zijn hoofd. 'Gertrud Gottlieb.'

Загрузка...