3

Op het Stationsplein stapte De Cock uit een overvolle tram, blikte even om zich heen naar mogelijke zakkenrollers en slofte toen in de stroom reizigers naar het brede trottoir van het Damrak.

Het regende niet meer, maar een harde wind deed de vlaggen op de steigers van de rondvaartboten klapperen en de oude bomen aan de walkant boden tevergeefs weerstand om het behoud van hun laatste bladeren.

De oude rechercheur voelde zich fit. Aanvankelijk had hij de slaap niet kunnen vatten. De vreemde dood van de psychiater had zijn gedachten beheerst. Gedreven door een plotselinge ingeving, had hij na enige tijd de telefoon op zijn nachtkastje gegrepen en had hij commissaris Buitendam van de moord verwittigd. Daarna was hij met een gerust gevoel in slaap gesukkeld. Een korte nachtrust had zijn geest verkwikt.

Voor een aanstormende tram van lijn 9 stak hij in een koddige sprint de rijbaan van het Damrak over en keek op de rand van het trottoir hijgend om. Als ik nog eens word doodgereden,' mompelde hij binnensmonds, 'is het door lijn 9.' Hij drong de sombere gedachte terug en wandelde naar de Warmoesstraat.

Toen hij de hal van het politiebureau binnenstapte, wenkte Jan Kusters hem vanachter de balie.

De Cock liep op hem toe en keek hem argwanend aan.

'Nog meer narigheid?'

De wachtcommandant negeerde de opmerking.

'Wees voorzichtig met de moord op die psychiater,' sprak hij ernstig.

De Cock keek hem niet-begrijpend aan.

'Waarom?'

'Die Adriaan de Leeuw was een belangrijk man… belangrijker dan jij misschien vermoedt. Hij had als psychiater zelfs ministers onder behandeling.'

'Hoe weet je dat?'

'Jongens van mijn ploeg hebben dikwijls wagens van belangrijke ministers bij zijn praktijkruimte zien staan.'

De Cock grijnsde.

'Dat verbaast mij niets. Als minister moet men in ons landje wel een beetje een neuroot zijn.'

Jan Kusters trok een verongelijkt gezicht.

'Ik waarschuw je alleen maar.'

De Cock liep van hem weg en besteeg de stenen trappen naar de tweede etage. Nadat hij de deur van de grote recherchekamer achter zich had gesloten, wierp hij zijn hoedje naar de kapstok. Daarna trok hij zijn regenjas uit en raapte zijn hoedje van de grond.

Vledder liet zijn rappe vingers even rusten op het toetsenbord van zijn elektronische schrijfmachine.

'Je bent laat,' riep hij bestraffend. De Cock knikte gelaten. 'Oude mensen,' gniffelde hij, 'hebben veel slaap nodig.'

'De commissaris heeft al naar je gevraagd. Toen ik hier om kwart over achten de recherchekamer binnenstapte, was hij er al… opgewonden, nerveus… vroeg of wij al resultaten hadden geboekt.' 'Waarmee?'

'De moord op die psychiater.' De Cock grinnikte vreugdeloos. 'Die vent is gek.' Vledder knikte gedwee. 'Dat mag je denken… maar zeg het hem niet.'

Commissaris Buitendam, de lange, statige chef van het politiebureau aan de Amsterdamse Warmoesstraat, wenkte met een slanke hand naar de stoel voor zijn bureau.

'Ga zitten, De Cock,' sprak hij geaffecteerd. 'Ik wil met je praten.'

Tegen zijn gewoonte in nam De Cock plaats. Wanneer commissaris Buitendam hem ontbood, bezag hij hem steeds met argwaan. Hij had geen hekel aan zijn commissaris. Dat niet. Zolang de politiechef de gang van zaken ongemoeid liet, was de verhouding zelfs vriendschappelijk te noemen. De botsingen ontstonden wanneer de commissaris, meestal onder druk van de officier van justitie, meende dat het gedrag van De Cock enige correctie behoefde. Eerst dan werd de grijze speurder opstandig en onhandelbaar en soms zelfs onredelijk. De vrijheid om bij onderzoeken naar eigen inzicht te handelen, was hem dierbaar. Elke beknotting van die vrijheid beschouwde hij als een aantasting van zijn persoon, een blaam op zijn kundigheid als rechercheur.

De Cock keek zijn chef achterdochtig aan.

'Waarover?'

Commissaris Buitendam glimlachte beminnelijk.

'De moord op psychiater Adriaan de Leeuw. Ik ben je dankbaar, dat je mij vannacht onmiddellijk hebt ingelicht. Mij bereikten in de loop van de vroege morgen al verontruste berichten.’

'Van wie?'

Buitendam aarzelde.

'Daar kan ik mij niet over uitlaten. In bepaalde Haagse regeringskringen bestaat de vrees, dat de vermoorde psychiater over vertrouwelijke gegevens beschikte, die het landsbelang raken.'

'En?'

Buitendam strekte zijn beide handen.

'Als nu, na zijn dood, die gegevens openbaar worden, kan dat verstrekkende gevolgen hebben.'

De Cock veinsde onbegrip.

'Voor wie?'

Commissaris Buitendam gebaarde voor zich uit.

'Voor de posities van bepaalde ministers in het kabinet. Er bestaat een redelijk vermoeden dat de psychiater omwille van die vertrouwelijke gegevens werd vermoord… dat ze door die geweldsdaad in het bezit zijn gekomen van lieden, groeperingen, die er mogelijk misbruik van zullen maken.'

De Cock knikte.

'Met die mogelijkheid zullen Vledder en ik rekening houden.'

Buitendam kuchte.

'Er is besloten dat bij het onderzoek naar de moord op de psychiater De Leeuw leden van de BVD, de Binnenlandse Veiligheids Dienst, worden ingeschakeld.'

De Cock sprong van zijn stoel op.

'De BeeVeeDee?' Het was alsof hij een vies woord uitsprak.

Commissaris Buitendam knikte traag.

'De BeeVeeDee.'

De Cock keek hem verbijsterd aan.

'En daarin hebt u toegestemd?'

Commissaris Buitendam maakte een afwerend gebaar.

'Ik… eh,' antwoordde hij weifelend, 'ik had geen motieven om dat tegen te gaan.'

De Cock snoof.

'Als de BeeVeeDee mij voor mijn voeten loopt,' riep hij woedend, 'ga ik schoppen.' De oude rechercheur ademde diep. 'En als u geen motieven kent om de BeeVeeDee buiten mijn onderzoek te houden, dan vind ik ze wel.'

Commissaris Buitendam strekte zijn rug.

'Ik,' riep hij getergd, 'ik bepaal hoe het onderzoek naar de dood van de psychiater zal verlopen. En wie daaraan deelnemen.'

De Cock schudde zijn hoofd.

'Zolang ik als rechercheur aan de Warmoesstraat ben verbonden, hebt u dat nooit gedaan. Terecht. Daarvoor mist u ook de benodigde kwaliteiten.'

Commissaris Buitendam kwam van zijn stoel overeind. Zijn gezicht en nek zagen vuurrood. Zijn lippen trilden en zijn ogen flikkerden kwaadaardig. Hij strekte zijn rechterarm naar de deur.

'Eruit.'

De Cock ging.

Vledder reageerde verbaasd.

'Waarom de BeeVeeDee?'

De Cock maakte een hulpeloos gebaar.

'Vanwege die ministers die de psychiater bezochten. In Den Haag is men nu bang dat die ministers tijdens de behandeling… bewust of onbewust… geheime staatszaken hebben onthuld.'

Vledder duimde over zijn schouder.

'Die geheimen moeten dan in de dossiers van de psychiater zijn terug te vinden.'

De Cock knikte.

'En mevrouw De Leeuw kent de inhoud van die dossiers. Ik had de commissaris willen voorstellen, dat de BeeVeeDee de bescherming van mevrouw De Leeuw op zich zou nemen en het onderzoek naar de moord aan ons zou overlaten, maar ik kreeg geen kans. Buitendam werd kwaad en stuurde mij zijn kamer af.'

'Nadat jij hem had getergd.'

De Cock reageerde niet.

Vledder spreidde zijn handen.

'De BeeVeeDee kan toch heel simpel alle dossiers van de psychiater onder zich nemen?'

De Cock schudde zijn hoofd.

'Daar voel ik niet veel voor,' antwoordde hij geprikkeld. 'Als het motief voor de moord op psychiater De Leeuw bij een andere patiënt ligt… geen minister met geheimen… dan kom ik daar later nooit meer achter. De BeeVeeDee geeft geen gegevens prijs.'

De oude rechercheur zuchtte.

'Ik ga straks nog eens praten met Buitendam… als zijn woede is bekoeld. Het lijkt mij het beste, dat de BeeVeeDee alleen de dossiers van de betrokken ministers uit de administratie van de psychiater verwijdert. Als die er nog zijn.'

'Hoe bedoel je?'

De Cock grijnsde.

'Als psychiater Adriaan de Leeuw omwille van bepaalde staatsgeheimen werd vermoord, dan zijn de dossiers van de betrokken ministers nu in handen van de moordenaar… of van zijn opdrachtgever.'

Vledder keek hem niet-begrijpend aan.

'Ik zie geen problemen,' sprak hij achteloos. 'We kunnen toch gewoon mevrouw De Leeuw bellen en haar vragen of de dossiers van de ministers er nog zijn? Dan weten we of de dood van de psychiater mogelijk verband houdt met onthullende staatsgeheimen.'

Het klonk sarcastisch.

De Cock gebaarde naar de telefoon.

'Probeer het eens.'

Vledder plukte uit de binnenzak van zijn colbert een notitieboek en draaide het telefoonnummer. De Cock beluisterde hoe zijn jonge collega het gesprek met mevrouw De Leeuw voorzichtig inleidde. Al na enkele seconden legde Vledder de hoorn met een somber gezicht op het toestel terug.

De oude rechercheur keek hem vragend aan.

'En?'

Zijn jonge collega maakte een grimas.

'Ze zegt, dat haar man geen ministers onder zijn patiënten had.'

De Cock glimlachte fijntjes.

'Ik had dat antwoord verwacht.'

'Waarom?'

'Beroepsethiek… voor een psychiater is de privacy van zijn patiënten onschendbaar. Ik wist vrijwel zeker, dat mevrouw De Leeuw zich daaraan… ook na de dood van haar man… zou houden.'

'En als de BeeVeeDee de dossiers opeist?'

De Cock glimlachte.

'De ethiek van de BeeVeeDee is de onze niet.'

'Je bedoelt?'

'Zij zullen zich niet om de bezwaren van mevrouw De Leeuw bekommeren.'

Vledder verzonk in gepeins.

'We zitten weer midden in een wespennest,' verzuchtte hij na een poosje. 'Waarom raken wij altijd in van die bizarre zaken verwikkeld?'

De Cock reageerde niet.

'Hoe laat is de sectie?'

'Vanmiddag om twee uur. Dokter Rusteloos was vanmorgen bezet.'

De jonge rechercheur keek op. 'Verwacht je er iets van?'

De Cock schudde zijn hoofd.

'De medulla oblongata, het verlengde merg, is door het schot verwoest. Een vrijwel onmiddellijke dood.'

De oude rechercheur streek met zijn pink over de rug van zijn neus.

'Jaren geleden vroeg ik tijdens een sectie eens aan dokter Sluijter, de patholoog-anatoom die in verband met vakanties dokter Rusteloos verving, waar volgens hem de ziel van de overledene had gehuisd. Hij wees toen naar het verlengde merg… volgens hem het meest vitale lichaamsdeel van de mens. Het was voor mij een…'

De Cock stokte. Er werd op de deur van de recherchekamer geklopt en Vledder riep: 'Binnen.'

De deur ging langzaam open en in de deuropening verscheen een lange, magere man met een scherp, hoekig gelaat. De Cock schatte hem op achter in de dertig. Hij droeg een zwarte regenjas, waaronder een strook van een wit gewaad stak. In een trage tred kwam hij naderbij en bleef voor het bureau van De Cock staan. De oude rechercheur kwam uit zijn stoel overeind.

'U bent,' sprak de man plechtig, 'de overheidsdienaar die de overgang van onze broeder Adriaan de Leeuw begeleidt?'

De oude rechercheur keek de man onbewogen aan.

'Ik ben rechercheur De Cock, met eh, met ceeooceekaa.' Hij gebaarde voor zich uit. 'En dat is mijn jonge collega Vledder. Wij begeleiden niet de… eh, de overgang van de heer De Leeuw, maar behandelen de moord, die op hem is gepleegd.'

De man glimlachte zwakjes.

'Laat ik mij aan u voorstellen,' sprak hij vriendelijk. 'Ik ben Cornelis Bervoets, Nederlander van geboorte, maar beter bekend als Mycerius, mijn religieuze naam. Ik ben sinds kort de leider van de Hollandse tak van de Zoekers van Osiris.'

'Ik dacht dat Christiaan Schoten de sekte leidde?'

'Die resideert nu in Zwitserland.'

De Cock gebaarde naar de stoel naast zijn bureau.

'Gaat u zitten.'

Cornelis Bervoets knoopte zijn regenjas los. Traag, met precieze bewegingen. De prachtige brede ceintuur en de strakke ronde kraag van zijn gewaad, beide getooid met fonkelende edelstenen, werden zichtbaar. De sekteleider trok de panden van zijn regenjas van zijn zitvlak en nam plaats.

'Broeder Mentoehotep,' begon hij zalvend, 'droeg tijdens het moment van zijn overgang het Isisbloed. Ik wil u vriendelijk verzoeken om…'

De Cock liet zich weer in de stoel achter zijn bureau zakken en onderbrak hem.

'Wie is broeder Men-toe-ho-tep?'

Cornelis Bervoets glimlachte opnieuw.

'De heer Adriaan de Leeuw werd bij ons gedoopt tot broeder Mentoehotep, de vernieuwer.'

'De vernieuwer?

Cornelis Bervoets knikte.

'De naam Mentoehotep is zeer toepasselijk. Hij bracht nieuw licht in vele dwalende, duistere, zieke en verstoorde hersenen.'

'Hij was psychiater.'

De sekteleider bracht zijn beide handen naar voren en drukte zijn vingertoppen tegen elkaar. Onverstoord ging hij verder.

'Bij zijn doop hebben wij Mentoehotep met het Isisbloed omhangen. "Uw bloed behoort u toe, o, Isis." Ik wil hem het Isisbloed teruggeven.'

'De amulet?'

Cornelis Bervoets leek zichtbaar ontdaan.

'Amulet… een profaan woord voor zoiets heiligs als het Isisbloed.'

De Cock grinnikte vreugdeloos.

'Dat ding hangt om zijn dode nek in het sectielokaal op Westgaarde. Hij heeft het dus al. Hoe wilt u het hem dan teruggeven?'

Cornelis Bervoets schonk hem een meelijwekkend lachje, en beantwoordde de vraag niet direct.

'Mentoehotep is niet dood.'

De Cock kon een glimlach niet onderdrukken.

'Onze lijkschouwer dacht daar anders over.'

Cornelis Bervoets schudde zijn hoofd.

'De dood is niet absoluut… geen einde, maar een nieuw begin. Leven komt voort uit de dood.'

De sekteleider kwam van zijn stoel overeind. Hij strekte zijn armen in een weids gebaar.

'Sta op, verhef u, Osiris!'

Zijn stem galmde langs de kale wanden van de grote recherchekamer.

'Zie, ik — uw lijfelijke zoon Horus — ben gekomen om u het leven terug te geven, om uw beenderen te verzamelen en uw ledematen aaneen te voegen. Ik ben Horus, die zijn vader vormt, uw zoon en wreker, die u met zijn oog tot het bestaan terugroept. Horus opent u de mond! Hij geeft u ogen om te zien, oren om te horen, voeten om te lopen, handen om te doen.'

Cornelis Bervoets zakte op zijn stoel terug. Zijn toespraak had hem zichtbaar vermoeid.

'Zoekers van Osiris,' verzuchtte hij, 'sterven niet.'

De Cock knikte begrijpend.

'Ze vernieuwen.'

Cornelis Bervoets keek hem dankbaar aan.

'Ieder mens kan zijn Ka… zijn persoonlijkheidsaspect, dat hem of haar tijdelijk heeft verlaten, hervinden en vernieuwen. Daarvoor is sterven niet noodzakelijk. Door meditatie is een verloren Ka terug te winnen.'

'Daarvoor dient uw tempel op de Prinsengracht.'

Cornelis Bervoets knikte.

'Een geheiligde plek.'

De sekteleider spreidde opnieuw zijn armen.

'Maar een ultieme loutering geschiedt via het proces dat u "dood" noemt.'

'Zoals bij Adriaan de Leeuw?'

Cornelis Bervoets knikte nadrukkelijk.

'Mentoehotep is niet dood. Hij leeft en wij willen hem weer met het Isisbloed omhangen.'

De sekteleider liet zijn hoofd iets zakken.

'Soms zijn de mensen bang,' sprak hij verdrietig, 'om de vernieuwing zelf tot stand te brengen. Ze hebben een sterk verlangen naar vernieuwing… naar een ultieme loutering, maar vrezen het moment van overgang.'

De Cock keek hem scherp aan.

'En dan?'

Cornelis Bervoets zuchtte.

'Wij bereiden hen voor op dat moment en in voorkomende gevallen reiken wij de helpende hand. Wij dwingen niet. Dat moment van overgang mogen ze zelf kiezen. Telkens bij volle maan. Ter ere van Osiris, die de maan beweegt. Ook de keuze van de totstandkoming ligt bij hen.'

De Cock fronste zijn wenkbrauwen.

'Keuze van totstandkoming… euthanasie?'

'Wat wilt u? Leven zonder Ka is een ondraaglijke kwelling.'

De Cock slikte.

'En de mensen mogen zelf kiezen op welke manier dat gebeurt?'

'Exact.'

'Desnoods met een schot in de nek?'

Cornelis Bervoets knikte traag voor zich uit.

'Desnoods,' herhaalde hij, 'met een schot in de nek.'

Загрузка...