In de hal boog De Cock zich even over de balie en vroeg aan Jan Kusters of hij de meute wilde waarschuwen. De wachtcommandant keek hem verwonderd aan.
'De meute,' vroeg hij verrast, 'is er een moord?'
De Cock knikte. 'Kalkmarkt.'
'Heb je nog assistentie nodig?' De oude rechercheur schudde zijn hoofd én verliet het politiebureau.
Vledder volgde in zijn kielzog. Ze liepen vanuit de Warmoesstraat via de Lange Niezel, de Korte Niezel en de Storm- die bij de behandeling van een moord moeten opdraven
steeg naar de Binnen Bantammerstraat. Felle regen spatte vanaf het asfalt omhoog. De Cock trok de kraag van zijn regenjas tot hoog in zijn nek en schoof zijn oude hoedje ver naar voren. De gedachte aan de wachtende chocolademelk verdween.
De smalle straten in de oude binnenstad waren bijna geheel verlaten.
Het gure, regenachtige weer had de seksbusiness verlamd. Slechts een enkele genotzoeker vond zijn weg naar de Wallen met verveelde, luierende hoertjes, schaars gekleed in etalages vol barmhartig rood licht.
Toen ze vanuit de Binnen Bantammerstraat de Oude Waal op liepen, joeg een harde wind de regen striemend in hun gezicht. De Cock greep beschermend naar zijn hoedje.
Vledder, naast hem, bromde een verwensing en maande De Cock tot een hoger tempo. De grijze speurder keek even verstoord op en volhardde tot ongenoegen van de jonge rechercheur in zijn trage, slome slenterpas.
Op de Kalkmarkt, in het licht vanuit haar open huisdeur, stond mevrouw De Leeuw. Ze droeg nog haar bruine bolvormige hoed en beige regenjas. Toen ze de rechercheurs in het vizier kreeg, slofte ze naar de walkant en bleef staan bij een met een blauwe deken bedekt lichaam.
De Cock en Vledder slenterden naderbij.
Mevrouw De Leeuw keek de oude rechercheur uiterlijk onbewogen aan.
'Ik heb hem maar toegedekt,' sprak ze bezorgd. 'Hij werd zo nat.'
De Cock knikte begrijpend. Hij trok de pijpen van zijn pantalon iets op en hurkte bij de dode neer. Langzaam vouwde hij de blauwe deken iets terug. In de nek van de dode, enkele centimeters onder zijn kalende kruin, was duidelijk een schotwond zichtbaar. De Cock pakte zijn zaklantaarn en liet het licht langs de wond glijden. Aan de wondranden ontdekte hij resten van kruitslijm. De oude rechercheur vroeg zich af of de kogel het hoofd aan de voorzijde weer had verlaten, maar onderzocht dat niet.
Hij keek naar de armen van de dode, die, eindigend in geklauwde handen, bijna gestrekt langs het hoofd lagen. Het beeld was hem vertrouwd. Het was niet de eerste keer dat hij met een slachtoffer van een nekschot werd geconfronteerd. Het wekte zijn ergernis. Deze vernederende vorm van liquidatie was hem een gruwel.
Met het licht van zijn zaklantaarn als strijklicht zocht hij in de directe omgeving van de dode naar een huls. Die was er niet.
De Cock vouwde de blauwe deken weer over het achterhoofd van de dode en kwam zwaar ademend omhoog. Zijn knieën kraakten. Hij ging naast mevrouw De Leeuw staan en gebaarde voor zich uit.
'Zijn angst was gegrond,' sprak hij somber.
Mevrouw De Leeuw beet op haar onderlip.
'Dat wist ik,' verzuchtte ze. 'Ik heb daar nooit een moment aan getwijfeld. Ik had hem vanavond ook niet alleen moeten laten. De moordenaar moet hebben gezien dat ik het huis verliet. Het was voor hem het moment dat hij kon toeslaan.'
De Cock wees opnieuw naar de dode.
'U vond hem direct?'
Mevrouw De Leeuw schudde haar hoofd.
'Toen ik na mijn bezoek aan uw bureau op de Kalkmarkt terugkwam, stond de deur van ons huis net zo open als nu. Ik besefte onmiddellijk dat er iets moest zijn gebeurd. In zijn werkkamer brandde licht, maar daar was hij niet. Toen ik hem thuis niet kon vinden, ben ik naar buiten gegaan. Het regende op dat moment niet. Het licht van een haast volle maan streek over de Kalkmarkt. Het was maar even. Misschien enkele seconden. Toen was het maanlicht weer weg… verdwenen achter een donkere wolk.'
Mevrouw De Leeuw knikte voor zich uit. 'Die enkele seconden waren voldoende.'
'U zag hem liggen?' vroeg De Cock overbodig.
Mevrouw De Leeuw knikte traag.
'Tot mijn eigen verbazing raakte ik niet in paniek. Een verdovend, kalmerend gevoel van berusting kwam over mij. Ik wist dat er niets meer te redden viel. Ik ben heel langzaam naar hem toe gelopen en heb mijn hand tegen zijn wang gehouden. Die voelde nog warm aan. Ik herinner mij, dat ik even zijn naam heb gepreveld… Adriaan… Adriaan… alsof hij mij nog horen kon. Het begon toen weer te regenen. Ik heb een deken uit huis gehaald en hem toegedekt. Daarna heb ik u gebeld.'
De Cock wreef met zijn vlakke hand de regendruppels van zijn gezicht.
'Bezat uw man een vuurwapen?'
'Nee. Adriaan gruwde van geweld.'
'Hebt u thuis sporen van een worsteling waargenomen?'
Mevrouw De Leeuw schudde haar hoofd.
'De moordenaar,' sprak ze zacht, 'moet mijn man hebben gedwongen om mee naar buiten te gaan. Daar heeft hij hem neergeschoten.'
'Verwachtte uw man bezoek?'
Mevrouw De Leeuw trok haar schouders iets op.
'Niet dat ik weet. Ik bedoel, hij heeft mij niet gezegd dat hij bezoek verwachtte.'
'Wist uw man dat u het plan had opgevat om mij in te schakelen?'
Mevrouw De Leeuw liet haar hoofd iets zakken.
'Ik heb Adriaan gezegd dat ik even op bezoek ging bij een vriendin van mij. Die woont hier vlakbij, aan de Binnenkant.'
'Een leugen?'
Mevrouw De Leeuw knikte.
'Ik had geen keus. Als ik Adriaan had verteld dat ik u van zijn angsten wilde vertellen, dan had hij mij dat beslist verboden.'
De Cock reageerde niet. Hij zag de wagen van de fotograaf naderen en gaf Vledder een wenk. Vertrouwelijk legde hij zijn rechterhand op de schouder van mevrouw De Leeuw.
'Mijn collega gaat met u mee naar huis. Ik kom straks nog even met u praten.'
Bram van Wielingen parkeerde zijn auto aan de rand van het trottoir. De fotograaf stapte uit en pakte zijn aluminium koffertje met attributen van de achterbank. Hoofdschuddend slofte hij op De Cock toe.
'Waarom kom jij altijd met werk als ik op het punt sta om naar huis te gaan?'
De Cock krabde zich achter in zijn nek.
'Noodlot.'
Bram van Wielingen zette zijn koffertje op de straat en pakte zijn Hasselblad.
'Wat wil je?' vroeg hij opkijkend.
De Cock gebaarde naar de dode.
'Een plaatje met die blauwe deken en de rest zonder. Een overzicht van de Kalkmarkt met dat licht uit die open deur. Als je klaar bent, leg dan de deken weer terug. Zijn vrouw wil niet dat hij nat wordt.'
Bram van Wielingen trok een grijns.
'En verder?'
'Wachten tot de lijkschouwer is geweest. Ik wil ook een foto van zijn gezicht.'
'Weet je nog niet wie hij is?'
De Cock knikte.
'Adriaan de Leeuw, tot voor kort… ik bedoel bij leven… psychiater.' Het klonk cynisch.
'Ik vermoed,' ging hij verder, 'dat de kogel in zijn nek zijn hoofd aan de voorzijde weer heeft verlaten. Begrijp je… daarom… straks… een foto van zijn gezicht.'
Het gezicht van de fotograaf versomberde.
'Mag dat ook morgenochtend… voor de sectie?'
De Cock knikte met een zucht. Bram van Wielingen had altijd haast.
'Oké,' sprak hij berustend, 'morgen voordat dokter Rusteloos zijn mes erin zet.'
De oude rechercheur stak zijn wijsvinger omhoog.
'Neem dan ook een man van de technische dienst mee. Er zit kruitslijm op de rand van de wond. De moordenaar moet de loop van zijn vuurwapen vrijwel op de huid hebben gezet toen hij de trekker overhaalde.'
'Een executie?'
De Cock trok zijn gezicht strak.
'Precies. Alleen, de staat heeft de doodstraf afgeschaft.'
De oude rechercheur draaide zich om.
Vanuit de Prins Hendrikkade naderde dokter Den Koninghe. Achter de kleine lijkschouwer volgden twee levensgrote broeders van de Geneeskundige Dienst. Een brancard tussen hen in.
Terwijl het flitslicht van de Hasselblad fel oplichtte, liep De Cock op hem toe. De grijze speurder koesterde sinds lang een bijzondere genegenheid voor de excentrieke lijkschouwer met zijn ouderwetse grijze slobkousen onder een deftige streepjesbroek, zijn stemmig zwart jacquet en zijn verfomfaaide groen uitgeslagen garibaldihoed.
De oude rechercheur drukte hem hartelijk de hand.
'Moet u geen jas aan,' vroeg hij bezorgd. 'Of een paraplu?'
Dokter Den Koninghe schudde zijn hoofd. Door zijn brilletje met metalen montuur keek hij naar de oude rechercheur op.
'Je bent weer laat,' gromde hij. 'Mijn dienst zat er bijna op.'
De Cock schoof de mouw van zijn regenjas iets terug.
'Het is kort voor middernacht,' sprak hij nonchalant. 'Ons resten nog enkele minuten voor officieel het spookuur begint.'
Het was als een grapje bedoeld.
De kleine lijkschouwer reageerde geprikkeld.
'Alleen neuroten geloven in spoken,' sprak hij bits.
De Cock liet het onderwerp rusten. Hij wuifde tot afscheid naar Bram van Wielingen, die met zijn aluminium koffertje aan de hand naar zijn auto terugliep.
Daarna slofte De Cock voor dokter Den Koninghe uit naar de walkant.
'Zo hebben wij hem aangetroffen. Die deken heeft zijn vrouw over hem heen gelegd.'
'Zijn vrouw?'
De Cock knikte.
'Het slachtoffer woont… woonde hier tegenover. Hij moet uit zijn huis zijn gelokt of ontvoerd en hier kil afgemaakt.'
Dokter Den Koninghe bukte bij de dode neer en trok de deken weg. Daarna wenkte hij een van de broeders naderbij. Voorzichtig kantelden ze de dode van zijn buik op zijn rug. Op het voorhoofd van het slachtoffer, iets boven zijn linkerwenkbrauw, was een uitschotwond.
De kleine lijkschouwer deed het rechterooglid even open en drukte het weer toe.
Dokter Den Koninghe nam de tijd. Het onderzoek duurde langer dan De Cock van hem gewend was. Eerst na een tijdje kwam hij overeind, nam zijn bril af, pakte zijn pochet uit het borstzakje van zijn jacquet en poetste zijn glazen. Het was een gewoontegebaar. In de stromende regen had de handeling geen enkele zin.
'Hij is dood,' sprak hij laconiek.
De Cock knikte.
'Dat had ik al begrepen.'
De dokter gebaarde in de richting van de dode.
'Nog niet zo lang. Ik schat ruim een uur. Het lichaam is nog warm en hier buiten in de koude regen zakt de temperatuur snel.'
De lijkschouwer duwde zijn pochet in zijn borstzakje terug.
'Let op zijn verwondingen. De in- en uitschotverwondingen liggen exact verticaal. Het schot is iets schuin naar voren gericht. De schutter moet bijna op zijn rug hebben gezeten toen hij het schot afvuurde. Misschien heb je er iets aan bij je onderzoek.'
Hij wees opnieuw naar de dode.
'En dan nog iets; hij heeft een ketting om zijn nek met iets eraan.'
Dokter Den Koninghe draaide zich om en liep van De Cock weg.
'Bonjour,' riep hij vrolijk. 'En groet in het komende uur de spoken.'
'Bonjour,' reageerde De Cock benepen. Hij keek dokter Den Koninghe met gemengde gevoelens na. In de regel was de kleine lijkschouwer niet zo opgewekt.
De oude rechercheur gaf de broeders een wenk. Ze kwamen naderbij en legden het lichaam van Adriaan de Leeuw op de brancard. Voorzichtig drapeerden ze een laken over hem heen, klapten het canvas terug en sjorden de riemen vast. Het ging rustig, bijna automatisch, in een koele routine.
Zacht wiegend droegen ze hem naar de ambulancewagen, schoven hem naar binnen en sloten de deuren.
De Cock keek de wagen na tot hij om de hoek van de Prins Hendrikkade uit het zicht verdween. Onderwijl bepeinsde hij hoe vaak hij het afvoeren van een slachtoffer had nagestaard.
Hoewel zijn vermoeide hersenen het antwoord niet gaven, sjokte hij, vervuld van die gedachte, naar de open deur.
Mevrouw De Leeuw had zich van haar hoedje en mantel ontdaan. Ze droeg een nauwsluitende donkerbruine rok met daarop een licht bruine blouse, die de vorm van haar buste accentueerde. Ze leek nu jonger dan de schatting die De Cock aanvankelijk had gedaan. Toen de oude rechercheur de woonkamer binnenkwam, keek ze vanuit haar fauteuil omhoog.
'Is hij weg?' vroeg ze kort.
De Cock knikte.
'De broeders van de Geneeskundige Dienst brengen hem naar Westgaarde.' Hij zweeg even. 'Kent u iemand die zijn begrafenis kan regelen?'
Geertruida de Leeuw klemde haar lippen opeen.
'Dat kan ik zelf wel.'
De Cock liep aan haar voorbij en ging in een fauteuil tegenover haar zitten.
'Weet u waar uw zoon zich bevindt?'
Geertruida trok haar schouders op.
'Vermoedelijk in een of ander kraakpand. Volgens mij heeft hij geen vast adres.'
De Cock knikte begrijpend.
'Dat laat ik wel uitzoeken. Had uw man als psychiater veel patiënten?'
De vrouw vouwde haar handen in haar schoot.
'Mijn man,' sprak ze kalm, 'was een goed vakman. U kunt dat bij collega's informeren. En zijn patiënten droegen hem op handen. Hij was geduldig en nam de tijd. Verschijnselen van stress, depressies en fobieën ontstaan niet in een enkel moment. Het is een geleidelijk proces. Het vergt ook een langdurige behandeling om de patiënt te genezen.'
'Uw man was vertrouwensman van velen?'
'Zeker.'
'Kende tal van geheimen?'
'Absoluut.'
'Wie voerde zijn administratie?'
Geertruida tikte met de wijsvinger van haar rechterhand op haar borst.
'Ik. Van elke patiënt hield ik een dossier bij… op basis van de aantekeningen die mijn man tijdens de behandeling had gemaakt.'
De Cock glimlachte.
'Dus u kent die geheimen ook.'
De vrouw keek hem wantrouwend aan.
'Wat wilt u daarmee zeggen?'
De Cock zuchtte.
'Als uw man omwille van een of ander geheim werd vermoord… dan is ook uw leven in gevaar.'
Geertruida stak haar kin iets naar voren.
'Ik voel geen angst.'
De Cock boog zich iets naar haar toe.
'Hebt u enig idee waarom uw man werd vermoord?'
De vrouw schudde haar hoofd.
'Ik kende en ken de reden van zijn angst niet en ik begrijp niet waarom men een zachtmoedig man als mijn Adriaan naar het leven staat. Het moet de daad zijn van een ziekelijk brein.'
'Een patiënt?'
Geertruida gleed met de toppen van haar vingers langs haar voorhoofd.
'Ik kan mij geen patiënt van mijn man indenken, die tot zoiets in staat is.'
De Cock glimlachte haar toe.
'Wilt u over dit aspect de komende dagen nog eens uw gedachten laten gaan?' vroeg hij vriendelijk. 'En als uw zoon zich meldt, laat mij het weten.'
De oude rechercheur kwam uit de fauteuil overeind.
'Uw man droeg iets aan een ketting om zijn hals?'
Geertruida knikte.
'Isisbloed.'
De Cock liet zich in zijn fauteuil terugvallen.
'Isisbloed?' herhaalde hij verrast.
Geertruida knikte opnieuw.
'Een amulet in de vorm van een magische knoop. Het is een teken van leven en heil. De dode die het aan zijn hals draagt, zal door de godin Isis worden beschermd.'
De Cock fronste zijn wenkbrauwen.
'Geloofde uw man daarin?'
Geertruida stak haar beide handen met gespreide vingers vooruit.
'Onvoorwaardelijk. Hij was lid van de Zoekers van Osiris.'