12

Ze lag op haar buik. Midden op het asfalt van de smalle Sint Pietershalsteeg. Haar benen waren iets gespreid. Haar armen staken strak langs haar hoofd naar voren, eindigend in handen die in het wegdek klauwden. Haar beige mantel was op de rug iets gebold.

Twee jonge dienders stonden een paar meter van haar vandaan. Achter hen, op de Voorburgwal, tolde het zwaailicht van hun surveillancewagen. De oudste diender liep op De Cock toe. Hij tikte ter begroeting tegen de rand van zijn pet.

'Ik ben hoofdagent Van den Bergh. De vrouw is vermoord. Daarover bestaat geen enkele twijfel. We hebben de meute al voor u gewaarschuwd.'

De Cock knikte.

'Wie heeft haar gevonden?'

Agent Van den Bergh trok zijn schouders op.

'Dat is nog onbekend. Bij de wachtcommandant kwam een anoniem telefoontje binnen, dat er een dode vrouw lag in de Sint Pietershalsteeg. Toen wij hier kwamen was er niemand. Hij wees naar de dode. 'Behalve zij dan… met een schotwond in haar nek.'

De diender gebaarde om zich heen.

'We hebben in de directe nabijheid van het slachtoffer naar hulzen gezocht. Die waren er niet… althans, we hebben ze niet kunnen vinden.'

De Cock schudde zijn hoofd.

'Ik verwacht ook geen hulzen. Het wapen was een revolver.'

Agent Van den Bergh keek hem verrast aan.

'Weet u dat nu al?'

De Cock glimlachte.

'Dat vermoed ik.'

De oude rechercheur trok de pijpen van zijn pantalon een paar centimeter omhoog en hurkte bij het slachtoffer neer. In de nek van de dode, even boven de grens van het korte blonde haar, was een inschotwond zichtbaar. De Cock pakte zijn zaklantaarn en liet het licht langs de wond glijden. Aan de wondranden ontdekte hij resten van kruitslijm. Hij keek er even naar en bewoog het licht naar de zijkant van het gelaat.

Vledder boog zich over hem heen.

'Lilian Kusters,' sprak hij hees.

De Cock knikte traag. Hij hield de rug van zijn rechterhand even tegen haar wang.

'Nog warm,’ sprak hij zacht.

De oude rechercheur kwam met krakende knieën uit zijn gehurkte houding omhoog en duimde opzij naar de ingang van een bescheiden flatgebouw.

'De moordenaar moet haar voor de deur hebben opgewacht… of hier met haar hebben afgesproken. Ik neem aan, dat de sleutels van haar flat in haar mantelzak zitten. Haal die er uit voordat ze door de broeders van de Geneeskundige Dienst wordt afgevoerd.'

'Wat wil je er mee?'

'Straks… als we hier klaar zijn… snuffelen in haar flat.'

'Wat verwacht je daar te vinden?'

De Cock scheen de vraag niet te horen. Nadenkend staarde hij voor zich uit. Ineens hurkte hij opnieuw bij de dode neer. Voorzichtig duwde hij de kraag van haar beige mantel iets terug. Onder aan haar hals ontdekte hij een gouden ketting. Hij trok die iets los, tilde het hoofd van de dode een paar centimeter omhoog en schoof de ketting voorzichtig over het blonde haar. Toen hij overeind kwam, hield hij in de holte van zijn rechterhand een groene amulet.

Vledder hijgde in zijn nek.

'Het Bloed van Isis.'

De Cock knikte.

'Van jade.'

Met de routine van alledag had dokter Den Koninghe, de excentrieke lijkschouwer, de dood van het slachtoffer geconstateerd, had Bram van Wielingen, de fotograaf, zijn plaatjes geschoten en had Ben Kreuger, de dactyloscoop, vingerafdrukken van het lijk genomen. Toen hadden de onaangedane broeders van de Geneeskundige Dienst het ontzielde lichaam van Lilian Kusters voorzichtig op hun brancard gelegd en zacht wiegend naar hun ambulancewagen gedragen.

Toen de gehele meute was vertrokken en de smalle Sint Pietershalsteeg weer stil en verlaten was, overviel De Cock een gevoel van woede en machteloosheid. De gedachte dat het leven van Lilian Kusters gevaar liep, was nooit bij hem opgekomen. Geen moment. Het was een indicatie, zo besefte hij terdege, dat hij nog niets begreep van het motief… van de zin of zinloosheid van de gepleegde moorden.

Het knaagde pijnlijk aan zijn gemoed, dat hij de beschuldigingen van Lilian Kusters bij leven niet ernstig had genomen… niet ernstig genoeg… dat hij haar intuïties luchthartig had weggewuifd.

Jean-Pierre de Brunetière, echtgenoot van de in Huizen vermoorde Hannelore, kwam prominent in zijn gedachten. De grijze speurder projecteerde het beeld van de man op zijn netvlies… lang, slank, met een olijfkleurige huid en donkere, vochtig glanzende ogen. Was hij bang geworden voor de aanhoudende beschuldigingen van de voor hem wildvreemde Lilian Kusters? Had hij haar daarom voor eeuwig het zwijgen opgelegd?

Vledder onderbrak zijn overpeinzingen.

'Moet je nog in haar flatje kijken?'

De Cock knikte traag.

'Al weet ik echt niet waarnaar ik moet zoeken,' sprak hij moedeloos.

Nog in gedachten verzonken slofte de oude rechercheur voor Vledder uit over de besloten galerij. Voor het flatje van Lilian Kusters bleef hij even staan en voelde de moeheid in zijn botten sluipen. Hij keek op zijn horloge. Het was ver na middernacht.

De Cock bezag de sleutelbos uit de mantelzak van Lilian Kusters en deed een keuze. Hij stak de sleutel in het slot en duwde de deur van de flat open.

Vledder, schuin achter hem, grinnikte.

'Dit is voor het eerst,' gniffelde hij, 'dat ik jou een slot met een echte sleutel heb zien openmaken.'

De Cock reageerde niet. Hij liet het langwerpig ovaal van zijn zaklantaarn door de kleine hal dwalen. Toen hij de schakelaar had gevonden, knipte hij het licht aan. Vanuit de hal kwamen de rechercheurs via een ruimte met een keukenblok in een smaakvol ingerichte woonkamer. De vloer was bekleed met een lichtbeige hoogpolig berbertapijt. Ongeveer in het midden van het vertrek stond een rotan zitje met gebloemde kussens en een ronde tafel met een melkkleurig glazen blad. Aan de spierwit gepleisterde wanden hingen

De Cock gebruikt voor het openen van sloten gewoonlijk een apparaatje, dat hij eens, lang geleden, van zijn vriend en ex-inbreker Handige Henkie had gekregen.

imitaties van schilderijen van Breitner, Renoir en Monet.

De grijze speurder stak zijn neus omhoog en snoof. In het vertrek hing een zoete geur van parfum. Het versluierde voor een moment zijn denken.

En plotseling gebeurde het… De Cock had moeie voeten. Ze waren er ineens, onaangekondigd. Hij trok met een van pijn vertrokken gelaat een rotanfauteuil naar zich toe en liet zich daarin zakken.

Vledder keek op hem neer.

'Ga je uitrusten?'

De Cock negeerde de spot.

Hij leunde achterover en legde zijn voeten op het melkkleurige glas van de ronde rotantafel. Daarna boog hij zich voorover, trok de pijpen van zijn pantalon terug en bevoelde zijn kuiten. Het was alsof geniepige kleine duiveltjes uit pure boosaardigheid met duizend spelden in zijn kuiten prikten. Hij kende de pijn, die uit de holten van zijn voeten kwam, langs zijn hielen omhoogtrok en zich vastzette in zijn kuiten. Hij wist ook wat de pijn betekende. Telkens als de zaken slecht gingen, als zijn onderzoeken dreigden te verzanden en als hij het machteloze gevoel had volkomen in het duister te tasten, gaven de helse duiveltjes acte de présence.

Vledder ging tegenover hem zitten en keek hem bezorgd aan.

'Zijn ze er weer… de duiveltjes?'

De Cock knikte en sloot zijn ogen. Enkele minuten bleef hij zo zitten, bewegingloos en geconcentreerd. Zijn markant gezicht leek een stalen masker. Om de pijn te verdrijven zette hij zijn tanden in zijn onderlip.

'Het gaat wel weer over,' sprak hij mat. 'De pijn is nog wel te verdragen, maar de wetenschap dat wij na drie moorden en enige dagen van intensief speuren in feite nog geen stap verder zijn gekomen met ons onderzoek, bezorgt mij een angstig voorgevoel.'

Vledder keek hem met een ongelovige blik aan.

'Ben je bang dat wij er niet uitkomen… dat de moordenaar ons ontglipt?'

De Cock maakte een hulpeloos gebaar.

'Dat kan toch gebeuren? Hoeveel moorden blijven niet onopgelost?'

Vledder schudde zijn hoofd.

'Niet bij ons,' reageerde hij fel.

De Cock glimlachte.

Het vertrouwen van zijn jonge collega verzachtte de pijn.

Hij gebaarde om zich heen.

'Kijk eens of je ergens een vorm van administratie vindt… brieven, adressen, telefoonnummers. Er zullen toch mensen zijn, met wie Lilian Kusters een relatie onderhield?'

De Cock tilde zijn benen van het glazen tafelblad. De pijn in zijn kuiten trok langzaam weg. Alleen in zijn voeten bleef nog een gevoel van intense moeheid hangen.

Hij hoorde hoe achter zijn rug Vledder laden van kasten opentrok. Toen hij de kracht in zijn voeten voelde terugstromen, kwam hij uit zijn fauteuil overeind en liet zijn scherpe blik door het vertrek dwalen. De grijze speurder had oog voor details. Na jaren van training ontsnapte vrijwel niets aan zijn blik.

Tussen twee smalle ramen met uitzicht op de Sint Pietershalsteeg ontdekte hij een fotolijstje op een kleine tafel met een onyxblad. Hij pakte het verchroomde lijstje op en bekeek het aandachtig.

Het was een amateurkiekje van een man en een vrouw, geflankeerd door vier meisjes. Links van de man stonden twee grote meisjes en rechts van de vrouw twee meisjes die beduidend jonger waren. De gezichten waren moeilijk te onderscheiden. De foto was onscherp alsof de camera tijdens de opname sterk was bewogen.

Met licht trillende vingers boog De Cock aan de achterzijde de metalen klemmen van het lijstje terug. Een vreemde spanning maakte zich van hem meester. Het tintelde in de toppen van zijn vingers. Al gaven zijn hersenen geen uitsluitsel over het hoe en waarom, toch had hij het onbestemde gevoel iets belangrijks in handen te hebben.

Vledder kwam naast hem staan.

'Ben je aan het slopen?' vroeg hij spottend.

De Cock reageerde niet. Hij nam het kiekje uit de lijst en bekeek de achterkant.

'Wij,' las hij hardop, 'in Hove.'

De Cock stapte opgewekt de grote recherchekamer binnen, hing zijn oude hoedje en regenjas aan de kapstok en liep naar zijn bureau. Vanuit de hoogte keek hij zijn jonge collega schattend aan.

'Goed geslapen?' vroeg hij vriendelijk.

Vledder schudde zijn hoofd.

'Ik kon de slaap niet vatten,' sprak hij somber. 'Die ellendige zaak bleef in mijn hoofd tollen. We hebben samen toch de meest vreemde zaken onder ogen gekregen. Maar ik kan mij niet herinneren, dat wij ooit zoiets bizars hebben meegemaakt.’

De jonge rechercheur wees naar het fotootje voor zich op zijn bureau.

'Ik heb thuis alles nagekeken, maar er bestaat in ons land geen stad, dorp of gehucht met de naam Hove. Er is wel een Hoven in de gemeente Zutphen en een Op den Hoven in de gemeente Ubach over Worms.'

De Cock glimlachte.

'Heb jij thuis zoveel atlassen?'

Vledder negeerde de opmerking.

'Ik heb vanmorgen gebeld met het Gemeenschappelijk Administratie Kantoor. Die houden een klapper bij van elk gehucht. Maar ook daar kende men geen Hove, zoals op de achterkant van het kiekje staat.'

'Vreemd.'

De jonge rechercheur keek op.

'Denk je echt dat het een plaats is?'

De Cock maakte een hulpeloos gebaar.

'Hoe wil je Wij in Hove anders interpreteren?'

Vledder zuchtte.

'Dat weet ik niet.'

De jonge rechercheur schudde vertwijfeld zijn hoofd.

'Waarom hecht je zoveel belang aan dat idiote fotootje. Je kunt nauwelijks de gezichten van de mensen die erop staan onderscheiden… zo onscherp. Ik heb met een vergrootglas geprobeerd of de achtergrond een aanwijzing kon geven. Noppes.'

De Cock tikte met de toppen van zijn vingers tegen zijn borst.

'Toch heb ik hier vanbinnen het gevoel, dat wij met dat kiekje de sleutel tot de oplossing van de moorden in handen hebben.'

Vledder grinnikte vreugdeloos.

'Onzin.'

De Cock wees naar het fotootje op het bureau van de jonge rechercheur.

'Een van de meisjes op dat fotootje is vermoedelijk Lilian Kusters.'

'En?'

De Cock liet zich in de stoel achter zijn bureau zakken. In een gebaar van wanhoop greep hij met beide handen naar zijn hoofd. Het raderwerk van zijn denken draaide op volle toeren. Alle facetten, gesprekken, intonaties en expressies passeerden de revue. Maar het lukte hem niet om zijn gevoel dat het kiekje voor het onderzoek belangrijk was, verstandelijk te onderbouwen. Teleurgesteld liet hij het onderwerp rusten.

'Welk nummer,' vroeg hij na enige tijd, 'staat er op het Bloed van Isis, dat wij om de hals van Lilian Kusters vonden?'

'Veertig.'

'Heb je dat nummer aan Cornelis Bervoets doorgebeld?'

Vledder schudde zijn hoofd.

'Ik heb het een paar maal geprobeerd, maar de sekteleider was steeds in gesprek.'

'Heb je gisteravond in haar administratie nog aanknopingspunten gevonden?'

De jonge rechercheur schudde opnieuw zijn hoofd.

'Geen brieven, geen adressen, geen telefoonnummers. Alleen begrafenis- en aansprakelijkheidspolissen. Verder rekeningen… betaald en onbetaald. Daar was ook niets bij wat ons verder kan helpen.'

De Cock zette zijn tanden in zijn onderlip.

'Het is toch te gek… drie moorden… en geen enkel houvast.'

Vledder zuchtte.

'Zal ik de recherche in Huizen bellen en vragen of zij een afdruk van het fotootje willen… of zij weten wat Wij in Hove betekent?'

Voordat De Cock kon antwoorden, rinkelde op zijn bureau de telefoon. Vledder boog zich voorover en nam de hoorn op. Hij maakte een paar aantekeningen en legde na een welgemeend 'hartelijk dank' de hoorn op het toestel terug.

De Cock keek hem vragend aan.

'Wie was dat?'

'De Zoekers van Osiris.'

'Cornelis Bervoets?'

Vledder knikte en boog zich over zijn aantekeningen.

'Het Bloed van Isis in jade genummerd negenendertig is kort na de oprichting van de sekte door Julian Schoten persoonlijk afgegeven aan de heer Guiseppe Gottlieb uit Zürich. Ook de vrouw van die Guiseppe Gottlieb was lid van de sekte.'

De Cock streek over zijn grijze haardos.

'Vermoedelijk had zij nummer veertig.'

Vledder gebaarde naar de telefoon.

'Dat heb ik niet gevraagd. Volgens Cornelis Bervoets is het echtpaar Gottlieb enige maanden na hun intrede naar België verhuisd. Verdere gegevens kon de sekteleider ons niet verschaffen.'

De ogen van De Cock werden opeens groter. Een moment leek hij verlamd. Toen strekte hij zijn rechterwijsvinger naar Vledder uit.

'Lilian Kusters,' sprak hij gehaast, 'was een Gottlieb. En als Hannelore de Brunetière werkelijk haar zuster was, dan heette die ook Gottlieb.'

De grijze speurder gebaarde naar de telefoon.

'Bel mijn vriend Opdenbroecke, hoofdcommissaris van de Gerechtelijke Politie in Antwerpen, en vraag of hij voor ons het adres van de diamantair Gaston Montperlier wil achterhalen.'

Vledder keek hem niet-begrijpend aan.

'Wat wil je dan?'

De Cock zuchtte.

'Mariska, de vrouw van Gaston Montperlier, zuster van de vermoorde Hannelore en Lilian, is vermoedelijk de enige Gottlieb van de familie, die nog in leven is.'

Vledder spreidde zijn beide handen.

'We hoeven toch niet naar Antwerpen te bellen. We kunnen dat adres toch ook aan Jean-Pierre de Brunetière in Huizen vragen?'

De Cock keek zijn jonge collega secondelang zwijgend aan. Toen kwam hij uit zijn stoel overeind.

'Maak voort. We gaan naar Antwerpen. Ik wil weten hoe Hannelore aan haar trauma's kwam.'

Загрузка...