10

Toen De Cock de volgende morgen, slechts twintig minuten te laat, de grote recherchekamer binnenstapte, trof hij Vledder, zoals gewoonlijk, achter zijn computer.

Eerst toen De Cock tegenover hem was gaan zitten, keek hij op.

’Goedemorgen. Goed geslapen?’

’Redelijk. Alleen wat kort.’

Vledder grinnikte.

’Ik had gisteravond om tien uur al naar huis gewild, maar jij ging maar door.’

’Ik ben blij dat wij het hebben gedaan.’

Vledder knikte instemmend.

’Het verhaal van die Casper Klaassen vind ik een doorbraak in ons onderzoek. Vooral het gegeven dat Annette van Dijk een financieel voordeel verwachtte. En een niet gering voordeel. Als men denkt daarvan een huis te kunnen kopen…’

De Cock plukte aan het puntje van zijn neus.

’Erfenis van een oudoom?’

Vledder gniffelde.

’Dat is natuurlijk een pertinente leugen. Bovendien is het gemakkelijk te achterhalen of ze een gefortuneerde oudoom had, van wie ze geld kon verwachten. Ik bel wel even met de burgerlijke stand.’

De Cock knikte.

’Dat zou ik dan ook eerst maar doen.’

Vledder boog zich iets over zijn toetsenbord heen.

’Zeker, maar Annette van Dijk werd niet voor niets vermoord.’ De Cock grijnsde.

’Had onze Henriëtte de Waal ook een gefortuneerde oudoom?’ Vledder keek hem argwanend aan.

’Wat bedoel je daarmee?’

De grijze speurder kauwde even op zijn onderlip.

’Verwachtte ook Henriëtte de Waal een groot financieel voordeel?’

Vledder strekte zijn rechterarm naar hem uit.

’Je wilt zeggen, dat beide vrouwen mogelijk om dezelfde redenen werden vermoord?’

De Cock knikte.

’En vrijwel zeker door dezelfde dader.’

Vledder trok een vies gezicht.

’Waar ligt dan het verband tussen die twee… buiten dat zij samenwoonden op de Herenmarkt?’

De Cock trok zijn schouders op.

’Annette van Dijk heeft tegen ons gelogen. Zij moet van het bestaan van dat adres aan de Binnenkant op de hoogte zijn geweest. Bovendien, zo blijkt nu uit de verklaring van haar vriend Casper Klaassen, kende ze Matthias von Ravensburg en wist van de relatie die Henriëtte de Waal met deze man had.’ Vledder glimlachte.

’Oude liefde roest niet.’

De Cock negeerde de opmerking.

’Ik ben ervan overtuigd dat ook Josine Wijngaarden niet de waarheid spreekt.’

’Zou zij iets met de beide moorden te maken hebben?’

’Mogelijk.’

’Hoe?’

De Cock spreidde zijn handen.

’Ik… eh, ik heb gedacht,’ sprak hij weifelend, ’aan de mogelijkheid dat zij alledrie een complot hebben gesmeed tegen iemand… iemand die uit reactie de dames stuk voor stuk om zeep helpt.’

’Kunnen we die Josine Wijngaarden niet onder druk zetten?’

’Ik weet niet hoe.’

’Een groep volgers op haar spoor zetten.’

De Cock schudde zijn hoofd.

’Ik denk niet dat wij commissaris Buitendam zover kunnen krijgen. Het kost nogal wat manuren en we hebben te weinig argumenten.’

De oude rechercheur stond op en slenterde naar de kapstok. Vledder kwam hem na.

’Waar ga jij heen?’

De Cock draaide zich half om.

’Waar gaan wij heen,’ verbeterde hij.

’Oké, waar gaan wij heen?’

De Cock wurmde zich in zijn regenjas.

’Naar Hilversum.’

Vledder lachte.

’Om aan rechercheur De Cock van de televisie te vragen ons bij het onderzoek te helpen?’

De grijze speurder gniffelde.

’Een goede hint. Die lost een moord in nog geen vijftig minuten op. Wij zijn al drie dagen bezig, zonder resultaat.’ De Cock schudde zijn hoofd.

’Ik kreeg gisteravond laat nog een ingeving. Ik heb Mariandel von Liechtenstein gebeld en haar gevraagd of haar Matthias een vriend had bij de politie. Daar sprak hij toch over.’

’Dat herinner ik mij. Hij wilde de naam van die vriend niet noemen.’

’Precies.’

’Kende Mariandel die vriend?’

De Cock knikte.

’Commissaris Kauwenaar in Hilversum.’


Vledder ranselde de oude Golf over de drukke A1. De Cock zat diep onderuitgezakt naast hem. Om de hypnose van de heen en weer zwiepende ruitenwissers te ontgaan had hij de rand van zijn oude hoedje tot op de rug van zijn neus geschoven. Vledder blikte opzij.

’Wat dacht je bij een commissaris van politie te bereiken?’ De Cock schoof zijn hoedje iets terug en keek schuin omhoog. ’Niet veel. Commissarissen van politie zijn in de regel geen goede gesprekspartners. Maar misschien weet hij waar wij Matthias von Ravensburg kunnen vinden.’

Hij zweeg even.

’Zijn er gefortuneerde oudooms?’ vroeg hij plotseling. Vledder lachte.

’Zowel Henriëtte de Waal als Annette van Dijk had genoeg oudooms, maar daar was niemand bij van wie men een pittige erfenis kon verwachten.’

’Dus loog Annette tegen haar goede, maar wat sullige vriend Casper Klaassen.’

Vledder snoof.

’Die vrouwen van de Herenmarkt zijn notoire leugenaarsters.’

’Dwaze maagden.’

Vledder gniffelde.

’Voor hun maagdelijkheid geef ik geen stuiver.’

De Cock schoof zijn onderlip naar voren.

’Waarom liegt iemand?’

’Omdat hij of zij de waarheid liever niet openbaart.’ De Cock knikte.

’Heb je nog met de Amsterdamse Academie voor Beeldende Kunst gebeld?’

Vledder knikte.

’Hij is daar inderdaad in dienst als docent. Al vele jaren. Maar hij heeft verlof opgenomen.’

’Wanneer?’

’Ik heb het uitgerekend. Dat moet op de dag zijn geweest dat hij Henriëtte de Waal dood in dat kraakpand aan de Binnenkant aantrof. Sindsdien heeft men daar niets van hem vernomen. Maar dat verwachtte men ook niet. Hij is met vakantie. En dat is een normale zaak.’

’Over eventuele vakantieplannen heeft hij niet gesproken?’

’Het verzoek om verlof gebeurde telefonisch.’

’In paniek?’

Vledder schudde zijn hoofd.

’Daar heb ik niet naar gevraagd.’

De Cock schoof zijn hoedje terug tot op de rug van zijn neus. Een tijdlang reden ze zwijgend voort. Zelfs het nutteloze kunstwerk van oud-minister May-Weggen[6] ontlokte Vledder geen commentaar.

De jonge rechercheur wees naar een verkeersbord.

’Hilversum… nog vijftien kilometer.’

Commissaris Kauwenaar zat dik, breed en indrukwekkend achter zijn immens groot bureau. Toen De Cock en Vledder door een brave ondergeschikte bij hem werden aangediend, kwam hij overeind en zwaaide minzaam naar een zitje van stalen meubelen in een hoek van het vertrek.

’U kunt daar plaatsnemen.’

De beide rechercheurs gehoorzaamden gewillig.

Commissaris Kauwenaar ging tegenover hen zitten. Hij bracht zijn handen naar voren en drukte de vingertoppen tegen elkaar.

’Niemand heeft uw bezoek aan mij aangekondigd,’ sprak hij met enige toorn in zijn stem. ’En commissaris Buitendam beschouw ik toch als een vriend.’

De Cock schudde zijn hoofd.

’De heer Buitendam weet van dit bezoek niets af. We hebben hem dat niet verteld. Gewoonlijk volg ik mijn eigen impulsen.’

’En die impulsen voeren u naar mij?’

De Cock knikte.

’Wij doen een onderzoek naar de moord op twee jonge vrouwen in Amsterdam. In dit onderzoek stuiten wij bij herhaling op de naam Matthias von Ravensburg. Volgens betrouwbare bronnen bent u met die Matthias von Ravensburg bevriend.’

’Dat klopt.’

De Cock glimlachte.

’Na het vinden van het stoffelijk overschot van Henriëtte de Waal, heeft de heer Von Ravensburg zich bij ons gemeld. Hij deed dit, zo hij zei, op aanraden van een vriend van hem bij de politie.’

De oude rechercheur wachtte even voor het effect.

’Was dat advies van u?’

’Is daar iets mis mee?’

De Cock schudde zijn hoofd.

’Hij was alleen niet erg mededeelzaam. Dat heeft ons onderzoek ernstig geschaad.’

Commissaris Kauwenaar zwaaide afwerend.

’Dat kan ik mij nauwelijks voorstellen.’

De Cock trok zijn gezicht in een ernstige plooi.

’Toch wel. Wanneer de heer Von Ravensburg openhartiger was geweest, dan hadden wij wellicht een tweede slachtoffer kunnen voorkomen.’

De oude rechercheur boog zich iets naar hem toe.

’Was hij op uw aanraden zo zwijgzaam?’

Commissaris Kauwenaar snoof. Op de bolle wangen van zijn rond gezicht kwamen rode blosjes.

’Is dit een verhoor?’ vroeg hij kwaad.

De Cock trok achteloos zijn schouders op.

’U mag het noemen hoe u wilt.’

Commissaris Kauwenaar gebaarde heftig.

’Ik heb Matthias von Ravensburg in bescherming willen nemen tegen Amsterdamse praktijken.’

De Cock grijnsde.

’Wijken die af van de gebruiken in Hilversum?’ vroeg hij argeloos.

Commissaris Kauwenaar klemde zijn lippen opeen.

’De recherche van Amsterdam heeft een reputatie. En dat is geen beste.’

De Cock maakte een verontschuldigend gebaar.

’Wij hebben de heer Von Ravensburg voorkomend behandeld. Dat kan hij ook in de toekomst van ons verwachten. Maar ons onderzoek is nu in een fase gekomen waarin wij het weigeren van het verstrekken van inlichtingen niet langer kunnen toestaan. De heer Matthias von Ravensburg zal ons de waarheid moeten vertellen.’

’Anders?’

’Verzoek ik per telex zijn opsporing, aanhouding en voorgeleiding.’

’Terzake?’

De Cock voelde hoe de woede in zijn aderen kroop.

’Moord, c.q. medeplichtigheid daaraan. Zegt u mij waar wij de heer Von Ravensburg kunnen treffen.’

Commissaris Kauwenaar kwam wild uit zijn stoel overeind. ’Ik zeg u niets,’ riep hij woedend.

Ook De Cock en Vledder stonden op.

De oude rechercheur keek de woedende man voor zich strak aan.

’U belemmert dus ons onderzoek… bewust?’

Het gezicht van commissaris Kauwenaar werd vuurrood. Een zenuwtrek zwiepte over zijn wangen. Hij strekte zijn arm in de richting van de deur.

’Eruit.’

De Cock en Vledder gingen.


De beide rechercheurs reden in mineurstemming naar Amsterdam terug. Het regende nog steeds, feller dan op de heenweg. Ook het verkeer op de A1 was intensiever. Langs de vrachtwagens spatte het vuile water van de weg hoog op.

Vledder keek opzij.

’Ik vind niet,’ sprak hij afkeurend, ’dat je deze aangelegenheid goed hebt aangepakt. Zo behandel je geen superieuren.’ De Cock drukte zich omhoog.

’Ik ken geen superieuren. Ik ken alleen lieden die hoger in rang zijn dan ik.’

Vledder schudde zijn hoofd.

’Het ging niet goed tussen jullie twee.’

De Cock reageerde geërgerd.

’Wat was er verkeerd?’

’Je maakte die man kwaad.’

De Cock brieste.

’Hij maakte mij kwaad,’ riep hij fel. ’Maar ik had gelukkig meer zelfbeheersing dan hij. Wat een hooghartig gewauwel. Moet onze eigen Buitendam hem eerst melden dat wij op bezoek komen… compleet met het hoe en waarom van onze missie?’ De oude rechercheur grinnikte vreugdeloos.

’Hij beschermde zijn vriend tegen Amsterdamse praktijken. Wat een onzin. Hebben wij zo’n slechte reputatie? Hij heeft Matthias von Ravensburg gewoon geïnstrueerd hoe hij ons onderzoek kon dwarsbomen. Commissaris Kauwenaar is meer vriend dan politieman.’

Vledder keek hem verrast aan.

’Meer vriend dan politieman?’

’Ja.’

’En dat neem je hem kwalijk?’

’Absoluut.’

’Een goede vriend gaat toch voor alles?’

De Cock schudde zijn hoofd.

’Wanneer je als praktiserend politieman tijdens een onderzoek vriendschap boven je plicht stelt, hoor je bij de politie niet thuis. Neem dan ontslag. Als uiterste consequentie. Maar speel geen dubbelrol.’

Vledder keek hem verschrikt aan.

’Wat ben je fel!’

De Cock knikte.

’Terecht, meen ik. Volgens mij houdt commissaris Kauwenaar die Matthias von Ravensburg voor ons verborgen. Wellicht kent hij zelfs de toedracht van de moorden in Amsterdam.’

’Hoe?’

De Cock gebaarde heftig.

’Via Matthias von Ravensburg. Die zal hem alles hebben opgebiecht en hem om raad hebben gevraagd. Misschien verleent hij hem zelfs onderdak. En dat vind ik een kwalijke zaak.’ Het gezicht van Vledder kreeg een peinzende trek. ’Denk jij dat Matthias von Ravensburg bij die moorden is betrokken?’

’Ja.’

Vledder keek hem verward aan.

’Als moordenaar?’

De Cock schudde zijn hoofd.

’Niet als moordenaar. Zo zit het niet. Ik denk niet dat commissaris Kauwenaar zijn vriend in bescherming had genomen wanneer Matthias von Ravensburg hem een moord had opgebiecht.’ De oude rechercheur grinnikte.

’Zover zou zijn vriendschap toch niet gaan.’

’Hoe is Matthias von Ravensburg er dan bij betrokken?’ De oude rechercheur liet zich onderuitzakken.

’Daar hoop ik nog eens achter te komen.’

’Hoe laat is de gerechtelijke sectie op het lijk van Annette van Dijk?’

’Twee uur. Dokter Rusteloos heeft eerst nog twee secties in Rotterdam.’

De Cock schoof de mouw van zijn regenjas iets terug en keek op zijn horloge.

’Het is kwart over een. We hebben nog drie kwartier. Redden we dat?’

Vledder knikte.

’Als we niet in een file terechtkomen.’

’Zal ik gaan.’

Vledder keek hem niet-begrijpend aan.

’Waarheen?’

’Naar de sectie.’

’Waarom?’

De Cock haalde zijn schouders op.

’De laatste keer vroeg je of ik de volgende sectie op mij wilde nemen.’

Vledder glimlachte.

’Daar ben ik al weer overheen.’

De Cock knikte hem bemoedigend toe.

’Mooi. Zo zie ik je graag. Hou jij de Golf maar tot je beschikking en laat mij in de buurt van Diemen uitstappen.’

’Heb je plannen?’

De Cock knikte.

’Ik wil nog eenmaal proberen om Josine Wijngaarden tot andere gedachten te brengen.’

’Waar ben je bang voor?’

De Cock sloot even zijn beide ogen.

’Dat ze contact opneemt met haar moordenaar.’


Op het Stationsplein stapte De Cock uit de tramtrein van lijn 9. In zijn slome slenterpas sjokte hij vandaar via de Prins Hendrikkade en de Haarlemmerstraat naar de Herenmarkt. Voor de deur bleef hij staan. Hij ontdekte dat iemand nu ook het naamplaatje van Annette van Dijk had verwijderd. Het stemde hem bitter. In zijn oude recherchehart groeide verzet tegen die malle meiden, die blijkbaar hun eigen dood zochten.

Hij belde langdurig, maar er kwam geen reactie.

De Cock bekeek het slot. Het was van een simpele constructie. Hij blikte wat schichtig om zich heen om te zien of iemand zijn handelingen in ogenschouw nam. Toen die blik hem geruststelde, nam hij het apparaatje van Handige Henkie uit zijn broekzak en in luttele seconden had hij deur ontgrendeld. Voorzichtig duwde hij met zijn knie de deur verder open en ging naar binnen.

De schemerlampen brandden niet. Van buiten, via de halfgesloten gordijnen, kwam maar weinig licht. De oude rechercheur keek om zich heen. Een impuls om kasten te doorzoeken, onderdrukte hij. Rechts van hem, in een hoek van het vertrek, stond op een halfrond tafeltje een telefoon. Hij liep erheen. Op een velletje van een blocnote stond een telefoonnummer. In een opwelling pakte hij de hoorn van het toestel en draaide het nummer. Op het moment dat iemand zich meldde, legde hij de hoorn op het toestel terug.

Verbijsterd staarde hij voor zich uit.

In het raderwerk van zijn denken schoot een vonk. Het systeem draaide direct op volle toeren. Reeksen van denkbeelden, mogelijkheden en motieven drongen zich aan hem op. Hij liet de notitie liggen, nam het nummer over in zijn zakboekje en verliet de woning. Buiten draaide hij de deur weer op slot. Met een gebaar van tederheid streelde hij het apparaatje van Handige Henkie en liet het in zijn broekzak glijden.

Op weg naar de Warmoesstraat overviel hem een sinister voorgevoel. Het klauwde in zijn borst en omklemde zijn hart. Half in draf liep hij verder, de Warmoesstraat voorbij, de Lange Niezel in. Verder via de Stormsteeg en de Binnen Bantammerstraat naar de Binnenkant. Voor het kraakpand 753 bleef hij staan. Hij voelde hoe zijn bloed pulseerde in een slagader in zijn nek.

Toen het kloppen iets rustiger was geworden en ook zijn ademhaling zijn oude ritme had hervonden, ging hij naar binnen en hees zijn negentig kilo langs een krakende trap naar de tweede etage. Opnieuw tastte hij naar zijn geliefd apparaatje. Toen hij de deur had geopend, was hij niet geschokt. Ze lag daar, zoals hij had verwacht haar te vinden… Josine Wijngaarden, met roodpaarse striemen aan haar hals.

Загрузка...