9

De Cock keek zijn jonge collega bewonderend aan.

’Een mooi requisitoir, een perfect opgebouwde aanklacht tegen Mariandel von Liechtenstein. Er is in jou een prima officier van justitie verloren gegaan.’

Vledder bloosde onder de lofzang.

’Het kwam zo in mij op. Ineens was alles klaar en helder voor mij.’

De Cock glimlachte.

’Eerlijk gezegd valt er tegen jouw redenering weinig in te brengen. Jaloezie kan iemand verteren en daarbij is het niet eens van belang of de jaloezie gerechtvaardigd is, of daarvoor gronden zijn.’

De oude rechercheur liep door.

Vledder kwam hem in de regen na.

’Wat doen we ermee?’

’Waarmee?’

’Wat ik je liet horen.’

De Cock schudde zijn hoofd.

’Niets,’ antwoordde hij kalm. ’Voorlopig helemaal niets.’ Vledder keek hem niet-begrijpend aan.

’Je zegt zelf dat er tegen mijn requisitoir weinig valt in te brengen.’

De Cock knikte.

’Dat is juist. Maar niet ieder requisitoir, niet elke aanklacht, hoe goed ook opgebouwd, leidt tot een veroordeling.’ Vledder keek hem argwanend aan.

’Jij gelooft niet in de schuld van Mariandel von Liechtenstein?’ Het was nu De Cock die plotseling bleef staan. Het was op de brug naar de Lange Niezel.

’Jij kunt best gelijk hebben,’ betoogde hij nadrukkelijk. ’Mariandel von Liechtenstein kan uit pure jaloezie tot moord zijn gekomen.’

’Nou?’

De Cock zuchtte.

’Alleen is het motief jaloezie zo moeilijk te bewijzen. Als wij Mariandel met de juiste rechtsmiddelen tot een bekentenis konden brengen, zou zij aan ons kunnen verklaren dat zij uit jaloezie had gehandeld… dat zij door jaloezie werd gedreven. En dan zal de rechter dat vermoedelijk als motief voor haar daden aanvaarden.’

’Je bedoelt… het fenomeen jaloezie is op zich niet aantoonbaar?’ De Cock knikte.

’Heel goed. Hetzelfde geldt voor haat. Een dader kan zeggen dat hij het slachtoffer uit haat heeft vermoord, maar als hij over dat motief zwijgt, hoe weten we dan dat de moord uit haat werd geboren?’

Vledder gromde.

’Wij sluiten Mariandel von Liechtenstein verder uit?’ vroeg hij tartend.

De Cock schudde zijn hoofd.

’Waarachtig niet,’ antwoordde hij geprikkeld. ’Ik voel wel wat voor jouw zienswijze, maar ik wil eerst over meer materiële bewijzen beschikken voor ik tot actie tegen haar overga.’ Vledder liep mokkend door en De Cock slenterde achter hem aan. De afstand werd gaandeweg kleiner. Aan het eind van de Lange Niezel liepen ze weer op gelijke hoogte.

Vledder blikte speels opzij. Er dartelde een glimlach om zijn lippen.

’We waren het weer eens niet met elkaar eens,’ sprak hij wat verlegen.

De Cock knikte met een grijns op zijn gezicht.

’Dat houdt mij jong. Maar ik zei al, ik voel best wat voor jouw theorie.’

In de Warmoesstraat, in de hal van het politiebureau, liep de oude rechercheur naar de balie en boog zich half over de zittende Jan Kusters.

’Nog nieuwe meldingen?’

De wachtcommandant schudde zijn hoofd.

’Gelukkig niet,’ verzuchtte hij. ’Het heeft hier vandaag al genoeg gespookt.’

De Cock glimlachte.

’Wanneer spookt het niet aan de Warmoesstraat?’

Hij duimde opzij naar zijn jonge collega.

’Wij hebben weer eens een lijk gevonden. Een jonge vrouw. Vledder zal dat onmiddellijk in jouw mutatierapport vermelden. Dan ben je weer volkomen op de hoogte.’

’Waar?’

’Wat bedoel je?’

’Waar was dat lijk?’

’Binnenkant zeven-vijf-drie.’

’Daar hadden we er toch al een?’

De Cock knikte.

’Dit is nummer twee.’

’Een ongezond adres.’

’Dat kun je wel zeggen. De mooie Mariandel von Liechtenstein ging daar met een sleutel in haar hand een kijkje nemen en stuitte op een dode vrouw.’

De wachtcommandant fronste zijn wenkbrauwen.

’Zij was toch ook min of meer betrokken bij dat eerste lijk op dat adres?’

De Cock keek even waarschuwend naar Vledder.

’Door haar vonden wij op de Binnenkant, puur bij toeval, de dode Henriëtte de Waal.’

’Ik herinner mij zoiets.’

’Heb je die mooie vrouw naar huis laten brengen?’ Jan Kusters knikte.

’Ik zei tegen de diender die haar naar huis bracht: breng tijdens de rit dat lijk op de Binnenkant eens ter sprake. Dat heeft die diender keurig gedaan.’

’En?’

De wachtcommandant maakte een grimas.

’Mariandel von Liechtenstein liet zich niet uithoren. Ze zei alleen: ”Het waren allebei sletten.” Verder commentaar wilde ze niet leveren.’

Van achter de schrijfmachine van de wachtcommandant keek Vledder naar De Cock op.

’Sletten, een uiting van jaloezie?’

De Cock schudde zijn hoofd.

’Van haat.’


Ze slenterden vanuit de Warmoesstraat via de Oudebrugsteeg naar de Nieuwendijk. Vledder keek op zijn polshorloge.

’Het is al tien uur. Wil je per se nu nog naar de Herenmarkt?’ De Cock knikte.

’Zeker. Ik wil eindelijk wel eens een doorbraak in deze zaak.’ Vledder gniffelde.

’En dacht je die op de Herenmarkt te vinden?’ vroeg hij spottend.

De Cock trok zijn schouders op.

’Van de drie vriendinnen zijn er nu twee gesneuveld. Ik wil de derde waarschuwen voor de gevaren die er, zo lijkt het, voor haar op de Binnenkant bestaan.’

Vledder schudde zijn hoofd.

’De gevaren schuilen niet op de Binnenkant, maar in een relatie met Matthias von Ravensburg.’

De Cock keek opzij.

’Jij denkt,’ vroeg hij peinzend, ’dat net als Henriëtte de Waal ook Annette van Dijk een relatie had met Matthias von Ravensburg?’

Vledder knikte nadrukkelijk.

’Die had ze. Daarom kwam Mariandel von Liechtenstein in het geweer.’

De Cock grinnikte.

’Ik heb er nog eens over nagedacht, maar dat is toch puur speculatief. Er is geen enkele indicatie dat Annette van Dijk iets met Matthias von Ravensburg had of dat Mariandel von Liechtenstein van zo’n relatie wist. Mariandel zegt dat ze de dode vrouw die zij in dat krot aan de Binnenkant aantrof, in het geheel niet kende.’

Vledder grijnsde.

’Die ontkenning was toch haar redding!’ riep hij luid en overtuigend. ’Als Mariandel von Liechtenstein had gezegd dat ze Annette van Dijk kende… wel eens in gezelschap van haar Matthias von Ravensburg had gezien, dan was jij vermoedelijk wel met graagte op mijn jaloezie-theorie ingegaan.’

De jonge rechercheur staarde bars voor zich uit.

’Ik moet die Mariandel von Liechtenstein niet. Ze doet zich voor als een vrouw die alles wil doen om haar geliefde Matthias bij haar terug te krijgen, maar bij elke gelegenheid suggereert zij ons dat Matthias von Ravensburg de man is die de wurgmoorden op zijn geweten heeft.’

De Cock gaf geen weerwoord. Zwijgend liepen ze verder van de Nieuwendijk via de Haarlemmerstraat naar de Herenmarkt. De Cock belde. Na ongeveer een minuut opende Josine Wijngaarden de deur. Ze droeg een slobberig lichtblauw joggingpak. Het jack van het pak had diagonale witte strepen en een geborduurd embleem op het borstzakje. Met een blik van verbazing in haar helgroene ogen keek ze van De Cock naar Vledder en terug.

’Is er wat?’

Opnieuw viel het De Cock op hoe onvrouwelijk haar stem klonk.

’Wij wilden even met u praten.’

Josine Wijngaarden keek hem kort aan.

’Duurt het lang?’ vroeg ze geprikkeld. ’Ik heb nog een afspraak.’

De Cock schudde zijn hoofd.

’Hoe sneller u ons binnen laat, hoe sneller wij weer weg zijn.’ Josine deed een stap opzij en liet de rechercheurs langs zich heen gaan. Daarna deed ze de deur dicht.

De Cock en Vledder liepen inmiddels door naar de gezellig ingerichte woonkamer met de vele schemerlampen. Zonder daartoe te zijn uitgenodigd liet De Cock zich in een van de fauteuils zakken. Hij nam zijn hoedje af en legde dat naast zich op het vloerkleed. Vledder bleef achter haar staan, als een trouwe adjudant.

Josine Wijngaarden nam tegenover hem op de bank plaats.

’Hebt u de moordenaar van Henriëtte al gevonden?’ vroeg ze hard.

De Cock schudde zijn hoofd.

’Wij doen ons best.’

Josine Wijngaarden grinnikte vreugdeloos.

’Dat zal wel.’

De Cock negeerde de opmerking.

’Ik heb u vanmorgen gevraagd of u wel eens een adres aan de Binnenkant hebt horen noemen. U hebt toen ontkennend geantwoord. Ik stel die vraag nog eens: hebt u wel eens een adres aan de Binnenkant horen noemen of kent u zelf zo’n adres?’ Josine Wijngaarden keek hem verstoord aan.

’Waarom zou ik op die vraag nu anders antwoorden dan vanmorgen?’

De Cock weifelde even.

’Omdat wij,’ sprak hij strak, ’vanavond op dat adres na Henriëtte de Waal nu ook een dode Annette van Dijk hebben aangetroffen.’

Josine Wijngaarden sloeg haar rechterhand voor haar mond.

’Annette… dood?’

De Cock knikte.

’Op eenzelfde wijze gewurgd als Henriëtte de Waal.’ Josine Wijngaarden zuchtte diep.

’Verschrikkelijk.’

De Cock keek haar onderzoekend aan.

’Is dit voor u een reden om uw antwoorden van vanmorgen te wijzigen?’

Josine Wijngaarden keek naar hem op. Op haar gezicht lag een verbeten trek.

’Nee.’

Het klonk hard, onverzettelijk.

’U kent geen Matthias von Ravensburg?’

’Nee.’

’U hebt nooit van ene Mariandel von Liechtenstein gehoord?’

’Nee.’

’U kunt mij inzake de moorden op Henriëtte de Waal en Annette van Dijk geen aanwijzingen geven?’

’Nee.’

De Cock boog zich iets naar haar toe.

’Josine Wijngaarden,’ sprak hij vriendelijk, ’ik weet niet waarom Henriëtte de Waal en Annette van Dijk werden vermoord, ik tast daarover nog volkomen in het duister, maar mijn gevoel zegt mij, dat u alledrie betrokken bent bij iets dat tot die twee moorden heeft geleid.’

De oude rechercheur zweeg even, toen veranderde hij van toon.

’In dat kader acht ik het niet onmogelijk dat u het derde slachtoffer wordt.’

Josine Wijngaarden schudde haar hoofd.

’Ik ben niet bang.’

De Cock nam haar scherp op.

’Ik denk,’ sprak hij zacht, ’dat Henriëtte de Waal en Annette van Dijk ook niet bang zijn geweest. Toch werden zij verrast en vonden een wurgende hand om hun hals.’

Josine Wijngaarden stond van de bank op.

’Ik heb met hun dood niets te maken.’

De Cock stak in een gebaar van wanhoop zijn armen omhoog.

’Ik probeer uw leven te redden.’

Josine Wijngaarden snoof.

’U spreekt wartaal. U hoeft mijn leven niet te redden. Daar vraag ik niet om.’

De Cock zuchtte.

’Ik ben ervan overtuigd dat u mij kunt helpen om de moordenaar of moordenares van uw beide vriendinnen te ontmaskeren.’

Josine Wijngaarden schudde haar hoofd.

’Zij waren mijn vriendinnen niet. Wij woonden alleen samen. Verder was er niets tussen ons.’

Ze grijnsde.

’En het vinden van hun moordenaar of moordenares… daar heeft de staat u voor ingehuurd.’


Ze liepen in een bedrukte stemming van de Herenmarkt weg. Het regende nog steeds. Het natte asfalt van de Haarlemmerstraat weerspiegelde veelkleurige lichtreclames. Maar het was stil. De aanhoudende regen had de mensen verjaagd. De Cock sjokte somber voor zich uit starend verder en Vledder schuimbekte.

’Wat een stinkgriet,’ riep hij hartgrondig. ’Wat een brok gevoelloos rotwijf. Geen greintje medeleven of verdriet. Of het wegvallen van een mens met wie je jaren hebt samengewoond niets betekent. Toen ze zo tegen jou tekeerging, had ik haar bijna een klap op haar bek gegeven.’

De Cock glimlachte.

’Ik ben blij,’ sprak hij simpel, ’dat je dat niet hebt gedaan. Daar draai je tegenwoordig als politieman de kast voor in.’ Vledder bromde.

’Die griet is geschift.’

De Cock schudde zijn hoofd.

’Dat is ze beslist niet. Integendeel, ik schat haar uiterst intelligent.’

Vledder maakte een hulpeloos gebaar.

’Waarom zo’n houding?’

De Cock grijnsde.

’Omdat Josine Wijngaarden vermoedelijk wel bij de moorden is betrokken en ons dat op geen enkele wijze wil laten blijken.’


Toen ze de hal van het politiebureau binnenstapten, wenkte Jan Kusters De Cock met een kromme vinger.

De oude rechercheur liep naar hem toe.

’Ik ben in feite allang naar huis. Je kunt mij nergens meer op afsturen.’

De wachtcommandant lachte.

’Zolang ik je ken, zwerf je bij nacht en ontij door de buurt.’ De Cock negeerde de opmerking.

’Wat heb je?’

Jan Kusters wees naar de zoldering.

’Boven zit een jongeman op je te wachten. Hij kwam hier een minuut of vijf geleden binnen en vroeg naar jou.’

’Hoe heet hij?’

De wachtcommandant raadpleegde een notitie.

’Klaassen… met dubbel aa en dubbel ss.’

De Cock grijnsde.

’Als zijn voornaam maar geen Jan is.’

De oude rechercheur liep bij de wachtcommandant weg en besteeg de trappen naar de tweede etage.

Vledder volgde.

Op de bank bij de toegangsdeur naar de grote recherchekamer zat een jongeman. De Cock schatte hem op achter in de twintig. Hij droeg een groene trenchcoat met schouderflappen. Toen hij de oude rechercheur in het oog kreeg, kwam hij van de bank overeind en stapte dreunend op hem toe.

’Wat is er met Annette?’

De Cock reageerde niet direct. Hij keek de jongeman onderzoekend aan. Hij had stug donker haar, grote bruine ogen en zijn gezicht was bedekt met een baard van enkele dagen.

’Wat is er met Annette?’

De jongeman herhaalde zijn vraag.

De Cock vatte hem bij de arm en leidde hem de grote recherchekamer binnen. Daar liet hij hem op de stoel naast zijn bureau plaatsnemen. De grijze speurder zwiepte zijn oude hoedje missend naar de kapstok en ging met zijn regenjas nog aan achter zijn bureau zitten. Hij boog zich naar de jongeman toe.

’Hoe weet jij dat er iets met Annette is gebeurd?’

’Josine belde mij nog geen kwartier geleden op. Ze zei dat u bij haar was geweest en had gezegd dat Annette was vermoord.’ De Cock maakte een berustend gebaar.

’Dan behoef ik u toch niets meer uit te leggen.’

De jongeman verschoof iets op zijn stoel.

’Ik wil weten hoe het is gebeurd… waar, en wie het heeft gedaan.’

De Cock bracht zijn gezicht in een beminnelijke plooi.

’Wie bent u en vanwaar uw belangstelling?’ vroeg hij vriendelijk.

De jongeman knoopte zijn jas los.

’Ik ben Casper, Casper Klaassen. Annette van Dijk is… eh, was mijn vriendin. Wij gaan al meer dan twee jaar met elkaar om.’

’Nooit aan trouwen gedacht?’

Casper Klaassen knikte.

’Wel gedacht, maar geldgebrek heeft onze plannen vertraagd. We wilden goed beginnen… compleet met een eigen huis.’ De Cock knikte begrijpend.

’Wij hebben Annette gevonden op de tweede etage van een kraakpand aan de Binnenkant. Heeft Annette wel eens iets over zo’n kraakpand gezegd?’

Casper Klaassen schudde zijn hoofd.

’Wat had ze daar te zoeken?’

De Cock glimlachte.

’Een goede vraag, waarop ik jou het antwoord schuldig moet blijven.’

Hij zweeg even.

’Kwam je wel eens op de Herenmarkt?’

Casper Klaassen knikte traag.

’Een enkele keer. Niet dat ik daar pontificaal op visite ging, maar ik haalde Annette wel eens af om te gaan stappen. Ze was meestal niet direct klaar. Dan onderhield ik mij intussen met de anderen.’

’Je kent dus Josine?’

’Uiteraard.’

’En Henriëtte de Waal?’

’Ook.’

De Cock boog zich vertrouwelijk naar voren.

’Wie is Matthias von Ravensburg?’

Casper Klaassen glimlachte.

’Een docent.’

De oude rechercheur keek hem verrast aan.

’Een docent?’

’Ja.’

’Waar?’

’Aan de Amsterdamse Academie voor Beeldende Kunst.’

’Hoe weet jij dat?’

Casper Klaassen gebaarde.

’Van Annette. Henriëtte heeft daar gestudeerd. Matthias von Ravensburg was haar docent… en soms nog iets meer dan dat.’ De Cock glimlachte.

’Een verhouding?’

Casper Klaassen knikte nadrukkelijk.

’Volgens mijn Annette. Henriëtte werd er wel mee geplaagd. Oude liefde roest niet. Soms vlamde die oude liefde heftig op. Dan gingen die twee samen weer uit.’

’Ondanks de andere liefdes van Henriëtte?’

Casper Klaassen grijnsde.

’Ondanks die andere liefdes. Henriëtte nam het met de liefde niet zo nauw.’

’Heeft jouw Annette ook aan die Amsterdamse Academie voor Beeldende Kunst gestudeerd?’

Casper Klaassen schudde zijn hoofd.

’Annette zat in de verpleging. Ze werkte in het Academisch Medisch Centrum.’

’Geen vetpot.’

Casper Klaassen maakte een berustend gebaar.

’Ik werk op een handelskantoor. Dat betaalt ook niet veel, maar Annette verwachtte binnenkort over voldoende financiële middelen te beschikken.’

De Cock trok een denkrimpel in zijn voorhoofd.

’Hoe?’

Casper Klaassen trok zijn schouders iets op.

’Een erfenis van een oudoom. Ze deed er nogal geheimzinnig over.’

’En u vroeg niet verder?’

Casper Klaassen spreidde zijn handen in een hulpeloos gebaar.

’Annette… Annette was een nogal dominante tante. Daar bedoel ik niets kwaads mee. Ze regelde alles. Ze was bedillerig. Verpleegsters zijn of worden dat op den duur door hun beroep. Je zult wel zien, zei ze, mag jij een huis voor ons uitzoeken.’

Загрузка...