13

Rechercheur De Cock zat naast Vledder in de donkere laadruimte van een oude gammele bestelbus met op de buitenkant als opschrift de naam van een niet bestaand aannemersbedrijf. Hij had de bestelauto tijdelijk van het hoofdbureau te leen. En dat was niet voor de eerste keer.[7] Het onooglijke busje werd door de rechercheurs van kamer 119 zo nu en dan als geheime observatiepost gebruikt. De Cock onderkende de waarde daarvan en wanneer hij het noodzakelijk achtte, eiste hij het busje op. Middels wijkagent Joep de Groot had hij aan het water op de Binnenkant tegenover het bewuste kraakpand een parkeerplaats voor het busje gereserveerd. Via kijkgaten aan de achterkant van het busje had hij een goed zicht op de ingang met de scheefhangende toegangsdeur. Vledder hield het uitzicht over de gracht. De Cock had opnieuw een beroep gedaan op zijn collega’s Appie Keizer en Fred Prins. Zoals steeds hadden zij blijmoedig hun medewerking toegezegd. Appie Keizer acteerde als een onopvallende in lompen gehulde oude zwerver, terwijl De Cock de sterke en zwaargebouwde Fred Prins in het kraakpand had geposteerd. De grijze speurder had zijn aanvankelijk plan om Matthias von Ravensburg als lokaas in het krot op de tweede etage op te sluiten, laten varen. De oude rechercheur vond het risico te groot. Het leek hem onmogelijk om de man voldoende bescherming te bieden wanneer hij met de opdoemende dader zou worden geconfronteerd. Een bedwelming met chloroform was snel gebeurd. En een vierde slachtoffer in hetzelfde kraakpand onder zijn toezicht kon hij zich niet permitteren.

Hij had Matthias von Ravensburg samen met Mariandel von Liechtenstein, met toestemming van beiden, tot afloop van de actie in een celletje opgesloten. Jan Kusters zou voor enig toezicht zorgen.

Als het inzicht van de grijze speurder juist was, droeg de dader voldoende attributen bij zich om tot een afdoende bewijsvoering te komen. Hij dacht daarbij aan een flesje met chloroform en een passende sleutel van de toegangsdeur tot de ruimte waar de drie vrouwen de dood hadden gevonden. Moordenaars en inbrekers, zo was zijn ervaring, weken zelden van een eenmaal gevolgde werkwijze af.

Toch was De Cock er niet helemaal gerust op dat zijn plan zou slagen. Er kon nog van alles misgaan. De gehele opzet berustte op zijn theorie, dat Matthias von Ravensburg als laatste een bedreiging voor de moordenaar vormde. Na de dood van die man had hij van niemand meer iets te duchten.

De oude rechercheur blikte op de verlichte wijzerplaat van zijn polshorloge. Het was kwart voor tien. Hij had nog een kwartier. Volgens de afspraak die Matthias von Ravensburg onder zijn toezicht met de moordenaar had gemaakt, zou de ontmoeting om exact tien uur in het vertrek op de tweede etage plaatsvinden. De grijze speurder hield er terdege rekening mee dat de moordenaar uit oogpunt van verrassing iets eerder zou komen opdagen. Dat was hem wel eens vaker overkomen. De Cock glimlachte fijntjes. Maar hoe dan ook, de moordenaar wachtte geen Matthias von Ravensburg, maar een zeer weerbare Fred Prins, die, zo was De Cocks overtuiging, de man gemakkelijk onder controle zou brengen.

De oude rechercheur bedacht dat hij veel had te danken aan het tweetal Appie Keizer en Fred Prins. Het aantal keren dat deze mannen hem in een avontuur hadden bijgestaan, was bijna niet meer te tellen. Hij zou Buitendam, in goede bui, eens attenderen op het feit dat deze mannen wel eens voor een beloning in aanmerking dienden te komen.

De mobilofoon in de binnenzak van zijn regenjas kraakte. De stem van Appie Keizer kwam door.

’Van welke kant verwacht je dat hij zal komen?’

De Cock pakte zijn mobilofoon.

’Dat had ik je moeten zeggen. De Binnenkant heeft eenrichtingsverkeer. Als goed weggebruiker komt hij vanuit de richting Kalkmarkt. Maar daar zou ik maar niet op rekenen. Ik weet ook niet of hij te voet komt of met een auto. Het lijkt mij het beste dat je zo dicht mogelijk in de buurt van het kraakpand blijft.’ Hij borg zijn mobilofoon weer weg en stootte Vledder aan. ’Kan jij met jouw nachtkijker beide zijden van de Binnenkant in het oog houden?’

Vledder bromde.

’Niet tegelijk.’

’Probeer het toch maar. Je kunt van de ene zijde van de wagen naar de andere stappen. Er zijn kijkgaten aan beide kanten van de bus.’

De mobilofoon in zijn regenjas kraakte en opnieuw kwam de stem van Appie Keizer door.

’Vanaf de Kalkmarkt komt langzaam een auto rijden. Ik heb zijn kenteken genoteerd. Het is een bordeauxrode Peugeot vier-nulzes.’

Vledder naast hem ademde diep.

’Hij rijdt door.’

De Cock snoof.

’Hij kijkt of de kust hier veilig is. Hij kan rondrijden via de Prins Hendrikkade en straks weer vanuit de richting Kalkmarkt komen.’ Vledder gniffelde.

’Ik verwacht niet dat hij zijn wagen voor de deur van het kraakpand parkeert.’

De Cock reageerde niet. Hij voelde hoe de spanning bezit van hem nam. Zijn hart bonkte in een hoog tempo en een ader pulseerde in zijn hals.

De minuten verstreken langzaam… elke minuut een eeuwigheid. Appie Keizer kwam opnieuw door.

’Er komt te voet een man vanuit de richting Kalkmarkt. Ik kan zijn gelaatstrekken van hieruit niet onderscheiden. Maar ik ga niet dichter naar hem toe want dan hoort hij misschien mijn stem.’

De Cock stootte Vledder aan.

’Heb je gehoord wat Appie zei? Kan je hem met de kijker zien?’

’Ja. Hij komt dichterbij. Nog even, dan moet jij hem vanuit de achterdeuren ook kunnen zien.’

De Cock hijgde.

’Het is hem. Hij gaat naar binnen.’

De Cock en Vledder verlieten haastig de laadruimte van het bestelbusje en posteerden zich bij de toegangsdeur van het kraakpand. Binnen klonk een hevig rumoer en enkele seconden later stormde een man langs hen heen de straat op.

Appie Keizer en Vledder zetten onmiddellijk de achtervolging in. Vooral Vledder had een snelle start. De afstand tussen hem en de vluchtende man werd zichtbaar kleiner.

Half waggelend kwam Fred Prins de trap van het kraakpand af. Om zijn kleding hing de weeïg zoete geur van chloroform. De Cock keek hem verschrikt aan.

’Wat is er gebeurd?’

Fred Prins keek hem met geloken ogen aan.

’Smeer… smeerlap,’ stotterde hij. ’Toen hij mij zag smeet hij een flesje met chloroform tegen de kale muur. Het plofte uit elkaar en de inhoud droop van de wand. Ik was even bedwelmd.’ De Cock knikte.

’En hij zag kans te vluchten.’

’Ik kon er niets aan doen.’

De Cock schudde zijn hoofd.

’Natuurlijk niet,’ sprak hij geruststellend. ’Ik heb niet bedacht dat de man het flesje met chloroform ook als projectiel kon gebruiken.’

De oude rechercheur keek de gracht af en zag hoe Vledder de vluchtende man met een flying tackle velde.

Nog onvast ter been liep Fred Prins aan de zijde van De Cock naar de plek waar Vledder met zijn volle gewicht boven op een liggende man zat. Toen ze naderbij waren gekomen, keek de jonge rechercheur hijgend omhoog. Hij wees naar het hoofd tussen zijn knieën.

’Het is De Koning… Lubbert de Koning van de ErDeeCeeAa… die stoffige personeelschef van de Real Dutch Continental Airlines.’

De Cock knikte traag.

’Le Roi Lumière.’

Загрузка...