4

Vledder keek De Cock verslagen aan.

’Je liet hem gaan. Je liet hem gewoon gaan.’ Zijn stem trilde. ’Als vrij man liet je hem het bureau uit huppelen.’

De jonge rechercheur grinnikte vertwijfeld.

’Terwijl wij niet eens weten waar hij zich ophoudt, waar hij verblijft. Die vent liegt. Ik geloof niets van zijn verhaal.’ De oude rechercheur trok zijn schouders op.

’We leven niet meer in de Middeleeuwen,’ reageerde hij gelaten. ’In ons huidige rechtsbestel worden verdachte personen geen biechtkinderen meer genoemd. De tortuur is afgeschaft. De pijnbank is verdwenen en ik ben gelukkig niet meer gerechtigd om hem de duimschroeven aan te draaien.’

Het klonk cynisch, maar uit de mond van De Cock vertrouwd.

’Hij had ons kunnen helpen.’

De Cock maakte een hulpeloos gebaar.

’Matthias von Ravensburg is niet verplicht om ons zijn medewerking te verlenen. Dat mag hij weigeren. Ik kan hem niet dwingen om iets te zeggen wat hij niet zeggen wil. Verklaringen moeten in alle vrijheid worden afgelegd. Dat staat in de wet.’ Vledder schudde geërgerd zijn hoofd.

’We hadden hem toch een paar dagen in de cel kunnen stoppen. Misschien was hij dan tot ander gedachten gekomen.’ De Cock keek hem vragend aan.

’Op basis waarvan? Op welke gronden hadden wij hem moeten arresteren?’

Vledder stak zijn kin naar voren.

’Verdacht van moord.’

’Op Henriëtte de Waal?’

’Ja.’

’Noem mij feiten en omstandigheden waarop ons vermoeden zou moeten rusten… hoe wij een rechtbank hadden kunnen overtuigen van zijn schuld.’

Vledder reageerde heftig.

’Natuurlijk had die Matthias von Ravensburg een relatie met Henriëtte de Waal. Die twee kenden elkaar drommels goed.’ De Cock spreidde zijn handen.

’Dat ontkent hij toch niet. Hij wil ons alleen de aard van die relatie niet onthullen.’

’Waarom niet?’

De Cock glimlachte.

’Het is aan ons, rechercheurs, om op die vraag een antwoord te vinden.’

’Misschien ligt in die relatie… hoe die ook moge zijn… wel het motief voor de moord op Henriëtte de Waal.’

De Cock keek zijn jonge collega schattend aan.

’Wat blijf je toch hameren,’ sprak hij ernstig. ’Denk je oprecht dat Matthias von Ravensburg Henriëtte de Waal heeft omgebracht?’

Vledder knikte nadrukkelijk.

’Dat denk ik.’

’Waarom?’

Vledder ademde diep.

’Hij zegt dat hij haar dood aantrof. Ze voelde volgens hem nog warm aan. Maar dat geloof ik niet. Hij heeft haar zelf gewurgd en dat is de ware reden waarom hij geen ambulance heeft laten komen en waarom hij de politie niet heeft ingeschakeld. Hij wilde het moment van ontdekking zo ver mogelijk wegschuiven. Als jij vanmorgen niet zo doortastend was geweest, lag Henriëtte de Waal daar nog te rotten onder een…’

Vledder stokte.

Mariandel von Liechtenstein stormde met een rood hoofd de grote recherchekamer binnen. Haar lange blonde haren wapperden. Voor het bureau van De Cock bleef ze hijgend staan. Haar fraaie boezem danste.

’Hij heeft mij gebeld.’

De Cock keek haar onbewogen aan.

’Ga zitten,’ gebood hij streng. ’Wie heeft u gebeld?’ Mariandel liet zich op de stoel naast zijn bureau zakken. ’Matthias.’

’En?’

’Hij zegt dat hij bij u is geweest.’

De Cock knikte.

’Dat klopt.’

Mariandel gebaarde wild.

’Waarom hebt u hem niet vastgehouden? Dat kunnen jullie toch? Waarom hebt u mij niet gewaarschuwd, dan had ik hem kunnen ophalen… meenemen naar huis. Ik heb hem al zo lang gemist.’ Ze snikte.

’Matthias zegt dat hij voorlopig niet bij mij terugkomt.’ De Cock zuchtte.

’Heeft hij ook gezegd waarom hij voorlopig niet bij u terugkomt?’

Mariandel schudde haar hoofd.

’Daar heeft hij niets over gezegd. Hij was heel kort. Gejaagd. Ik denk dat hij bij die meid is aan de Binnenkant.’

’Bij Henriëtte de Waal?’

Mariandel knikte nadrukkelijk.

’Dat kan toch niet anders? Bij wie zou hij dan moeten zijn?’ De Cock boog zich iets naar haar toe.

’Heeft Matthias gezegd waarom hij hier bij ons aan het bureau was?’

’Nee.’

De Cock fronste zijn wenkbrauwen.

’Hij heeft u niet verteld wat er met Henriëtte de Waal is gebeurd?’

Mariandel keek hem onderzoekend aan.

’Is er wat met haar gebeurd?’

De Cock knikte.

’Ze werd vermoord.’

’Vermoord?’

’Ja, duidelijk.’

’Hoe?’

’Gewurgd.’

Mariandel aarzelde. In haar blauwe ogen blonk argwaan.

’Met… eh, met de handen?’

’Inderdaad.’

Mariandel keek verschrikt op. De argwaan verdween. Haar ogen werden groot en angstig en haar handen trilden.

’Mat… Matthias,’ stotterde ze. ’Matthias legde wel eens zijn handen om mijn hals. Plagerig. Als een spel. Dan lachte hij op een vreemde manier, niet blij, vrolijk, maar satanisch. Het waren momenten dat ik doodsbang voor hem was.’


Toen Mariandel de recherchekamer had verlaten, keek Vledder zijn oude leermeester uitdagend aan.

’Wat heb ik gezegd?’ riep hij triomfantelijk. ’We hebben de moordenaar van Henriëtte de Waal uit onze handen laten glippen. De verklaring van Mariandel von Liechtenstein getuigt…’ De Cock onderbrak hem. Ongeduldig.

’…dat hij tot een wurgmoord in staat is?’

Vledder knikte.

’Zeker. Die Matthias von Ravensburg is een onbetrouwbare vent. Hij liegt zelfs tegen de vrouw die hem liefheeft en met wie hij vijf jaar heeft samengewoond.’

De Cock schudde zijn hoofd.

’Hij heeft niet gelogen. Hij heeft alleen zaken voor haar verzwegen.’

Vledder negeerde de opmerking.

’Zal ik toch maar een ooaaveetje over hem versturen, als verdacht van moord?’

De Cock glimlachte om Vledders enthousiasme.

’Ik voel er nog niets voor,’ sprak hij hoofdschuddend. ’Bedenk dat hij zelf heeft gezegd: als er iets met ”mij” gebeurt. Hij verwacht blijkbaar iets, iets wat hem kan overkomen.’ De oude rechercheur maakte een weids gebaar.

’Het is volgens mij nog veel te vroeg om hem te laten arresteren. Wat heb ik er aan als ik Matthias von Ravensburg na een paar dagen weer los moet laten. Laten we rustig wachten tot onze bewijsvoering een hechtere basis heeft. En misschien maakt hij vandaag of morgen een foutje.’

Terwijl Vledder mokte, stond De Cock van zijn stoel op en slenterde naar de kapstok.

Vledder kwam hem na.

’Waar ga je heen?’

De Cock draaide zich half om.

’Kijken hoe Henriëtte de Waal onder normale omstandigheden woonde en leefde. Misschien vinden we bij haar thuis brieven, bescheiden, die ons wat wijzer maken.’


In de toch nog kille avondlucht van mei slenterden ze via de Oudebrugsteeg en de Nieuwendijk naar de Haarlemmerstraat. Het was er gezellig druk. Sinds grotendeels het verkeer uit de smalle straat was geweerd, hadden zich er steeds meer kleine horecabedrijfjes gevestigd. Vaak met een exotische keuken. In een zoete walm van steeds wisselende geuren sloften ze bij het oude West Indisch Huis naar de Herenmarkt.

Voor het huis van Henriëtte de Waal bleven ze staan. De Cock bekeek de witte plastic drukbouton, waaronder de emaillen naamplaatjes van Annette van Dijk en Josine Wijngaarden. In het hout was een afdruk te zien waar een derde naamplaatje bevestigd was geweest. De oude rechercheur wees ernaar.

’Iemand heeft het naamplaatje van Henriëtte de Waal hier losgeschroefd en op de Binnenkant aan de deur van dat krot bevestigd.’

Vledder snoof.

’Matthias von Ravensburg.’

De Cock reageerde niet. Hij drukte op de bouton en hoorde het geluid van een bel. Na enkele seconden werd de deur geopend door een jonge vrouw. De Cock schatte haar op rond de vijfentwintig jaar. Ze droeg een rode blouse op een blauwe spijkerbroek. Haar voeten staken in een paar pantoffels. Met verbazing in haar ogen keek ze de beide mannen aan.

De grijze speurder lichtte beleefd zijn hoedje.

’Mijn naam is De Cock met… eh, met ceeooceekaa.’ Hij duimde opzij. ’En dat is mijn collega Vledder. Wij zijn als rechercheur verbonden aan het politiebureau in de Warmoesstraat.’ De jonge vrouw fronste haar wenkbrauwen.

’Recherche?’

De Cock knikte. Hij gleed met de wijsvinger van zijn linkerhand langs de naamplaatjes aan de deur.

’Wie bent u, Annette van Dijk of Josine Wijngaarden?’

’Annette van Dijk.’

’Als ik goed ben geïnformeerd, dan woont hier toch ook ene Henriëtte de Waal?’

Annette van Dijk knikte.

’Haar naamplaatje is gestolen.’

’Door wie?’

’Geen idee.’

De Cock gebaarde voor zich uit.

’Kunnen we binnen even praten?’

Annette van Dijk deed de deur verder open en liet de rechercheurs langs zich heen gaan. Daarna deed ze de deur dicht en leidde hen naar een gezellig ingerichte woonkamer met veel schemerlampen, een lage bank en twee fauteuils om een ronde tafel. Verder waren er een paar lederen poefs en een breedbeeld televisietoestel.

Annette van Dijk beduidde de rechercheurs dat ze in de fauteuils konden plaatsnemen. Zelf ging ze tegenover hen op de bank zitten.

’Is er wat?’ vroeg ze onzeker. ’Ik zie niet graag recherche bij ons aan de deur.’

De Cock negeerde de vraag. Hij legde zijn hoedje naast zich op het vloerkleed.

’Hoe lang wonen jullie hier al met z’n drieën?’

’Een paar jaar.’

’En het gaat goed?’

Annette van Dijk toonde verwondering.

’Waarom zou het niet goed gaan?’

De Cock glimlachte.

’Onder jonge vrouwen komen gemakkelijk strubbelingen voor, verschil van inzichten… jaloezie… nieuwe liefdes.’ Annette van Dijk schudde haar hoofd.

’Dat speelt bij ons niet.’

Het klonk overtuigend.

De Cock blikte om zich heen.

’Heeft Henriëtte de Waal in deze woning een eigen slaapvertrek?’

Annette van Dijk knikte.

’Uiteraard heeft ze die. We hebben alledrie ons eigen slaapvertrek.’

De Cock stond op.

’Mogen we daar even kijken.’

Annette van Dijk kwam ook overeind en schudde haar hoofd.

’Daar kan ik u geen toestemming voor geven,’ sprak ze pertinent. ’Henriëtte is er niet. Ze is al een paar dagen weg. Als zij het zelf goed zou vinden, dan…’

Ze maakte haar zin niet af.

De Cock ging weer zitten.

’Enig idee waar Henriëtte is?’

Ook Annette van Dijk nam opnieuw plaats en trok haar schouders op.

’Ze had een nieuw vriendje. Henriëtte deed daar nogal geheimzinnig over. Misschien is ze bij hem.’

’U weet niet wie dat vriendje is?’

Annette van Dijk schudde haar hoofd.

’Josine en ik hebben haar daarover wel gepolst, maar Henriëtte liet niets los. Ze was op dat punt toch nooit erg mededeelzaam. Liefdes, zo vond zij, waren een privé-aangelegenheid. Daar hadden Josine en ik niets mee te maken.’

De Cock plukte aan het puntje van zijn neus.

’Hebt u in verband met Henriëtte wel eens iets gehoord over een adres aan de Binnenkant?’

Annette van Dijk keek hem verrast aan.

’Binnenkant?’

De Cock knikte.

’Binnenkant 753.’

’Wat is daar?’

De Cock vouwde zijn handen.

’Daar… eh, daar,’ sprak hij gedragen, ’hebben wij vanmorgen Henriëtte de Waal gevonden… vermoord.’

Annette van Dijk verstijfde. Met halfopen mond staarde ze naar de oude rechercheur.

’Vermoord?’

De Cock knikte.

’Iemand kneep haar keel dicht en hield dat een tijdje vol.’ Het was opzet dat hij zich zo cru uitdrukte.

Annette van Dijk slikte.

’Gewurgd?’

’Inderdaad.’

’Door wie?’

De Cock wreef zich achter in zijn nek.

’Het is onze taak haar moordenaar te ontmaskeren. Vandaar mijn vraag of wij haar slaapkamer mogen bekijken. Misschien vinden wij daar iets wat enig licht op de affaire werpt.’ Annette van Dijk bleef secondenlang besluiteloos zitten. Toen stond ze op en ging de rechercheurs voor naar een kleine slaapkamer aan de achterzijde van de woning.

Het kamertje was schaars gemeubileerd. Er stond een oude robuuste glanzend gepolitoerde kledingkast en een kleine kaptafel met een stoel. Naast het bed was een nachtkastje met een glazen plaat waarop een elektrische wekker stond.

Vledder doorzocht het kamertje systematisch. Onderzoeken in een woning was zijn specialiteit. Hij was daarin zeer nauwkeurig.

De Cock liep met Annette van Dijk terug naar de woonkamer. De jonge vrouw zag nog bleek van de schok.

’Hoe heeft dit kunnen gebeuren?’

De Cock trok zijn schouders op.

’We nemen aan dat Henriëtte de Waal op dat adres aan de Binnenkant haar moordenaar zelf heeft binnengelaten. Hoewel de woningdeur niet erg solide was, hebben wij geen sporen van braak gevonden.’

Annette van Dijk gebaarde met een trillende rechterhand.

’De moordenaar moet dus een bekende van haar zijn geweest.’ De Cock knikte traag.

’Althans iemand die zij vertrouwde en die dat adres aan de Binnenkant kende.’

’Hebt u al aanwijzingen?’

De Cock schudde zijn hoofd.

’We hebben vandaag al heel wat afgesjouwd, maar zijn nog geen steek verder gekomen.’

De oude rechercheur zweeg even. Nadenkend.

’Henriëtte heeft vermoedelijk kort voor haar dood met haar werkgever gebeld en gezegd dat ze voorlopig niet op kantoor kwam omdat zij met de dood werd bedreigd. Kunt u daar iets over zeggen?’

Annette van Dijk keek hem verschrikt aan.

’Met de dood bedreigd?’

In haar stem trilde ongeloof.

De Cock knikte.

’Dat heeft ze gezegd.’

Annette grinnikte.

’Het zal een grap van Henriëtte zijn geweest om iemand te plagen.’

De Cock liet het onderwerp rusten.

’Zegt u de naam Matthias von Ravensburg iets, heeft u die naam wel eens horen noemen?’

Annette van Dijk keek hem schuins aan.

’Hoe was de naam?’

’Matthias von Ravensburg.’

Annette van Dijk schudde haar hoofd.

’De naam komt mij niet bekend voor. Had hij iets met Henriëtte?’

Voor De Cock kon antwoorden, kwam Vledder in de woonkamer terug. Hij hield een enveloppe in zijn hand.

’Lag in haar nachtkastje,’ verduidelijkte hij.

De jonge rechercheur nam een brief uit de enveloppe en las hardop.

Henriëtte,

je kunt mij niet als oud vuil aan de kant zetten. Dat heb ik niet aan je verdiend. Blijf je weigeren mij te ontvangen, dan zul je de gevolgen daarvan wel ondervinden, voor eeuwig de jouwe…

Herman Frederiks’

Annette van Dijk sloeg in een reflex haar rechterhand voor haar mond.

’Herman, haar ex-verloofde. Hij heeft al een paar maal gedreigd haar om te brengen.’

Загрузка...