5

Na Annette van Dijk op het hart te hebben gedrukt om Josine Wijngaarden bij thuiskomst onmiddellijk naar de Warmoesstraat te sturen, althans contact met hen op te nemen, slenterden de beide rechercheurs vanaf de Herenmarkt terug naar de gezellige Haarlemmerstraat en vandaar naar de Nieuwendijk. De Cock stak zijn handen in de steekzakken van zijn oude regenjas en huiverde.

’Het is koud,’ jammerde hij. ’Ik had de door mijn vrouw gebreide wollen trui nog wel een maand langer onder mijn colbertje kunnen houden.’

Vledder reageerde niet.

’Van die Annette van Dijk,’ bromde hij, ’zijn we ook niet veel wijzer geworden. Henriëtte de Waal moet een gesloten type zijn geweest. Over haar affaires met mannen liet ze niet veel los.’

De Cock blikte opzij.

’Heb je de brief bij je gestoken?’

’Van die Herman Frederiks?’

De Cock knikte.

’Informeer straks als we in de kit zijn bij het hoofdbureau of hij in onze administratie voorkomt. Hebben wij hem niet, dan ga je morgen met die brief naar de dactyloscopie en laat hem behandelen met jodiumdampen.[5] Wees verder voorzichtig met de enveloppe. Indien nodig kunnen we die gebruiken om zijn DNA vast te stellen.’

’Zijn DNA?’

De Cock knikte.

’Zijn DNAfingerprint.’

’Hoe?’

’Via zijn speeksel waarmee hij die enveloppe heeft dichtgelikt. We mogen dat DNA tegenwoordig als bewijs gebruiken.’

’Oké chef.’

’Ik ben je chef niet.’

Vledder lachte.

’Volgens Annette van Dijk was die Herman Frederiks een gewelddadige jongeman. Hij heeft op de Herenmarkt eens de ruiten ingegooid toen Henriëtte de Waal weigerde naar buiten te komen om met hem mee te gaan. Een man met dergelijke impulsen is tot alles in staat.’

De Cock keek hem van terzijde grijnzend aan.

’Ga je switchen?’

’Hoe bedoel je?’

’Laat je Matthias von Ravensburg varen en kies je voor Herman Frederiks?’

Vledder schudde zijn hoofd.

’Ik hou het voorlopig nog op Matthias von Ravensburg. Van dat idee stap ik niet af. Ik zie in hem de moordenaar van Henriëtte de Waal. Absoluut. Zonder enige twijfel.’

De jonge rechercheur zweeg even.

’Maar ik wil de mogelijkheid van die Herman Frederiks niet uitsluiten.’

De Cock knikte hem vriendelijk toe.

’Hou alle opties open,’ sprak hij laconiek.

Toen Vledder na een lang gesprek met de politieadministratie de hoorn op het toestel teruglegde, keek De Cock hem vragend aan. ’Komt hij voor?’

Vledder knikte.

’Duidelijk. Herman Frederiks is eenendertig jaar, van beroep barkeeper en heeft al vijf veroordelingen terzake mishandeling achter de rug. Bij de meeste mishandelingen was sprake van ernstig letsel.’

De jonge rechercheur raadpleegde de notities die hij had gemaakt.

’En weet je wie in begin december jongstleden aangifte tegen hem heeft gedaan?’

De Cock keek hem onverstoord aan.

’Henriëtte de Waal?’

Vledder knikte instemmend.

’Precies. Henriëtte de Waal, met als haar getuigen Annette van Dijk en Josine Wijngaarden.’

’Ik neem aan dat die mishandeling plaatsvond op de Herenmarkt.’

’Inderdaad.’

’Waar woont die… eh, die Herman Frederiks?’

’Oude Waal 847. Op de tweede etage.’

De Cock keek hem geschrokken aan.

’Oude Waal 847, dat is bijna recht tegenover dat pandje aan de Binnenkant waar wij Henriëtte de Waal hebben gevonden, de overkant van het water.’

’Weet je dat zeker?’

De Cock knikte traag.

’Daar zal niet veel aan mankeren. Vanuit het raam van zijn woning kan hij dat pandje aan de overkant van het water voortdurend in het oog houden.’

Vledder begon een betoog:

’We kunnen ervan uitgaan dat Herman Frederiks heeft geweten dat zij daar soms bivakkeerde. Het is heel goed mogelijk dat hij haar wel eens dat pandje heeft zien binnengaan. Misschien zelfs meerdere keren.’

De jonge rechercheur staarde somber voor zich uit.

’Op een dag zag hij zijn kans schoon. Hij overrompelde haar en kneep haar keel dicht.

’Uit wraak?’

Vledder knikte.

’Denk aan dat briefje dat die idioot haar schreef: Blijf je mij weigeren te ontvangen, dan zul je de gevolgen daarvan wel ondervinden. En dan: voor eeuwig de jouwe. Die vent is toch een geflipte vogel. Dat schrijf je toch niet aan een vrouw die de verloving met jou heeft verbroken.’

De jonge rechercheur wees naar de grote klok boven de toegangsdeur van de grote recherchekamer. Het was kwart voor elf.

’Zullen we nog?’

De Cock trok een denkrimpel in zijn voorhoofd.

’Naar de Oude Waal?’

’Ja.’

De oude rechercheur schudde zijn hoofd.

’Die man is barkeeper. Die werkt op dit moment en ik heb vanavond geen zin meer in een opgewekte kroegentocht door de oude binnenstad.’

De Cock stond van zijn stoel op.

’Morgen is een nieuwe dag. Voor ik vanavond ga slapen neem ik een kwartiertje om mij bezig te houden met de vraag die mij vanaf het begin kwelt.’

’En die vraag is?’

De Cock stak gebarend zijn wijsvinger omhoog.

’Waarom verbleef Henriëtte de Waal in dat pandje. Hoe gebruikte ze het. Als een geheime plek om iemand te beminnen? Er was een bed en…’

De grijze speurder stokte. Een jongeman kwam zonder te kloppen de recherchekamer binnen. De Cock schatte hem op achter in de twintig. Hij droeg een beige regenjas, waarvan de ceintuur om zijn middel was dichtgeknoopt.

Lange blonde haren wapperden langs zijn hoofd. Hij liep met dreunende stappen op De Cock toe.

’Is het waar?’ riep hij opgewonden. ’Is het waar?’

De oude rechercheur keek hem secondenlang onbewogen aan, monsterde zijn groene ogen, zijn knap, bijna jongensachtig gezicht en bezag zijn iets te weke mond. Hij gebaarde naar de stoel naast zijn bureau.

’Ga zitten,’ sprak hij kalm. ’En… eh, wat moet waar zijn?’ De jongeman nam plaats.

’Is Henriëtte dood?’

’Wie zegt dat?’

’Annette… Annette van Dijk. Ze belde mij op en zei dat u bij haar op de Herenmarkt was geweest en dat u had gezegd dat Henriëtte was vermoord.’

De Cock keek hem schuins aan.

’Wie bent u?’

’Etienne, Etienne Vandenbosch. Ik… eh, ik ben de vriend van Henriëtte.’

’Vriend?’

Etienne Vandenbosch knikte.

’We gaan al een paar maanden met elkaar om.’

’En Annette van Dijk belde u?’

’Ja.’

’Hebt u Annette wel eens ontmoet?’

Etienne Vandenbosch schudde zijn hoofd.

’Ik weet dat Henriëtte met twee vriendinnen op de Herenmarkt woonde, maar daar ben ik nooit geweest. Henriëtte wilde dat niet. Ze kwam altijd naar mij op de Brouwersgracht.’ De Cock knikte begrijpend.

’Kent u een adres van Henriëtte aan de Binnenkant?’ Etienne Vandenbosch keek hem verward aan.

’Had zij ook een adres aan de Binnenkant?’

De Cock schudde zijn hoofd.

’U moet een vraag niet met een wedervraag beantwoorden. Mijn oude moeder vond dat niet gepast. Dus nogmaals: kent u een adres van Henriëtte de Waal aan de Binnenkant?’ Etienne Vandenbosch slikte.

’Ik wist alleen dat ze met twee vriendinnen aan de Herenmarkt woonde. Van een ander adres heb ik nooit gehoord.’ De Cock liet het onderwerp rusten.

’Wanneer hebt u haar voor het laatst gezien?’

’Een paar dagen geleden.’

’Exacter.’

’Vier dagen geleden.’

’Bij u thuis?’

Etienne Vandenbosch schudde zijn hoofd.

’In de Kalverstraat. Ze liep daar aan de arm van een oude vent.’

’Oude vent?’

Etienne Vandenbosch maakte een wrevelig gebaar.

’Nou ja. Hij was ouder dan ik en zeker ook ouder dan Henriëtte. Ik schatte hem op een jaar of veertig. Hij had zwart haar met golven en zijn gezicht zag wat gelig.’

’En?’

’Wat bedoelt u?’

’Hebt u Henriëtte om opheldering gevraagd?’

Etienne Vandenbosch schudde zijn hoofd.

’Dat durfde ik niet.’

’Waarom niet?’

Etienne Vandenbosch zuchtte diep.

’Toen ik op haar toe stapte, keek Henriëtte mij aan. Vreemd. Strak. Ze gaf geen enkel blijk van herkenning. Maar in haar mooie ogen las ik een waarschuwing… een teken dat ik niet naar haar toe moest komen. Toen ben ik doorgelopen.’

’U bent die twee gevolgd?’

Etienne Vandenbosch kneep even zijn ogen dicht.

’Ik was in de war. Geschokt. Ik verwachtte dat ze mij later uitsluitsel zou geven over haar gedrag. Ik had, zo dacht ik, daar wel recht op.’

Er welden tranen op in zijn ogen.

’Dat… eh, dat uitsluitsel zal ik nu nooit meer van haar krijgen.’


Het was al bijna half tien toen De Cock de volgende morgen bij het rustieke houten gebouw van het Noord Zuid Hollandsch Koffiehuis uit de tram stapte. Het fraaie zonnige lenteweer van de dag tevoren was verdwenen. Vanuit het westen was een grauw wolkendek over de stad gekropen. Een fijne motregen kleefde aan het prille groen van de bomen.

De Cock bleef even staan en keek rustig om zich heen. De oude rechercheur nam ’s morgens gemoedelijk de tijd. Terecht, meende hij. ’s Avonds en ’s nachts keek hij ook niet op een uurtje. Met de hemelsblauwe lucht en de tintelende lentezon waren ook de fleurig vrolijke toiletjes uit het straatbeeld verdwenen. De meeste vrouwen droegen nu regenkapjes en hulden zich in beschermend, maar foeilelijk vormloos plastic.

Te midden van een stroom haastige reizigers uit het Centraal Station slenterde hij op zijn gemak verder langs het Victoriahotel naar het brede trottoir van het Damrak.

Ook al botste men een paar maal tegen zijn brede rug, de grijze speurder voelde er niets voor om zijn tred te versnellen. Hij had nog een hele dag met misdaad voor de boeg en waarom zou hij zich haasten. Bij de Oudebrugsteeg miste hij het straatorgel. Hij dacht aan de manser en de vijf gulden van de vorige dag en stak glimlachend het Damrak over naar de Warmoesstraat.

Toen hij de grote recherchekamer binnenstapte, trof hij Vledder gewoontegetrouw achter zijn computer. De grijze speurder wachtte gelaten op een reprimande over zijn te laat verschijnen, maar die reprimande bleef uit.

’Commissaris Buitendam was vanmorgen om negen uur al bij mij.’

De Cock trok een zuur gezicht.

’Had hij commentaar?’

Vledder knikte.

’Hij vroeg sinds wanneer wij beiden al wandelend inspectietochtjes door de buurt maakten.’

De Cock lachte.

’Heb jij dat gisteren zo in het mutatierapport geschreven.’ Vledder trok een verongelijkt gezicht.

’Ik moest toch op een of andere manier duidelijk maken hoe wij aan de Binnenkant het lijk van Henriëtte de Waal aantroffen.’

’Commissaris Buitendam geloofde niet in ”in-spec-tie-tochtjes”?’

Vledder grinnikte.

’Hij had duidelijk bedenkingen. Hij zei: ”Het zal wel weer een gril van die oude De Cock zijn.” En dat heb ik maar zo gelaten.’

De oude rechercheur knikte instemmend.

’Als hij mij ter verantwoording roept, dan geef ik er wel een draai aan.’

De grijze speurder liet zich in de stoel achter zijn bureau zakken.

’Heeft Josine Wijngaarden al iets van zich laten horen?’ Vledder schudde zijn hoofd.

’Ik heb nog bij de wachtcommandant geïnformeerd. Ze heeft zich ook gisteravond na ons vertrek niet gemeld.’

’Niet netjes.’

Vledder schoof z’n stoel in de richting van De Cock.

’Die Annette van Dijk vertrouw ik niet. Ze zei dat ze het nieuwe vriendje van Henriëtte de Waal niet kende, dat ze niet wist hoe wij hem konden bereiken, maar ze belde hem wel op om te zeggen dat wij haar hadden bezocht omdat Henriëtte was vermoord.’

’Misschien heeft ze ergens bij de spullen van Henriëtte zijn telefoonnummer gevonden.’

Vledder schudde resoluut zijn hoofd.

’Ik heb haar kamertje grondig doorzocht. Er waren geen aantekeningen of telefoonnummers. Er was alleen die brief van Herman Frederiks. Verder niets.’

De jonge rechercheur keek naar hem op.

’Heb je het antwoord al?’

’Waarop?’

’De vraag wat Henriëtte de Waal in dat pandje aan de Binnenkant deed?’

De Cock gniffelde.

’Ik zou er een kwartiertje voor uittrekken, maar na mijn warme chocolademelk viel ik gisteravond als een blok in slaap.’ Vledder trok een ernstig gezicht.

’Ik heb er in bed wel over nagedacht. Als ze dat pandje aan de Binnenkant gebruikte als geheime ontmoetingsplaats met een of andere beminde, dan vraag ik mij toch af hoeveel beminden zij had.’

’Matthias von Ravensburg zegt dat zijn relatie met Henriëtte de Waal niets met seks had te maken. Etienne Vandenbosch, haar nieuwe vriendje, kende het adres niet. Is er nog een andere man in haar leven? Wellicht meerdere mannen?’

De Cock zuchtte.

’Misschien is er nog een andere mogelijkheid.’

’En die is?’

’Ze prostitueerde.’

Vledder schudde zijn hoofd.

’Daar geloof ik niet in. Henriëtte de Waal was geen hoerig type. Ze leek mij…’

De jonge rechercheur maakte zijn zin niet af. Er werd op de deur van de grote recherchekamer geklopt. Vledder riep:

’Binnen.’

De deur ging langzaam open en in de deuropening verscheen de gestalte van een jonge vrouw. De Cock schatte haar op voor in de twintig. Ze droeg een soort doorschijnende plastic hoes, waaronder een roodwollen mantelpakje. Haar voeten staken in korte rode laarsjes. Ze deed haar regenkapje af en wapperde de regendruppels naar de vloer. Met grote, onelegante stappen beende ze de kamer in.

Voor het bureau van De Cock bleef ze staan.

’Ik moest mij melden.’

Het stem klonk hard. Onvrouwelijk.

De oude rechercheur wenkte naar de stoel naast zijn bureau.

’Gaat u zitten,’ sprak hij vriendelijk.

Ze trok wat wild haar hoes los en nam plaats.

’Annette zei dat ik mij bij u moest melden in verband met de dood van Henriëtte. Het werd gisteravond nogal laat en vanmorgen heb ik uitgeslapen. Daarom ben ik er nu pas.’ De Cock keek haar verwonderd aan. Er was geen spoor van emotie… geen blijk van verdriet.

’U bent Josine Wijngaarden?’

’Inderdaad.’

De Cock nam een kleine pauze.

’Mijn collega Vledder en ik hebben de taak om de moordenaar van Henriëtte de Waal te vinden. In dit verband heb ik twee belangrijke vragen: hebt u met betrekking tot Henriëtte de Waal wel eens een adres aan de Binnenkant horen noemen, door haarzelf of door anderen?’

Josine Wijngaarden schudde haar hoofd.

’Is dat in Amsterdam?’

De Cock antwoordde niet.

’Zegt de naam Matthias von Ravensburg u iets?’

Josine Wijngaarden weifelde even. Daarna schudde ze opnieuw haar hoofd.

’Zegt mij niets.’

’Hebt u die naam wel eens horen noemen?’

’Nee.’

’Henriëtte had sinds kort een nieuwe vriend. Hebt u die vriend wel eens ontmoet?’

Josine Wijngaarden schudde haar hoofd.

’Henriëtte deed nogal geheimzinnig over hem. Ze vertelde ons niets. Ze heeft hem nooit aan ons voorgesteld.’

’U kent ook zijn naam niet?’

’Nee.’

De Cock plukte aan het puntje van zijn neus.

’Annette heeft hem gisteren gebeld en hem gezegd dat Henriëtte werd vermoord.’

Josine Wijngaarden toonde verbazing.

’Dan weet Annette kennelijk meer dan ik.’

De Cock boog zich iets naar haar toe.

’U hebt Henriëtte de Waal goed gekend?’

Josine Wijngaarden trok haar linkerschouder iets op.

’We woonden al een paar jaar samen,’ sprak ze toonloos. ’Maar echt goed heb ik haar nooit gekend. Daarvoor was Henriëtte te gesloten.’

De Cock glimlachte.

’Heeft ze u nooit in vertrouwen genomen, nooit iets gezegd over zaken die haar bezighielden?’

Josine Wijngaarden weifelde even.

’Haar… eh, haar relatie met die barkeeper, met Herman Frederiks, was nogal heftig. Daar heeft ze mij wel eens iets over verteld. Ze wilde van hem af. Annette en ik drongen daar ook op aan. Er was steeds heibel voor onze deur op de Herenmarkt. Dan eiste die vent haar op. Die heibel wilden wij niet. Het was ook gênant voor de buren. Maar ondanks ons aandringen durfde Henriëtte de relatie niet te verbreken.’

’Waarom niet?’

Josine Wijngaarden kauwde trillend op haar onderlip. De Cock zag op haar gezicht voor het eerst tekenen van emotie, van bewogenheid, van beroering.

’Henriëtte was bang,’ lispelde ze. ’Josine, zei ze tegen mij, Josine, dat… eh, dat wordt dan mijn dood.’

Загрузка...