De Cock had moeie voeten.
Ze waren er ineens, onaangekondigd. Het kwam als een donderslag bij heldere hemel. Hij leunde achterover en legde zijn voeten op een hoek van zijn bureau. Met een van pijn vertrokken gezicht bevoelde hij zijn kuiten. Het was alsof geniepige kleine duiveltjes uit pure boosaardigheid met duizend spelden in zijn kuiten prikten. Hij kende de pijn die uit de holten van zijn voeten kwam, langs zijn hielen omhoogtrok en zich vastzette in zijn kuiten. Hij wist ook wat die pijn betekende. Telkens als de zaken slecht verliepen, als zijn onderzoeken dreigden te verzanden en als hij het machteloze gevoel had volkomen in het duister te tasten, gaven die helse duiveltjes acte de présence. Vledder keek hem bezorgd aan.
’Zijn ze er weer… de duiveltjes?’
De Cock knikte en sloot zijn ogen. Enkele minuten bleef hij zo zitten, bewegingloos en geconcentreerd. Zijn markant gezicht leek een stalen masker. Om de pijn te verdrijven zette hij zijn tanden in zijn onderlip.
’Het gaat wel weer over,’ sprak hij mat. ’Die pijn is nog wel te verdragen, maar de wetenschap dat wij na drie moorden en dagen van intensief speuren met ons onderzoek in feite nog geen stap verder zijn gekomen, bezorgt mij een angstig voorgevoel.’ Vledder keek hem met een blik vol ongeloof aan.
’Ben je bang dat wij er niet uitkomen… dat de moordenaar ons ontglipt?’
’Dat kan toch gebeuren. Hoeveel moorden blijven niet onopgelost?’
Vledder schudde zijn hoofd.
’Niet bij ons.’
De Cock snoof.
’Die stomme Josine Wijngaarden. Als ze naar mij had geluisterd, had ze nu nog geleefd en waren wij dichter bij de oplossing gekomen. We hadden haar dan als lokaas voor de moordenaar kunnen gebruiken. Nu hebben wij niets meer om hem tot actie te bewegen. De drie meiden zijn dood. Ik denk dat de moordenaar of moordenares van niemand meer iets heeft te duchten.’
De oude rechercheur trok de pijpen van zijn pantalon iets terug en wreef over zijn kuiten. Het verzachtte de pijn. Toen de pijn geheel was weggetrokken, veranderde de uitdrukking op zijn gezicht. Hij leek weer strijdbaar. Met een paar wilde gebaren schoof hij de pijpen van zijn pantalon terug en nam zijn benen van het bureau.
’Hoe was de sectie?’
Vledder gebaarde achteloos.
’Een kopie van gisteren en morgen… een kopie van vandaag.’
’Geen beschadigde lever en nieren?’
Vledder schudde zijn hoofd.
’Dat is individueel. Het lijf van Annette van Dijk kon chloroform blijkbaar wel verdragen. Buiten de gebroken kraakbeenringetjes in haar luchtpijp zag ze er vanbinnen puntgaaf uit.’ De jonge rechercheur keek op.
’Heb jij nog wat geroken vanmiddag?’
’Bij Josine Wijngaarden bedoel je?’
’Ja.’
’Nauwelijks waarneembaar. Er hing nog wel iets van een weeïg zoete lucht. Maar drie dagen achtereen is daar met chloroform gemorst en van enige ventilatie is in dat hok geen sprake.’ Vledder grinnikte.
’Ik ben blij dat er op de Herenmarkt geen vier vrouwen bijeen woonden.’
De Cock knikte begrijpend.
’Dan konden wij morgen wellicht nog een moord verwachten.’ De oude rechercheur kwam opmerkelijk kwiek uit zijn stoel overeind.
’Hoe laat hebben we het?’
Vledder grinnikte.
’Kan je niet meer klokkijken?’ vroeg hij. ’Het is kwart over tienen.’
De Cock trok zijn kin iets op.
’Mooie tijd,’ riep hij opgeruimd. ’Ik heb wat bedacht om het commissaris Kauwenaar in Hilversum flink lastig te maken. We sturen hem iemand op zijn dak die hij niet zo gemakkelijk ambtelijk van zich af kan schudden.’
’Wie?’
De Cock grijnsde.
’Mariandel von Liechtenstein.’
Vledder reageerde verrast.
’Mariandel von Liechtenstein?’
De Cock knikte.
’Jij gaat straks naar haar toe en vertelt haar dat wij ervan overtuigd zijn dat commissaris Kauwenaar in Hilversum haar Matthias von Ravensburg verborgen houdt. Mogelijk zelfs in zijn eigen woning. Zeg haar, dat commissaris Kauwenaar dat vermoedelijk zal ontkennen. Druk haar op het hart dat zij niet uit Hilversum moet vertrekken voor zij haar Matthias weer in de armen heeft gesloten.’
Vledder glimlachte.
’Ik vind dit weer zo’n vuile vossenstreek van jou. Alleen jij kunt zoiets verzinnen. Commissaris Kauwenaar zal je vervloeken.’
De Cock grijnsde.
’Dat doet hij maar. Uiteraard heb je gelijk: een vos verliest wel zijn haren, maar niet zijn streken. Besef wel dat ik mij vanmorgen vreselijk aan die Kauwenaar heb geërgerd.’
De grijze speurder gleed langzaam met de top van zijn pink over de rug van zijn neus.
’En laat Mariandel von Liechtenstein,’ sprak hij nadenkend, ’in Hilversum aan commissaris Kauwenaar duidelijk maken dat ik inmiddels het aandeel van Matthias van Ravensburg in de affaire van de dwaze maagden ken.’
Vledder keek hem met grote ogen aan.
’Ken jij zijn aandeel?’ vroeg hij verbijsterd.
De Cock schudde zijn hoofd.
’Niet precies. Maar dat behoeven Mariandel von Liechtenstein en commissaris Kauwenaar niet te weten. De mededeling kan voor Kauwenaar een reden zijn om Matthias von Ravensburg niet langer voor ons verborgen te houden.’
’Maar je krijgt toch problemen als je die bewering niet waar kunt maken?’
De Cock plukte aan zijn onderlip.
’Het is… eh, het is niet helemaal een slag in de lucht. Ik hoop vanavond meer duidelijkheid te krijgen.’
’Waarin?’
’De manier waarop Matthias von Ravensburg in de affaire betrokken raakte.’
Vledder keek nadenkend aan.
’Ga jij vanavond ook nog op pad?’
De Cock knikte.
’Een eenzame missie,’ sprak hij raadselachtig. ’Een bezoek aan een oude vriend.’ Hij grijnsde breed. ’Vriend… het is meer een gabber.’
De Cock rolde zijn bureaustoel op wieltjes wat naar achter en stond op. Licht waggelend slenterde hij naar de kapstok, wurmde zich in zijn regenjas, pakte zijn oude hoedje en schoof het achter op zijn hoofd. Zwaaiend liep hij de recherchekamer uit. Via de Oudebrugsteeg, de Nieuwezijds Kolk, langs het Korenmetershuisje liep hij naar de Nieuwezijds Voorburgwal en stak de rijbaan over. Na een paar steegjes kwam hij op de Blauwburgwal en bereikte via de Heren- en de Prinsenstraat, de Prinsengracht.
Peinzend sjokte hij over het smalle trottoir. Het was stil op de gracht, bijna beangstigend stil. Het geraas van het verkeer was ver weg. Langs de walkant tussen de bomen scharrelde een eenzame rat.
De Cock merkte hem nauwelijks op. De moord op de drie dwaze maagden spookte door zijn gedachten. Hij vroeg zich af hoe zij zo dom hadden kunnen handelen. De eerste moord, de moord op Henriëtte de Waal, had toch een waarschuwing moeten zijn.
Hij stak de rijbaan van de Westerstraat over en liep naar de Noordermarkt. Achter de hervormde kerk, voor een klein huisje met een hoog raam, bleef hij staan. Midden op de ruit stond in sierlijke krulletters:
’Peter Karstens’, en daaronder, in letters van veel kleiner formaat: ’schilder-kunstenaar’.
De Cock schoof de mouw van zijn regenjas iets omhoog en keek op zijn horloge. Het was bijna elf uur. Hij gleed met duim en wijsvinger over zijn neusvleugels en grinnikte.
’Een onchristelijke tijd voor een bezoek,’ mompelde hij binnensmonds. Toch rukte hij aan de glimmend gepoetste koperen trekker. Ver weg in het inwendige van het huis rinkelde een bel. De Cock voelde zich niet bezwaard. Hij kende reeds lang de gewoonten van de bewoner en wist dat die meestal tot diep in de nacht in de weer was.
Het duurde niet lang voor de deur werd geopend. Een man met donkerblond warrig haar, gekleed in een slobberbroek en een glanzende witzijden blouse, keek hem aan. De wenkbrauwen gefronst. Zijn bruine ogen glommen van verwondering.
’De Cock!’ riep hij blij verrast. ’Waarachtig, het is de oude De Cock. Man, waar ben je mee bezig? Dat doe je toch niet. Zo kort tegen middernacht kom je toch niet iemand arresteren?’ De Cock lachte.
’Heb ik jou,’ antwoordde hij vrolijk, ’ondanks al jouw schelmenstreken, ooit gearresteerd? Ik kom gewoon even op bezoek.’ De kunstenaar aarzelde even. Toen maakte hij een lichte buiging en spreidde zijn armen. In zijn blouse met wijde mouwen was dat een sierlijk gebaar.
’Slecht betaald beschermer van het grootkapitaal, ambtelijk grootinquisiteur, snood en geniepig belager van weduwen, maagden en wezen, stomme bonnenschrijver,’ schertste hij, ’treed binnen.’
De Cock reageerde niet. Hoofdschuddend stapte hij langs hem heen.
Na het voorportaal belandde hij in een hoog, diep vertrek. Het was er schemerig. Het enige licht kwam van een straatlantaarn voor het huis, aan de rand van het trottoir. Het wierp lange schaduwen over ezels met half afgemaakte schilderijen. Peter Karstens ging De Cock voor naar een trap, die aan het einde van het vertrek draaiend omlaag liep. Na een korte smalle gang kwamen ze in een intieme ruimte met een lage zoldering. Op een ruwhouten tafel brandden flakkerend een paar kaarsen naast flessen rode wijn en fraai geslepen kristallen bokalen. Twee ervan waren gevuld.
De Cock keek rond. Plotseling ontdekte hij een jonge vrouw. Hij schatte haar op achter in de twintig. Ze zat schuin op een brede leren bank. In het halfduister had hij haar aanvankelijk niet opgemerkt. In het schijnsel van het kaarslicht was ze van een bijna serene schoonheid. Haar huid glansde zacht. Boven een korte zwarte rok met split droeg ze een ruim geplooide blouse, die haar boezem nauwelijks verhulde. Lang zwart haar golfde over haar halfblote schouder. Toen ze even bewoog, zag De Cock dat het split van haar rok tot heel hoog reikte. Het maakte hem wat duizelig. Zijn puriteinse ziel raakte bij een dergelijke aanblik altijd wat in de war.
Peter Karstens wees in haar richting.
’Mag ik je even voorstellen… Maria.’ De kunstenaar aarzelde enige seconden. ’Of was ze er de vorige keer ook al?’ De Cock slikte.
’Ze… eh, ze was er de vorige keer ook,’ antwoordde de grijze speurder timide. ’En… eh, ze is nog steeds even mooi.’ Peter Karstens stak zijn armen omhoog.
’Luister,’ galmde hij ontroerd, ’een wonder… een absoluut wonder… een ambtenaar met gevoel voor schoonheid.’ De Cock ging achteloos voorbij aan het theatraal gedrag van de man. De spot deerde hem niet. De oude rechercheur wist dat de kunstenaar voortdurend in onmin met de maatschappij leefde. Peter Karstens was een vrijbuiter, een boekanier met een ontembare kunstenaarsziel die niet paste in het keurslijf van een geordende samenleving.
Peter Karstens wees naar de flessen op de ruwhouten tafel.
’Een verrukkelijke haut-médoc,’ riep hij opgetogen. ’Een Château Camensac van een gezegend wijnjaar.’
De kunstenaar pakte een schoon glas en schonk behoedzaam in. Daarna keek hij vragend op.
’Je drinkt toch een glas mee?’
De Cock knikte nadrukkelijk.
’Graag.’
De schilder zette de fles op tafel terug en ging tegenover hem zitten. Om zijn mond gleed een zoete glimlach.
’Gewoon op bezoek,’ sprak hij spottend. Hij blikte op zijn polshorloge. ’Een ambtenaar… op dit uur.’ Hij schudde zijn hoofd. ’Het spijt me, maar daar geloof ik niet in.’
De Cock reageerde niet direct. Hij pakte zijn glas op en proefde. De wijn was werkelijk voortreffelijk.
’Je weet,’ sprak hij met het glas nog in zijn hand, ’dat ik een groot bewonderaar ben van de schilders van het impressionisme… Monet… Renoir… Cézanne… Toulouse-Lautrec… onze eigen Breitner. Bij het zien van werken van deze meesters, raak ik ontroerd.’
Peter Karstens snoof.
’Ik kan mij zo’n ontroering bij jou nauwelijks voorstellen.’ De Cock negeerde de opmerking. Hij zette zijn glas voorzichtig voor zich neer.
’Ik ben kortgeleden geconfronteerd met een prachtige verzameling schilderijen… Franse impressionisten tussen imponerende Oudhollandse meesters. De eigenaar van de verzameling beweerde dat de kunstwerken echt en onvervalst waren, maar ik had zo mijn twijfels. Ik meende in sommige werken jouw kunstenaarshand te zien. Niemand maakt zulke fraaie vervalsingen als jij.’
Peter Karstens maakte felle afwerende bewegingen.
’Ik maak geen vervalsingen,’ verbeterde hij luid. ’Ik herschep meesterwerken. Dat is heel iets anders. Mijn werk mag de naam vervalsing beslist niet dragen. Ik kijk naar oude meesters, bestudeer hun techniek en maak hun werk opnieuw. En soms… wanneer zo’n oude meester in het verleden even in de fout is gegaan… wat vaker is gebeurd dan erkende kunstkenners willen toegeven… verbeter ik zijn werk.’
De Cock weifelde even.
’Heb jij,’ formuleerde hij voorzichtig, ’kortelings een serie Franse impressionisten en Oudhollandse meesters opnieuw gescha-pen?’
Peter Karstens knikte traag.
’Stuk voor stuk ben ik daar bijna een jaar mee bezig geweest. Steeds bracht men mij een ander werkstuk. Het was alles bijeen een hele klus, maar op het resultaat ben ik apetrots.’ De Cock boog zich iets naar hem toe.
’Peter… wie gaf jou die opdracht?’
De kunstenaar glimlachte.
’Ben ik ermee gebaat dat ik jou mijn opdrachtgever noem?’ Een lichte wanhoop maakte zich van De Cock meester. Hij stak zijn handen gestrekt naar voren.
’Peter… in drie luttele dagen zijn drie jonge levenslustige vrouwen… ongeveer in de leeftijd van jouw Maria… door iemand gedood… kil gewurgd nadat zij met chloroform weerloos waren gemaakt.’
De grijze speurder zweeg even voor het effect.
’Ik vermoed,’ ging hij gedragen verder, ’dat dit gebeurde omdat iemand heeft ontdekt dat de uitgestalde schilderijen niet meer de oorspronkelijke verzameling vormden, maar bestond uit een reeks door jouw hand herschapen meesterwerken.’ Peter Karstens grinnikte.
’De hele verzameling is er alleen maar mooier door geworden.’ De Cock knikte.
’Die overtuiging heb ik ook,’ sprak hij minzaam. Hij boog zich opnieuw naar voren. Zijn handen ineengevouwen. ’Peter… wie gaf jou die opdracht?’
Peter Karstens keek hem secondenlang aan. Toen, na enige aarzeling, wendde hij zich tot Maria naast hem op de bank.
’Pak even die visitekaartjes,’ gebood hij haar.
Maria kwam omhoog en sloeg haar been over de rug van de leren bank. Een tweede been volgde. De Cock hield zijn adem in. Verbijsterd keek hij toe en het bloed steeg hem naar het hoofd. Onder haar korte rokje droeg Maria niets.
Heupwiegend gleed ze naar een notenhouten kabinetje aan de wand. Uit een verticaal vakje nam ze een stapeltje visitekaartjes en reikte die Peter Karstens aan. De kunstenaar legde de kaartjes voor zich op tafel en nam ze stuk voor stuk door.
’Het was een slome man,’ sprak hij zacht, mijmerend, ’een slome Hollander.’
Zijn blik verhelderde.
’Hier heb ik het… Le Roi Lumière.’
De Cock keek hem wantrouwend aan.
’Le Roi Lumière… een slome Hollander?’
Peter Karstens maakte een verontschuldigend gebaar.
’Ik ben niet… zoals jij… een slaaf van het gezag… ik vraag niet naar een legitimatie.’