De Cock keek zijn jonge collega monsterend aan.
'Ik heb je nog nooit zo gezien,' sprak hij bewonderend. 'Je ziet er fantastisch uit in een net kostuum. Bijna een heer.'
Vledder streek met zijn handen over de revers van zijn glanzend colbert.
'Ik voel mij in zo'n kostuum helemaal niet op mijn gemak,' bromde hij. 'Het is net alsof ik in een soort dwangbuis zit.'
De Cock lachte.
'Het staat je goed.'
Vledder ging wat onwennig zitten en schoof een lade van zijn bureau open.
'Ik heb vanmorgen het rapport ontvangen van onze wapendeskundige.'
'En?'
Vledder schudde zijn hoofd.
'Volgens het rapport is met die oude Webley & Scott legerrevolver in geen jaren een kogel afgevuurd. Dat maakte hij op uit de roestplekken in de loop. Voor alle zekerheid heeft onze wapendeskundige er toch schietproeven mee genomen. Eindconclusie van het rapport: de kogel die dokter Rusteloos uit de hersenpan van Ferdinand de Graaf plukte, komt beslist niet uit de aangeboden revolver.'
'En de kogel uit het hoofd van Brammetje?'
Vledder gebaarde naar het rapport.
'Een vergelijkend onderzoek met de kogel uit het hoofd van Brammetje was volgens de wapendeskundige niet nodig. Die kogel is namelijk identiek aan de kogel uit het hoofd van Ferdinand de Graaf. Beiden zijn met hetzelfde wapen vermoord.'
'En dat wapen is duidelijk niet de oude Webley & Scott revolver van Roger ter Beek.'
Vledder schudde zijn hoofd.
'Het lijkt er niet op.'
De Cock maakte een berustend gebaar.
'Ik had er ook geen hoge verwachtingen van,' sprak hij achteloos.
'Voor Roger ter Beek gelden mijns inziens geen redelijke motieven voor moord.'
'Ga je nog iets tegen hem ondernemen?'
De Cock duwde rimpels in zijn voorhoofd.
'Je bedoelt strafrechtelijk?'
'Verboden wapenbezit?'
De Cock schudde zijn hoofd.
'Dat lijkt mij niet fair.'
'Hoe wil jij dan dat wapen verantwoorden?'
De Cock grijnsde.
'Daar heb ik geen moeite mee. Dat deponeren wij gewoon als gevonden voorwerp.'
Vledder parkeerde de Golf bij de poort van de begraafplaats Zorgvlied en de beide rechercheurs stapten uit. De Cock blikte om zich heen en huiverde. Het leek of de natuur voor de begrafenis van Abraham van der Velde, het tweede slachtoffer van een maniakale moordenaar, een identiek decor had bedacht.
Een schrale, ijzig koude poolwind toverde schuimkoppen op de golven van de Amstel, joeg onbelemmerd door kale bomen en verschrompelde het eeuwige groen van de hoge statige coniferenhaag aan de poort.
Rillend, iets gebogen, slofte de oude rechercheur over het brede toegangspad. Het grove grind knerpte onder zijn voeten. De geschiedenis herhaalde zich, hij verwenste opnieuw de maand november en verlangde in het diepst van zijn hart vurig naar een milde december met pepernoten-, speculaas en voorverwarmde kerstkransen.
'Welke smoezen jij in de toekomst ook bedenkt,' riep Vledder morrend boven de joelende wind uit, 'dit is beslist de laatste keer dat ik met jou meega naar een begrafenis.'
De Cock keek geamuseerd naar hem op.
'Dat heb ik eerder van je gehoord. Ik zie nu dat je een nette jas draagt. Prachtig. Een compleet andere Vledder.'
De jonge rechercheur bromde.
'Jij mag ook wel eens naar een andere regenjas uitzien. In dit vette ding kunnen ze je uittekenen.'
De Cock liet de kritiek op zijn kleding in de wind verwaaien. Bij de aula ging de oude rechercheur uit de wind onder een afdakje tussen andere belangstellenden staan. Het gaf wat warmte.
Een brede glanzende lijkwagen kroop over het grind van het toegangspad naderbij. Op enige afstand stopten de volgwagens. De deuren van de aula gleden open en de met bloemen bedekte baar werd uit de wagen getild.
De Cock kwam uit de luwte van het afdakje vandaan. Met ontbloot hoofd, zijn hoedje in zijn hand, keek hij toe en hoopte opnieuw dat zijn grote oorschelpen het in de koude wind niet zouden begeven.
Toen eenieder door de aula was opgeslokt, stapte hij na Vledder als laatste naar binnen. De rechercheurs schoven naar de achterwand.
Met hun rug tegen de eikenhouten lambrizering, keken ze naar een deftig in het zwart geklede heer, die achter een kathedertje plaatsnam. De statige heer rangschikte een paar papieren en bracht zijn handen in een theatraal gebaar schuin naar voren.
'God,' sprak hij met enige stemverheffing, 'schenke u Zijn zegen en geve u vrede. Amen.' Hij liet zijn armen zakken en ging rustiger verder. 'Ziende op de Heer, die gesproken heeft: lk ben de opstanding en het leven, die in mij gelooft zal leven; ook al is hij gestorven
en een ieder..!
Vledder stootte De Cock aan.
'Hebben die luitjes in het zwart nooit een andere tekst?' vroeg hij gemelijk. 'Ik heb dit nu al een paar maal gehoord.'
De oude rechercheur reageerde niet. Zijn scherpe blik gleed over de ruggen van de aanwezigen.
Vooraan in het midden zat de vrouw van Abraham van der Velde.
Naast haar ontdekte De Cock zijn vriend Smalle Lowietje, bijna onherkenbaar in een stemmig zwart kostuum.
Op de tweede rij zat Mathilde de Graaf naast Michel van Amerongen en haar dochter Florentine. Verderop herkende hij mensen uit de klantenkring van Smalle Lowietje.
De oude rechercheur voelde zich onrustig. Hij blikte schichtig opzij.
'Ik mis iemand,' fluisterde hij gehaast.
'Wie?'
'Jelle Poelstra… hij zou komen. Dat heeft hij uitdrukkelijk gezegd.'
Vledder maakte een schouderbeweging.
'Misschien is hij verhinderd.'
'Hoe?'
'Wat bedoel je?'
'Op welke manier is hij verhinderd?'
Vledder maakte een hulpeloos gebaar.
'Wat maakt dat uit?'
De Cock liet zijn blik door de aula dwalen. De zalvende woorden van de man achter de katheder bereikten hem niet meer. Hij zocht naar een uitweg.
Links van hem, op enige meters afstand, ontdekte hij een deur, waarboven een kleine lichtbak met in rood het woord EXIT.
Hij gaf Vledder een wenk en schuifelde van hem weg. Toen hij de deur had bereikt, tastte hij naar de kruk en drukte hem voorzichtig open. Via de deur bereikte hij een gang met een granieten vloer.
Hij wachtte even tot ook Vledder de aula had verlaten. Toen draafde hij naar buiten.
Vledder liep hem na.
'Wat ben je aan het doen?' riep hij kwaad. 'Je kunt toch niet zomaar een uitvaartdienst verstoren?'
De Cock trok zijn gezicht in een ernstige plooi.
'Brammetje komt ook zonder mij wel in de hemel.'
Hij wees voor zich uit.
'Naar de Sloterdijkstraat.'
De Cock drukte voor de tweede maal op de koperen bouton. Eerst nu zag hij dat van de wit emaille naamplaat een schilfertje was weggesprongen.
Ook op het tweede bellen werd niet gereageerd. De Cock tastte in zijn broekzak naar het apparaatje dat hij eens, lang geleden, van zijn vriend en ex-inbreker Handige Henkie had gekregen… een koperen houdertje met daarin een keur van stalen sleutelbaarden.
Met kennersblik zocht hij de juiste sleutelbaard en in luttele seconden had hij de deur ontsloten.
De oude rechercheur bukte naar de kranten op de deurmat.
Hij reikte ze Vledder aan.
'Van vandaag en gisteren,' sprak hij loom. 'Ga eens informeren bij de buren of die iets weten… wanneer Jelle Poelstra voor het laatst werd gezien… of hij wellicht bezoek heeft ontvangen… of hij een auto bezit… kleur, merk en misschien weet iemand het kenteken… waar hij dat ding in de buurt gewoonlijk parkeert. Ik zoek hier wel verder.'
Vledder verdween met de kranten onder zijn arm.
De Cock ging verder speurend de kleine woning door. Er was niets wat hem alarmeerde. Geen sporen van geweld of een worsteling.
Dat verwachtte hij ook niet. Het bed was keurig opgemaakt en in de keuken stond een halve fles zure melk.
Vledder kwam de woning binnen.
'De buurvrouw boven mist hem al sinds gisteren. Ze kookt nog wel eens wat voor hem, maar ook gisteren was hij de hele dag niet thuis. Jelle Poelstra heeft volgens haar een kleine helgeel gespoten Fiat vijfhonderd. Het kenteken weet ze niet. Gewoonlijk staat dat wagentje om de hoek in de Planciusstraat.'
De Cock wees naar buiten.
'Ga eens kijken of die Fiat daar staat. Dan sluit ik de deur van de woning weer af.'
Vledder kwam na enkele minuten hoofdschuddend in de Sloterdijkstraat terug.
'Hij staat er niet.'
De trekken op het gezicht van De Cock verhardden.
'Ik vermoed waar hij wel staat.'
Vledder ranselde de Golf over de weg, negeerde op het Haarlemmerplein het rode licht, gierde langs het markante standbeeld van Domela Nieuwenhuis en stoof onder het viaduct door de drukke Spaarndammerstraat in.
De Cock schudde afkeurend zijn hoofd.
'Het is zinloos. Het helpt je niet of je hard rijdt. Je neemt onverantwoorde risico's. Straks regent het klachten uit de buurt.'
Vledder scheen hem niet te horen. Met onverminderde snelheid raasde hij door.
Op de Rigakade, schuin voor Brammetjes oude legerloods, stond met nog zwak brandende koplampen een helgele Fiat vijfhonderd.
Vledder stopte pal achter het kleine wagentje en de rechercheurs stapten uit. De Fiat was verlaten, de portieren waren niet afgesloten en de sleutels staken in het contact.
Bezield van angstige voorgevoelens stapte De Cock de oude gammele loods binnen. Vledder volgde. De scheefhangende houten deur klapte achter hen dicht. Het was schemerig donker in de loods en het geurde er muf naar schimmel op rottend hout.
De Cock liet het licht van zijn zaklantaarn voor zich uit dansen.
Instinctief wist de oude rechercheur waar hij zijn moest.
Achter in de loods, op resten van jutezakken, lag een lange magere man. Hij was gekleed in een fraaie bruine wintermantel. Op ongeveer een halve meter van zijn hoofd lag een imposante bontmuts.
De lange benen van de man waren iets gespreid. Zijn armen lagen langs zijn lichaam. Van zijn handen staken de vingers omhoog.
De Cock nam de situatie even in ogenschouw. Daarna hurkte hij bij de dode neer. Het licht van zijn zaklantaarn gleed over het achterhoofd van het slachtoffer. In de nek van de dode, even onder de haargrens, ontdekte hij een kleine ronde wond.
Tot zijn verbazing ontbrak de krans van kruitslijm. Het maakte hem nieuwsgierig. Toen hij de kraag van de bruine mantel iets terugtrok, ontdekte hij in de hals een tweede kogelwond.
De oude rechercheur verschoof iets van plaats. Zijn aandacht richtte zich op de handen van de dode. Aan de rechterhand, bij de nagels van wijs- en middelvinger, ontdekte hij kleine bloedsporen.
De Cock schoof weer terug. Hij legde zijn zaklantaarn naast het hoofd van de dode en tilde de rechterschouder iets op. In het lichtschijnsel werd het gelaat van de man zichtbaar. Het schokte de oude rechercheur niet.
Vledder boog diep over hem heen. De hete adem van de jonge rechercheur kriebelde in zijn nek.
'Jelle Poelstra,' hijgde hij.
De Cock knikte.
'Net als Ferdinand de Graaf en Abraham van der Velde afgemaakt met een nekschot.'
De oude rechercheur schudde zijn hoofd.
'Maar dit keer niet zonder slag of stoot. Het eerste schot miste en bij het tweede, dodelijke schot heeft de moordenaar zijn slachtoffer niet zo dicht kunnen benaderen dat rond de wond een krans van kruitslijm ontstond.'
De Cock trok opnieuw de kraag van de bruine mantel terug en toonde Vledder de kogelwond links onder aan de hals van de dode.
'Vermoedelijk was Jelle Poelstra meer op zijn hoede dan de anderen… werd hij niet verrast en zag kans zich te verweren. Aan de nagels van zijn rechterhand zijn herkenbare bloedsporen. Mogelijk vinden we achter de nagels van zijn wijs- en middelvinger nog kleine huiddelen.'
'En dat betekent?'
De Cock kwam overeind.
'Een DNA-beeld van zijn moordenaar.'
De Cock had moeie voeten. Met de broekspijpen tot aan zijn knieën opgerold stak hij zijn behaarde, inbleke benen in een teil dampend water. Parelend bruiszout kriebelde tussen zijn tenen.
Voorovergebogen en met een van pijn vertrokken gezicht streek hij met zijn handen langs zijn enkels. Het leek hem toe dat een legioen venijnige duiveltjes met lange scherpe naalden in de bollen van zijn kuiten prikten. De pijn gaf hem een onbehaaglijk gevoel
van verslagenheid.
Hij wist wat die pijn betekende. Wanneer een onderzoek slecht verliep, wanneer hij het idee had steeds verder van de oplossing weg te drijven, togen die venijnige duiveltjes ten aanval en voelde hij zijn voeten. Hij blikte schuins omhoog naar zijn vrouw, die met een zware ketel in haar hand naast hem stond.
'Moet er nog warm water bij?' vroeg ze bezorgd.
De Cock knikte.
'Voorzichtig.' In zijn stem klonk angst.
Ze schonk vanuit de ketel in de teil.
'Nog meer?'
De oude rechercheur maakte een afwerend gebaar.
'Ik hoef niet levend gekookt te worden,' riep hij knorrig. 'Ik ben geen kreeft.'
Mevrouw De Cock lachte. Ze kende de stemmingen van haar man en wist, dat zijn slechte humeur meer met zijn werk dan met zijn voeten te maken had.
'Ben je er nog niet uit?' vroeg ze liefjes.
De Cock schoof zijn benen heen en weer.
'Waaruit?' vroeg hij overbodig.
'De moorden in die oude houtloods.'
De Cock schudde zijn hoofd.
'Ik heb soms het idee dat ik dicht bij de oplossing ben en dan smijt een nieuwe moord al mijn verwachtingen weer op de schroothoop.'
'Je hebt nu toch het DNA van de dader?'
De Cock snoof.
'DNA, afgeleid van het Engelse deoxyribonucleic acid… ook wel DNA-fingerprint genoemd… een biologische vingerafdruk. Dat is mooi als bewijsmiddel… wanneer ik een dader heb. Zonder een dader heb ik niets aan die DNA-fingerprint.'
'Ik dacht dat dat een prachtig nieuw opsporingsmiddel was.'
De Cock schudde zijn hoofd.
'Nog niet. Van de echte vingerafdrukken hebben we een uitgebreid bestand, waarin we kunnen zoeken. Van de DNA-fingerprints hebben we zo'n bestand niet.'
De oude rechercheur grinnikte.
'En voor wij van elke verdachte een DNA-fingerprint mogen maken, zal er nog heel wat water door de Amstel moeten vloeien.'
De Cock trok zijn rechterbeen iets omhoog en liet het water van zijn voet druipen.
'Ik heb het gevoel dat de geur die in die oude loods hangt… die geur van rottend hout… iets met de moorden te maken heeft, maar ik weet niet hoe ik die geur moet inpassen.'
Grommend trok hij zijn andere been uit het water en pakte een handdoek.
Mevrouw De Cock hoorde hem hoofdschuddend aan.
'Maak wat voort, Jurrian,' spoorde ze hem aan. 'Je moet naar de Warmoes straat.'
De Cock snoof.
'Ik ben avond aan avond op pad. Ze kunnen 's morgens wel een uurtje op mij wachten.'
Mevrouw De Cock zuchtte omstandig.
'Heb je nog moeie voeten?'
'Het is over.'
Mevrouw De Cock wees naar de telefoon.
'Vledder heeft al een paar maal gebeld en gevraagd waar je bleef.'
De oude rechercheur keek op.
'Wat is er? Voelt hij zich eenzaam?'
Het klonk spottend.
Mevrouw De Cock bukte zich en nam de teil onder zijn voeten weg. 'Wat is dat voor een nare opmerking,' riep ze bestraffend.
'Vledder is altijd op tijd. Daar kun jij een voorbeeld aan nemen.'
De Cock bromde, liet zijn broekspijpen zakken en trok zijn sokken aan.
'Jonge mensen kunnen met minder slaap toe,' riep hij humeurig.
'Toen ik zo oud was als hij…'
Mevrouw De Cock onderbrak hem fel. Ze zette kwaad de teil terug op de vloer. Water golfde over de rand.
'Schiet op,' riep ze briesend. 'Die jongen zit op het bureau in moeilijkheden. Vledder heeft een man bij zich die een bekentenis wil doen… alleen aan jou.'