De woorden van Roger ter Beek bleven secondenlang tegen de wanden van de recherchekamer kleven. Van schrik liet Vledder een ballpoint uit zijn vingers vallen. De pen kletterde op zijn bureau.
De Cock wachtte tot het geluid was verstomd. Toen keek hij Roger ter Beek scherp, onderzoekend aan. 'Weet u wel wat u zegt?' vroeg hij kil.
De jongeman knikte overtuigend. 'Ze wilden hem uit de weg ruimen.'
De Cock trok zijn gezicht in een ernstige plooi. 'Dat is een zware beschuldiging.'
'Dat realiseer ik mij,' antwoordde Roger. 'Ik ben ook schoorvoetend hierheen gekomen… heb voor de deur van het politiebureau geaarzeld of ik wel naar binnen zou gaan.'
De Cock strekte zijn rechterarm naar hem uit. 'Hebben Florentine en haar moeder u in die plannen tot moord gekend?'
'Ik… eh, ik weet niet,' antwoordde Roger aarzelend, 'hoe ik uw vraag moet opvatten… wat u precies bedoelt.'
De Cock boog zich iets naar hem toe. 'Of u met hen in details bent getreden… over het hoe en waarom… over de wijze van uitvoering…'
Roger zwaaide afwerend. 'Ik… eh, ik was geen deelgenoot. Ik heb aan die plannen tot moord niet meegewerkt. Ik zat niet in het complot.'
'Hoe kende u ze dan… die plannen tot moord?'
Roger spreidde zijn handen. 'Door Florentine. Uit de tijd toen we nog samen waren. Florentine had wel eens meer gezegd: vandaag of morgen maken moeder en ik hem van kant. Maar aan die opmerkingen heb ik nooit enige waarde gehecht. Ik ben daar nooit serieus op in gegaan.'
'U geloofde niet dat het ernstig was gemeend?'
Roger ter Beek schudde zijn hoofd. 'Mensen zeggen wel eens meer vreemde dingen als ze kwaad zijn.
Ondoordacht. En er was bij hen nog wel eens heibel in de tent. De vader en moeder van Florentine hadden vaak ruzie.'
'Ook waar u bij was?'
Roger ter Beek grijnsde. 'Dan stonden hun smoeltjes glad. De schijnheiligheid droop van hun gezicht.'
'U was niet zo erg op uw… eh, uw toekomstige schoonouders gesteld?'
'Beslist niet,' antwoordde Roger fel. 'Ze hebben mij in feite nooit geaccepteerd. Ze waren er echt niet blij mee dat Florentine bij mij introk.'
'U wist van hun onderlinge ruzies door Florentine?'
Roger ter Beek knikte. 'Florentine kwam na een bezoek aan haar ouders altijd geagiteerd en opgewonden thuis. En dan moest ik haar jeremiades aanhoren.'
De jongeman zweeg even. Hij dacht na en vervolgde toen: 'Florentine koos altijd de zijde van haar moeder… in elk geschil. Ze kon het bloed van haar vader wel drinken.'
De Cock wreef met zijn vlakke hand over zijn breed gezicht en dacht enige seconden na. 'Wanneer kwam u tot de gedachte dat de plannen om de heer De Graaf te vermoorden geen loze kreten waren, maar wel degelijk ernstig waren gemeend?'
Roger liet zijn hoofd iets zakken en slikte. 'Toen Florentine mij vroeg,' sprak hij zacht, 'of ik haar een pistool kon bezorgen.'
Nadat Roger ter Beek uit de recherchekamer was vertrokken, kwam Vledder van achter zijn bureau vandaan, pakte de stoel naast het bureau van De Cock en ging daar achterstevoren op zitten.
'Gaan we ze arresteren?'
'Wie?'
'Moeder en dochter.'
De oude rechercheur keek naar hem op. 'Roger ter Beek zegt dat hij dat pistool nooit heeft geleverd… dat hij botweg heeft geweigerd om Florentine een vuurwapen te bezorgen. Volgens hem was die weigering de werkelijke reden van hun scheiding. Bovendien wilde hij geen medeplichtige worden.'
Vledder knikte. 'Maar Florentine en haar knappe moeder… dat is toch wel duidelijk… hadden moordplannen, en Ferdinand de Graaf is wel met een vuurwapen afgemaakt.'
De Cock leunde achterover in zijn bureaustoel. 'Ik weet niet,' formuleerde hij nadenkend, 'of dat wel zo duidelijk is. We hebben alleen het verhaal van Roger ter Beek. Mijn oude moeder zegt altijd: je kijkt ze wel voor de kop, maar niet in de krop. Het is mij nog duister waarom hij ons zijn verhaal kwam vertellen.'
De Cock trok een bedenkelijk gezicht. 'Laten we voorzichtig zijn. Na een scheiding van geliefden ontstaan vaak rancuneuze gedachten.'
Vledder keek hem verward aan.
'Een wraakactie… een wraakactie van Roger ter Beek om een afgebroken liefde?'
'Mogelijk.'
'Waarom heb je Roger ter Beek niet verteld dat wij Ferdinand de Graaf al met een kogel in zijn hoofd hebben gevonden?'
De Cock glimlachte. 'Ik wil zijn reactie afwachten als hij morgenochtend het bericht van de moord in de krant leest.' De oude rechercheur stond van zijn stoel op en slenterde naar de kapstok.
Vledder liep hem na. 'Waar ga je heen?'
De Cock wurmde zich in zijn regenjas.
'Smalle Lowietje. Mijn dorstige keel snakt naar een cognackie.'
Lowietje, vanwege zijn geringe borstomvang in het woelige wereldje van de penoze Smalle Lowietje genoemd, wreef zijn kleine handjes langs zijn morsige vest en begroette de oude rechercheur uitbundig. 'Kijk, kijk,' kirde hij vrolijk. 'De grote speurder heeft zich een moment vrij gemaakt. Het is niet te geloven.'
Hij hield zijn sproeterig muizensmoeltje een beetje scheef. 'Kon het eraf? Of moest je aan de commissaris eerst een verzoek in zevenvoud indienen?'
De Cock lachte vrolijk. 'Lowie,' sprak hij hoofdschuddend, 'er is in de hele wereld geen commissaris die mij uit jouw hooglijk gewaardeerd etablissement houdt.' Hij schuifelde naar het einde van de bar en hees zijn zware lijf op een kruk. Het was zijn vaste stek. Hij wist hoe licht ontvlambaar de buurt was. Vanaf die plaats had hij een goed overzicht op alle eventualiteiten.
Vledder nam naast hem plaats. De jonge rechercheur voelde zich steeds meer thuis in het schemerige, intieme lokaaltje van Smalle Lowietje, waar meisjes van de vlakte verpozing en vergetelheid zochten achter een pittig likeurtje of een citroentje met suiker.
De tengere caféhouder keek naar de oude rechercheur op. Zijn vriendelijk smoeltje glom van genegenheid. 'Hetzelfde recept?'
De Cock antwoordde niet. Hij wist dat dit niet van hem werd verwacht. De vraag was slechts een inleiding… een inleiding tot een bijna sacraal gebeuren. Vergenoegd keek hij toe hoe Smalle Lowietje aalglad onder de tapkast dook en te voorschijn kwam met een fles pure Franse cognac Napoleon, die de caféhouder speciaal voor hem gereserveerd hield.
'Dit is toch niet je laatste?'
Lowietje schudde zijn hoofd. 'Gelukkig niet. Ik heb nog een paar van die flesjes weten te bemachtigen.'
Met een teder gebaar streelde hij het etiket. 'Alleen voor echte genieters.'
Hij zette drie diepbolle glazen op de bar en schonk behoedzaam in. De Smalle dronk altijd een glaasje mee.
De Cock genoot van de koesterende toewijding waarmee de caféhouder hem bediende. De schaarse momenten die de misdaad hem vergunde bij Smalle Lowietje door te brengen, trachtte hij in zijn herinnering te verankeren. Hij nam het glas op, schommelde het zachtjes in de hand en snoof. Op zijn breed gezicht vol groeven verscheen een glans van verrukking. Met getuite lippen nam hij een slok en liet het vocht genietend langs zijn dorstige keel glijden. Even sloot hij zijn ogen, toen zette hij het glas omzichtig op de bar terug. 'Lowie,' sprak hij zalvend, 'er zijn van die ogenblikken, dat ik van het leven houd.'
De caféhouder straalde. 'Hoe is het aan de Kit?' vroeg hij belangstellend.
De Cock trok nonchalant zijn schouders op. 'Druk… druk, zoals altijd. We hebben vanmorgen een vermoorde man in de Houthaven in een oude gammele legerloods gevonden.'
Smalle Lowietje zette zijn glas neer. 'Zo'n halfronde loods van gegolfd plaatijzer?'
De Cock knikte. 'Ik wist niet dat ze nog bestonden. Ik dacht dat ze allemaal al waren weggerot. De loods was ook zo lek als een mandje.'
Smalle Lowietje grinnikte. 'Die plaatijzeren loods aan de Houthaven is van Brammetje. Ik heb hem eens een tijdje van Brammetje gehuurd om een oude boot die ik had gekocht wat op te knappen.'
De Cock trok een denkrimpel in zijn voorhoofd. 'Welke Brammetje?'
Smalle Lowietje maakte een verontschuldigend gebaar. 'Ik weet ook niet meer dan dat hij Brammetje heet. Hij woont hier verderop in de Bethaniendwarsstraat. Vroeger gebruikte Brammetje die loods als opslagplaats voor tropisch hout.'
'Tropisch hout?'
Smalle Lowietje knikte. 'Brammetje had toen een compagnon met wie hij bijzondere houtsoorten importeerde uit Zuid-Amerika.'
'Hoe weet je dat?'
Smalle Lowietje glimlachte. 'Brammetje komt hier nog wel eens en als hij een paar borrels achter zijn kiezen heeft wordt hij loslippig. Die compagnon heeft hem er destijds ingeluisd… hem valselijk beschuldigd van het knoeien met vrachtbrieven en cognossementen, waardoor Brammetje een paar maanden in de lik heeft moeten opknappen. Hij is nog steeds pisnijdig op die vent.'
'Die loods is nog steeds van hem?'
'Dat neem ik aan.'
De Cock nam nog een slok van zijn cognac. 'Stuur Brammetje eens naar mij toe.'
'Doe ik.'
De Cock hield zijn hoofd een beetje scheef en boog zich iets naar voren. 'Heeft Brammetje wel eens de naam van die compagnon genoemd?'
Smalle Lowietje knikte. 'De Graaf… Ferdy de Graaf. Die is nog steeds in zaken… heeft zijn kantoor op de Herengracht. Brammetje heeft mij bezworen dat hij hem op een goeie dag nog eens te grazen neemt.'
De rechercheurs verlieten het etablissement van Smalle Lowietje en stapten naar de Achterburgwal. De warmte van de cognac gloeide in hun aderen. De wind was wat gaan liggen, maar het regende nog steeds. De oude iepen aan de wallenkant dropen en het schaarse licht van de lantaarns deed de gladde straatsteentjes glimmen. Ondanks het slechte weer was het aardig druk op de Wallen. De seks-business was in vol bedrijf. In het barmhartige roodroze licht toonden de uitgestalde hoertjes hun lijfelijke bekoorlijkheden.
De Cock trok de kraag van zijn regenjas omhoog en schoof zijn oude hoedje naar voren. Hij keek opzij naar Vledder, die rustig naast hem voortslenterde.
'We mogen aannemen dat Ferdinand de Graaf die oude loods aan de Houthaven kende.'
'Je bedoelt: uit de tijd dat Brammetje nog een compagnon van hem was.'
De Cock knikte. 'Het is opmerkelijk dat hij juist in die loods werd vermoord.'
Vledder grinnikte vreugdeloos. 'We hebben nog nooit zoveel verdachten in zo'n korte tijd gehad.'
De Cock reageerde niet. 'Je moet morgen eens dat dossier opvragen op basis waarvan Brammetje destijds tot een paar maanden gevangenisstraf werd veroordeeld.'
Vledder maakte een gebaar van wanhoop. 'We kennen niet eens zijn naam.'
De Cock keek hem verwonderd aan. 'Dat is toch geen probleem. Bel morgenochtend de secretaresse van Ferdinand de Graaf aan de Herengracht. Anders weet mevrouw De Graaf wel hoe de vroegere compagnon van haar man heet.'
Vledder liep brommend verder. 'Sorry,' mompelde hij. 'Ik heb even niet nagedacht.'
De Cock lachte.
Toen de rechercheurs de hal van het politiebureau binnenstapten, kwam Jan Kusters van achter de balie vandaan. Zijn gezicht stond gespannen.
De Cock keek hem bezorgd aan. 'Wat is er… onze commissaris overleden?'
De wachtcommandant schudde zijn hoofd. 'Boven zit een deftig stel op je te wachten.'
'Een deftig stel?'
Jan Kusters knikte. 'De heer maakte nogal stampei. Toen ik hem zei dat jij er niet was, wilde hij onmiddellijk de commissaris spreken.'
'En?'
'Ik zei hem dat commissarissen van politie alleen tijdens kantooruren te consulteren zijn.'
De Cock gniffelde. 'Heel goed.' De oude rechercheur draaide zich om en besteeg opmerkelijk kwiek de stenen trappen naar de tweede etage. Vledder volgde met lichte tred.
Op de bank bij de toegangsdeur naar de grote recherchekamer ontdekte De Cock advocaat Martin van Heerlen. Naast hem zat een chic geklede dame. De Cock schatte haar op voor in de veertig.
Toen ze de rechercheurs in het oog kregen, kwamen ze van de bank overeind. De Cock bezag de gestalte van de vrouw. Ze was bijna even lang en slank als Martin van Heerlen.
De advocaat glimlachte. 'Mag ik u voorstellen… mijn zuster Adelheid.'
De oude rechercheur nam beleefd zijn hoedje af en maakte een lichte buiging. 'De Cock… met ceeooceeka. Mag ik u voorgaan?'
De grijze speurder deed de deur van de recherchekamer open en slenterde naar zijn bureau. Daar pakte hij een extra stoel en liet de beide bezoekers naast zich plaatsnemen.
De Cock keek van Martin naar Adelheid en terug. 'Wie voert het woord… of kan ik ongehinderd vragen stellen?'
Martin van Heerlen gebaarde in zijn richting. 'Beschouwt u mijn zuster Adelheid als verdachte?'
De Cock schudde zijn hoofd. 'Er zijn geen feiten en omstandigheden, zoals de wet voorschrijft, die een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit rechtvaardigen. Op het bureau van de vermoorde Ferdinand de Graaf aan de Herengracht lag een aantekening: Adelheid van Heerlen 13.00 uur. Ik concludeer hieruit, dat uw zuster Adelheid die dag te 13.00 uur een afspraak met de heer De Graaf had.'
Adelheid van Heerlen knikte.
'Dat klopt. Ik heb met Ferdinand geluncht.'
De Cock hield zijn hoofd iets schuin. 'Ferdinand… was u met hem bevriend?'
Adelheid van Heerlen glimlachte. Ineens viel het De Cock op hoe mooi ze was. Niet uitbundig, prikkelend, maar een verstilde, serene schoonheid.
'Ferdinand,' sprak ze zacht, 'is niet het type man dat mij bekoort. Ik kende hem van vroeger. In onze jeugd hebben wij in Amsterdam op de Bickersgracht gewoond. Ferdinand de Graaf woonde maar een paar huizen van ons vandaan.'
'En sindsdien hebt u contact met hem onderhouden?'
Adelheid van Heerlen schudde haar hoofd. 'Een dag voordat ik met hem lunchte, ontmoette ik hem puur bij toeval bij Vroom & Dreesmann in de Kalverstraat. We hebben daar op de boekenafdeling even met elkaar staan babbelen over vroeger… hoe de stad was veranderd. Ferdinand brak het gesprek snel af. Hij had een afspraak. Dat speet hem erg. Hij wilde graag met mij nog wat oude herinneringen ophalen.'
'Toen hebt u een afspraak met hem gemaakt?'
Adelheid van Heerlen gebaarde voor zich uit. 'Het was zijn initiatief. Hij nodigde mij uit voor een lunch in Victoria, de volgende dag.'
'En aan die afspraak hebt u zich gehouden?'
Adelheid van Heerlen knikte. 'Het was een verrukkelijke lunch en we hebben gezellig met elkaar zitten kletsen.' Ze zuchtte diep. 'Ik had om half drie een afspraak
met Martin op zijn kantoor. Ik kon dus niet te lang blijven.'
De Cock wendde zich tot de advocaat. 'Ze was die dag bij u om half drie?'
Martin van Heerlen glimlachte. 'Zo ongeveer. Ik heb niet exact op de tijd gelet. Adelheid is niet bij mij in vaste dienst, maar wanneer de paperassen in mijn kantoor zich hoog opstapelen en zelfs mijn secretaresse er geen weg meer mee weet, dan komt Adelheid even schoon schip maken.'
'Mag ik daarover nog een keer met uw secretaresse praten?'
'Zeker.'
De Cock richtte zijn blik op Adelheid van Heerlen. 'Hebt u nog verdere afspraken met de heer De Graaf gemaakt?'
'Nee.'
'Ook niet voor dezelfde avond?'
Adelheid van Heerlen schudde haar hoofd. 'En God is mijn getuige.'
De Cock knikte. Zijn gezicht stond ernstig. 'Een goede getuige,' sprak hij strak. 'Ik ben alleen bang dat Hij zich niet laat dagvaarden.'