8

De beide rechercheurs reden in hun trouwe Golf van de Van der Madeweg terug naar de Kit. Vledder, aan het stuur, staarde somber voor zich uit. De jonge rechercheur was zichtbaar uit zijn humeur.

De Cock keek hem peilend aan.

'Ging het niet naar je zin?'

Vledder schudde zijn hoofd.

'Onze kring van verdachten,' riep hij wrevelig, 'wordt steeds groter. Blijkbaar hadden velen een motief om de viriele Ferdinand de Graaf naar de andere wereld te helpen.'

De Cock knikte.

'De vraag is welk motief indringend genoeg was. Mathilde had een slecht huwelijk, Brammetje koesterde een wrok en Michel van Amerongen wilde een rivaal kwijt.'

De oude rechercheur schudde zijn hoofd.

'Als er niets bij komt, vind ik in geen van deze motieven een argument voor moord.'

Vledder keek even opzij.

'Wat bedoel je met: als er niets bij komt?'

De Cock zuchtte.

'Factoren die wij nog niet kennen… factoren die aan de motieven van Mathilde, Brammetje en Michel van Amerongen een extra dimensie geven.'

'Hoe komen wij daar achter?'

De Cock glimlachte.

'Snuffelen. Wroeten. De kring van verdachten blijven prikkelen.

Het zou mij bijvoorbeeld niets verbazen wanneer op dit moment Michel van Amerongen met zijn Mathilde belt.'

'Denk je dat hij de geheimzinnige minnaar van mevrouw De Graaf is?'

De Cock maakte een grimas.

'Het heeft er alle schijn van. Tenzij er nog een andere man uit haar omgeving opduikt. Mooie, rijpere vrouwen zoals Mathilde, zijn aanlokkelijk voor mannen in vrijwel alle leeftijdsgroepen.'

De sombere trek op het gezicht van Vledder verdween.

'We zijn nog geen pubers in ons onderzoek tegengekomen,' sprak hij lachend.

De Cock liet zich wat onderuitzakken.

'Wie weet,' gromde hij. 'Ik heb het idee dat in deze zaak nog van alles mogelijk is.'

Hij keek schuin omhoog.

'Ik heb nog geen verslag van je gekregen van de gerechtelijke sectie.'

Vledder trok achteloos zijn schouders op.

'Een nekschot… vernieling van het verlengde merg… een vrijwel onmiddellijke dood.'

'En de kogel?'

'Zat pal onder het schedeldak. Ook de hersenen waren door de baan van de kogel zwaar beschadigd. Volgens onze wapendeskundige is het een negen millimeter, vermoedelijk afgevuurd uit een revolver. Maar daarover had hij geen zekerheid.'

'Krijgen we nog een uitgebreid verslag?'

Vledder knikte.

'Dat heeft hij beloofd.' De jonge rechercheur grinnikte. 'Hij vroeg of wij het wapen al hadden gevonden.'

'Optimist.'

Vledder parkeerde de Golf op de houten steiger achter het bureau.

Ze stapten uit en slenterden via de Oudebrugsteeg naar de Warmoesstraat. Op de kruising liep De Cock rechtdoor naar de Lange Niezel.

Vledder bleef midden op de kruising staan en gebaarde naar links.

'Het politiebureau is daar,' schreeuwde hij uit volle borst. 'Ben je dat na vijfentwintig jaar Warmoesstraat vergeten?'

De Cock slofte onverstoorbaar verder.

Vledder holde achter hem aan.

'Waar ga je heen?'

De Cock wees voor zich uit.

'Naar de Kromme Waal bij de Geldersesteeg.'

'Wat is daar?'

De Cock trok zijn gezicht strak.

'Daar woont Mathilde de Graaf met haar dochter Florentine. Ik meen, dat beiden ons nog wat uitleg verschuldigd zijn.'

Haar rouwkleding uit de aula was vervangen door een blauwzwart rokje, waarboven een witte wijde katoenen blouse met volanten aan kraag en mouwen.

Mathilde de Graaf keek De Cock, die tegenover haar zat, bijna uitdagend aan. Er was geen spoor van verdriet of verslagenheid.

'Florentine is er niet,' sprak ze spijtig. ' Ze is vanmiddag na de begrafenis de stad ingegaan. Ik weet niet hoe laat ik haar terug kan verwachten. Daar heeft ze niets over gezegd.'

Ze schonk hem een milde glimlach.

'Zal ik haar straks sturen als ze komt?'

De Cock knikte traag. Hij snoof de geur van haar exotisch parfum op en onderging opnieuw de betovering.

'U… eh, u hebt ons,' opende hij voorzichtig, 'van het begin af een verkeerde voorstelling van zaken gegeven. U schetste uw huwelijk als een vleugje hemels paradijs, terwijl ik inmiddels tot de conclusie ben gekomen dat het voor u een hel op aarde moet zijn geweest.'

Mathilde de Graaf spreidde haar armen.

'Het was een reactie uit mijn jeugd,' legde ze uit. 'Ik ben godsdienstig opgevoed… ging in mijn jeugd trouw ter kerke. Mijn ouders leerden mij ook om de vuile was nooit buiten te hangen.

Dat vind ik nog steeds een juist standpunt. Niemand heeft iets te maken met mijn ellende en verdriet. Daar verkneuteren de mensen zich alleen maar om.'

De Cock keek haar bestraffend aan.

'Het was voor ons een slechte basis om een onderzoek naar moord te beginnen.'

Mathilde zwaaide afwerend.

'Ik wist op het moment dat ik bij u kwam toch nog niet dat mijn man was vermoord.'

De Cock strekte zijn arm naar haar uit.

'Maar op het moment dat u het wel wist, bent u niet naar mij toe gekomen om…'

Mathilde onderbrak hem.

'Florentine had u een juister beeld van mijn huwelijk geschetst. Ik voelde niet de behoefte om daar nog iets aan toe te voegen.'

De Cock glimlachte.

'Uw man… zo is mij ter ore gekomen… sprak niet vleiend over u.

Hij noemde u een ijsklomp. En dat klinkt niet erg complimenteus.'

Het gezicht van Mathilde versomberde.

'Ik ben een gezonde vrouw, rechercheur,' sprak ze ferm. 'Nog geen veertig… in de bloei van mijn leven. Ik wist dat Ferdy zich van het ene avontuurtje in het andere stortte… dat hij van het ene bed in het andere kroop. Die gedachte kweekte afkeer. Ik vond hem op den duur vies en weigerde elke seksuele toenadering.'

'Vandaar… ijsklomp.'

'Dat denk ik.'

De Cock aarzelde en kauwde op zijn onderlip.

'Uw… eh, uw man heeft ook beweerd,' sprak hij weifelend, 'dat u… eh, vreemdging… dat u een verhouding had.'

Mathilde reageerde verrast.

'Heeft hij dat gezegd?'

In haar stem trilde ongeloof.

De Cock knikte.

'Wie was die man?'

Mathilde schonk hem een wrange glimlach.

'Het is een leugen… een pure leugen. Ferdy provoceerde mij. Hij had een ongetrouwde vriend, Jelle Poelstra. Ferdy nodigde hem steeds bij ons thuis uit en dan ging hij weg en liet mij met Jelle alleen. Toen ik van Ferdy begreep wat zijn bedoeling was, heb ik tegen Jelle gezegd dat ik hem niet meer zou ontvangen… ook al was hij door Ferdy uitgenodigd.'

'Smerig.'

Mathilde de Graaf knikte.

'Zo was hij.'

De Cock keek haar niet-begrijpend aan.

'Als er in feite geen sprake meer was van een echt huwelijk tussen u en Ferdy, dan had u toch beter bij hem vandaan kunnen gaan?'

Mathilde de Graaf schudde haar hoofd.

'Wat God vereent,' sprak ze plechtig, 'zal de mens niet scheiden.'

'Een ouderwetse opvatting.'

'Voor u?'

De Cock liet zijn hoofd iets zakken. Eerst na enkele seconden keek hij op.

'Scheiden is beter dan moord.'

'Moord?'

De Cock knikte.

'Moord.'

Mathilde keek hem strak aan.

'U denkt toch waarachtig niet dat ik iets met de moord op Ferdy te maken heb?'

De Cock gebaarde achteloos.

'Er waren plannen. Ik heb begrepen dat u en Florentine zijn dood wel degelijk hebben overwogen.'

Er zweefde een glimlach vol minachting om haar lippen.

'U hebt zeker met Roger ter Beek gesproken,' reageerde ze smalend. 'Dat uilskuiken is hier geweest en heeft Florentine en mij van moord beschuldigd.'

'Wanneer?'

'Gisteravond.'

De Cock veinsde onbegrip.

'Had Roger ter Beek redenen om u beiden van moord te beschuldigen?'

Mathilde schudde vertwijfeld haar hoofd.

'Florentine is veel emotioneler dan ik,' reageerde ze heftig. 'Ze is een kind van haar tijd. Ongeremd… ongehinderd door principes.

Bovendien zat haar afkeer jegens mijn man veel dieper dan bij mij.

Ik kende alleen maar medelijden.'

'En Florentine?'

De ogen van Mathilde fonkelden.

'Haat. Mijn man heeft een paar maal geprobeerd om Florentine te verleiden… drong 's nachts haar slaapkamer binnen om haar in het donker te betasten. Het was een onhoudbare situatie. Daarom is zij met dat uilskuiken gaan samenwonen.'

'Tegen de wil van uw man?'

Mathilde knikte heftig.

'Zeker. Hij zag een prooi aan zich voorbijgaan.'

Ze zweeg even en frunnikte aan de volanten van haar blouse.

'Ik was er ook niet blij mee,' ging ze verder. 'Wat Florentine destijds in die jongen heeft gezien, mag Joost weten. Ik heb het altijd als een vlucht beschouwd.'

'Een vlucht voor haar vader?'

'Precies. Roger ter Beek is een louche nietsnut. Ter wille van de lieve vrede heb ik uiteindelijk maar toestemming gegeven. Ik had weinig keus.'

'Roger ter Beek beweerde dat Florentine het bloed van haar vader wel kon drinken.'

Mathilde sloeg haar handen ineen.

'Ik zei toch… ze haatte hem. Hartgrondig. Florentine heeft haar afkeer jegens haar vader nooit onder stoelen of banken gestoken. Ze schreeuwde het als het ware van de daken.'

'Was haar haat, haar afkeer, de reden dat ze om een vuurwapen vroeg?'

Mathilde de Graaf ademde diep.

'Weer zo'n indianenverhaal,' antwoordde ze vermoeid. 'Florentine liet zich een keer ontvallen dat ze haar vader kapot moesten schieten. Het was zo'n kreet uit woede, nadat ze weer eens een ruzie tussen mij en Ferdy had bijgewoond.'

Mathilde zweeg even en sloeg haar handen voor haar gezicht.

'De volgende dag legde dat uilskuiken Florentine een revolver in haar handen.'

'En?'

'Wat bedoelt u?'

'Waar is die revolver gebleven?'

Mathilde de Graaf maakte een hulpeloos gebaar.

'Geen idee. Florentine heeft de revolver op hun bed gesmeten en is

schreeuwend weggelopen.'

'En de revolver bleef bij Roger ter Beek?'

Mathilde de Graaf knikte instemmend.

'Volgens mij heeft hij hem nog.'

Vledder grinnikte.

'De mortuis nil nisi bene.'

De Cock keek hem bewonderend aan.

'Die Latijnse spreuk heb je goed onthouden.'

Vledder knikte.

'Over de doden niets dan goeds. Maar ik heb tot nu toe weinig goeds over de vermoorde Ferdinand de Graaf vernomen. Integendeel. Ik heb het idee dat maar weinigen om zijn heengaan treuren.'

'Misschien zijn velen zijn moordenaar wel dankbaar,' vulde De Cock hem aan.

Vledder kwam half uit zijn stoel overeind. Steunend op zijn elektronische schrijfmachine boog hij zich naar zijn oude collega. Zijn gezicht stond ernstig.

'Nu we,' formuleerde de jonge rechercheur zorgvuldig, 'zoveel negatieve karaktereigenschappen van die man kennen… weten hoe hij zich dikwijls en in vele opzichten heeft misdragen… is het ethisch dan nog wel verantwoord om achter zijn moordenaar aan

te jagen?'

'Je bedoelt, dat wij de zaak verder maar moeten laten rusten?'

'Ja.'

De Cock glimlachte.

'De beoordeling of de vermoorde Ferdinand de Graaf een slecht mens was en zijn moordenaar clementie verdient… ligt niet bij ons.'

'Ik weet het, maar het blijft jammer.'

De Cock negeerde de opmerking;

'Wij moeten zijn moordenaar vinden. Dat is onze taak. Uiteindelijk zal de rechter met zijn strafmaat bepalen hoe schuldig hij die moordenaar acht.'

Vledder liet zich weer in zijn stoel terugzakken.

'Wij gaan dus gewoon door?'

'Absoluut.'

'Huiszoeking doen bij Roger ter Beek?'

De Cock trok een bedenkelijk gezicht.

'Wat weten we? Roger ter Beek had een revolver. Dat is gezien door Florentine. En verder?'

De oude rechercheur schudde zijn hoofd.

'Op die basis krijgen we nooit een officieel bevel tot huiszoeking.

De verdenking is te vaag, de bewijzen te summier.'

'En on-officieel?'

De Cock gniffelde.

'Je bedoelt met het apparaatje van Handige Henkie?'

Vledder knikte.

'Sloten hebben voor jou toch geen geheimen.'

De Cock schudde zijn hoofd.

'Dit keer liever niet. Gestel, dat wij die revolver in de woning van Roger ter Beek vinden. Dan moeten we hem laten liggen. We kunnen hem niet meenemen.'

'Waarom niet?'

'Onrechtmatig verkregen bewijs. Ik wil het risico niet lopen om door een of andere advocaat naar het verdachtenbankje te worden verwezen.'

'Wat wil je dan doen?'

De Cock grijnsde.

'We nodigen Roger ter Beek uit om de revolver bij ons in te leveren.'

'En als hij dat niet doet?'

De Cock spreidde zijn handen.

'Hij zal toch met een verhaal moeten komen. En dan kunnen we nog…'

De oude rechercheur stokte. Er werd op de deur van de recherchekamer geklopt en Vledder riep: 'Binnen.'

In de deuropening verscheen een lange magere man. De Cock schatte hem op voor in de veertig. Hij droeg een fraaie bruine wintermantel en een imposante bontmuts. In trage tred liep hij op de grijze speurder toe. Bij het bureau bleef hij staan en nam zijn bontmuts af.

De oude rechercheur nam de man nauwkeurig in zich op. Hij had een scherp gesneden gezicht met een licht geprononceerde neus en lichtgroene ogen. Zijn blonde haren waren strak achterover gekamd.

De man boog zich iets naar voren.

'Mag ik u even spreken?'

De Cock gebaarde naar de stoel naast zijn bureau.

'Neemt u plaats.'

De man knoopte zijn mantel los en ging zitten.

'Mathilde… mevrouw De Graaf,' sprak hij zacht, 'heeft mij een halfuurtje geleden gebeld. Ze verontschuldigde zich.'

'Waarvoor?

'U bent toch rechercheur De Cock?'

'Inderdaad.'

'Ze had aan u mijn naam genoemd. Ik ben Jelle Poelstra. Tot een paar maanden geleden kwam ik dikwijls bij Mathilde op visite.'

De Cock knikte.

'Dat vertelde ze. U deed dat op uitnodiging van haar man.'

Jelle Poelstra streelde de bontmuts op zijn schoot.

'Ferdinand de Graaf vertelde mij dat zijn vrouw zich vaak eenzaam voelde, omdat hij door zaken dikwijls van huis was.'

'U moest haar gezelschap houden?'

'Precies.'

De Cock glimlachte.

'Meer niet?'

Over het gelaat van Jelle Poelstra gleed een smartelijke trek.

'Dat… eh, dat is nu precies wat mij kwelt. Er is tussen mij en Mathilde nooit iets geweest. Geen verhouding, geen liefde, geen intieme relatie.'

De Cock keek de man onderzoekend aan.

'Wie beweert van wel?'

'Ik ben bang voor geruchten.'

'Zijn die er?'

Jelle Poelstra stak zijn handen trillend omhoog.

'Ik wil,' sprak hij nadrukkelijk, 'dat u er van doordrongen bent dat er voor mij geen enkele reden bestond om Ferdinand de Graaf iets aan te doen. Ik heb met die moord op hem niets te maken.'

Загрузка...