Bij het binnenkomen zwiepte De Cock nijdig en met een norse trek op zijn gezicht zijn oude hoedje naar de kapstok en miste. Daarna deed hij zijn regenjas uit en raapte zijn hoedje op. Met gebogen hoofd slofte hij naar zijn bureau, ging zitten en sloeg zijn armen over elkaar. De norse trek bleef.
Vledder keek hem onderzoekend aan. 'De pest in?'
De Cock schudde zij hoofd. 'Niet echt,' verzuchtte hij. 'Ik heb alleen een rotgevoel van binnen.'
'Waarover?'
'Ik begrijp haar niet.'
'Je bedoelt mevrouw De Graaf?'
'Ja.'
'Hoe vatte ze het op?'
De Cock zuchtte opnieuw en omstandig. 'Laconiek… uiterst laconiek.' De oude rechercheur schudde zijn hoofd. 'Ik heb in mijn lange carrière bij de politie toch al heel wat doodstijdingen gebracht, maar zoiets heb ik nog nooit meegemaakt. De emoties van die vrouw zijn niet te peilen.'
'Hoezo niet?'
'Er was geen spoor van verdriet. We hadden haar ook kunnen vertellen dat Ajax met drie-nul had verloren. De reactie was hetzelfde geweest.'
'Vreemd.'
De Cock knikte. 'Ik heb geen enkele mededeling behoeven te doen. Het was zelfs niet nodig om mijn gezicht in een sombere plooi te trekken. Dochter Florentine liep met huppelpasjes voor mij uit haar woning binnen en riep al van verre: "Vader is dood… vader is dood." Bijna juichend. Alsof ze als heilssoldate de blijde boodschap bracht.'
De oude rechercheur grinnikte vreugdeloos. 'Mevrouw De Graaf toonde geen enkele interesse in de dood van haar man. Ze vroeg niet hoe het was gebeurd… onder welke omstandigheden wij hem hadden gevonden. Niets. Ze vroeg alleen wanneer en waar de begrafenis kon plaatsvinden.'
Vledder keek hem verward aan. 'Je hebt haar niet verteld dat haar man… eh, dat haar man werd vermoord?'
De Cock schudde zijn hoofd. 'Dat zal Florentine wel doen,' antwoordde hij knorrig. 'Nadat ik daar een poosje doelloos in een fauteuil had gezeten, heb ik mijn hoedje naast mij van het tapijt gepakt en ben weggelopen. Ze zei mij niet eens goedendag.'
'Misschien komt bij haar de reactie later,' sprak Vledder gelaten.
De Cock knikte traag voor zich uit.
'Misschien… hoewel ik daar niet in geloof.' Hij keek op. 'Heb je die Adelheid van Heerlen al gevonden?'
Vledder trok met een brede grijns de lade van zijn bureau open en raadpleegde een notitie.
'De naam Van Heerlen,' rapporteerde hij, 'komt inderdaad niet voor in het telefoonboek van Amsterdam. Omdat ook op de Herengracht bij ons bevolkingsregister de naam Van Heerlen onbekend was, dacht ik aan een valse naam. Uiteindelijk heb ik de hulp ingeroepen van de afdeling Rebuten in Den Haag van de PTT.'
'En?'
'Die gaven mij een adres op aan de Keizersgracht. Toen ik dat natrok bleek daar het kantoor van de advocaten-procureurs Bruijn en Van Meeteren te zijn gevestigd.'
'Geen Van Heerlen?'
Vledder schudde zijn hoofd. 'Ik heb dat kantoor gebeld. Ik kreeg een juffrouw aan de lijn die zich meldde met "De Bruijn en Van Meeteren". Toen heb ik simpel naar Van Heerlen gevraagd.'
De Cock boog zich geamuseerd naar voren. 'Hoe was de reactie?'
Vledder spreidde zijn armen. 'Ik werd zonder verder vragen doorverbonden en een man die zei:
"Met Van Heerlen."'
De Cock glunderde. 'Prachtig.'
'Ik vertelde die Van Heerlen correct dat ik Vledder was, als rechercheur verbonden aan het politiebureau in de Warmoesstraat en vroeg hem heel beleefd of hij een zekere Adelheid van Heerlen kende… of zij misschien familie van hem was.'
'Was zij familie?'
Vledder trok zijn schouders op. 'Dat… eh, dat weet ik niet.'
De Cock keek hem verwonderd aan. 'Heeft hij dat niet gezegd?'
'Die man vroeg mij waarom ik belangstelling voor die Adelheid van Heerlen had.'
'Dat heb je hem gezegd?'
Vledder schudde zijn hoofd. 'Dat leek mij niet verstandig. Ik kon hem moeilijk zeggen dat wij haar zochten in verband met de moord op Ferdinand de Graaf.'
'Heel goed. En verder?'
'Ik vroeg hem opnieuw… nu met enige nadruk… of Adelheid van Heerlen familie van hem was. Toen verbrak hij het gesprek.'
'Zomaar?'
'Ja. Hij hing op.'
De Cock kwam uit zijn stoel overeind. 'Heb je het adres?'
Vledder knikte. 'Keizersgracht dertienhonderdelf.'
De Cock strekte zijn wijsvinger naar hem uit. 'Kom. We gaan die meneer Van Heerlen eens vertellen hoe hij zich als staatsburger dient te gedragen.'
Keizersgracht dertienhonderdelf bleek een schitterend grachtenpand met een karakteristieke verhoogde halsgevel, guirlandes boven de ramen en een imposant bordes. Naast een zware, groengelakte toegangsdeur hing een glimmend gepoetste koperen plaat met 'De Bruijn en Van Meeteren' in zwarte diepverzonken letters.
De Cock drukte op een verlichte bouton onder de koperen naamplaat Toen een zacht zoemen meldde dat de vergrendeling elektrisch werd opgeheven, duwde de oude rechercheur de deur open. Vledder kwam hem na.
Rechts in de hal, achter een glazen wand, zat een jonge vrouw. Ze kwam overeind, schoof een raam weg en keek de mannen vragend aan.
De grijze speurder lichtte speels zijn hoedje. 'Mijn naam is De Cock met… eh, met ceeooceeka.' Hij duimde over zijn schouder. 'Dat is mijn collega Vledder. Wij zijn rechercheurs, verbonden aan het politiebureau in de Warmoesstraat.'
Ze blikte verwonderd van De Cock naar Vledder en terug.
'Recherche?'
De Cock knikte. 'Wij komen voor een onderhoud met de heer Van Heerlen.'
De jonge vrouw aarzelde. 'Ik… eh, ik weet niet of de heer Van Heerlen u beiden kan ontvangen.'
De Cock trok een brede grijns. 'Dat kan hij,' riep hij overtuigend. 'Absoluut. Dat kan hij.'
Zonder verder haar reactie af te wachten, liep de oude rechercheur vanuit de hal een brede met roze marmer beklede gang in. Zijn voetstappen echoden tegen de kale muren. Hij wierp een steelse blik naar de wulpse engeltjes aan het plafond en bleef staan voor een monumentale deur met eiken panelen. Heel even aarzelde hij. Toen drukte hij de kruk omlaag en stapte naar binnen. Vledder volgde schoorvoetend.
De jonge vrouw van het glazen schuifraam stond hijgend en met een rood hoofd naast een immens groot bureau.
Van achter dat bureau kwam een heer in een stemmig grijs kostuum met een ruk omhoog. Hij was lang en slank. De Cock schatte hem op half in de veertig. Hij had een knap ovaal gezicht met een iets te brede kin, opvallende lichtblauwe ogen en donkerblond haar, iets grijzend aan de slapen.
De Cock bracht zijn beminnelijkste glimlach. 'Ik wacht even,' sprak hij vriendelijk, 'tot de jongedame ons bij u heeft aangemeld.'
De jonge vrouw slikte. 'Het zijn rechercheurs van de Warmoesstraat,' sprak ze gehaast. 'Ze wilden u spreken en ik zei dat ik niet wist of u hen…'
De man liet haar niet uitspreken. Hij gaf haar een teken dat ze het vertrek diende te verlaten. Toen ze weg was, kwam de grijze speurder een stap dichter naar het bureau. 'U gaf haar niet de kans,' sprak hij hoofdschuddend, 'om mijn naam te noemen. Ik ben rechercheur De Cock. De Cock met ceeooceeka. Als u een klacht over mij schrijft, dan zie ik graag dat u mijn naam goed spelt.'
De grijze speurder hield zijn hoofd iets schuin. 'U bent Van Heerlen?'
De heer knikte. 'Martin… Martin van Heerlen.'
'U bent advocaat?'
'Zeker.'
'Ik heb uw naam niet aan de gevel zien staan.'
Martin van Heerlen schudde zijn hoofd. 'Zo'n vijftien jaar geleden,' legde hij uit, 'ben ik bij de heren De Bruijn en Van Meeteren in dienst gekomen. Zij deden tot dan hoofdzakelijk burgerlijk recht. Ze namen mij in dienst voor strafzaken.'
Hij pauzeerde even.
'Beide heren zijn inmiddels overleden. Ik heb de naam van het kantoor maar zo gelaten. De Bruijn en Van Meeteren hadden in de advocatuur een goede reputatie opgebouwd.' Hij glimlachte. 'En wie kende Martin van Heerlen?'
De Cock liet de vraag onbeantwoord. Hij gebaarde opzij. 'Mijn jonge collega Vledder heeft vanmiddag een telefoongesprek met u gevoerd, dat niet bevredigend verliep.'
'Dat klopt.'
'U verbrak op een onhoffelijke wijze het gesprek.'
Martin van Heerlen knikte. 'Dat is juist. Uw collega vroeg mij of een zekere Adelheid van Heerlen familie van mij was.'
De Cock boog zich iets naar voren. 'Een vreemde vraag?'
Martin van Heerlen ging weer zitten. Hij steunde zijn ellebogen op zijn bureau en vouwde zijn handen. 'Nee,' antwoordde hij hoofdschuddend, 'de vraag was niet vreemd, maar verraste mij wel.'
'In welk opzicht?'
'Die plotselinge interesse uit een onverwachte hoek.'
'U… eh, u kent Adelheid van Heerlen?'
Martin van Heerlen keek hem uitdagend aan. 'Voor ik die vraag beantwoord, kende ik graag de reden van uw belangstelling.'
De Cock gebaarde in zijn richting. 'Uit uw reactie maak ik op dat u haar inderdaad kent.'
Martin van Heerlen knikte traag. 'Dat is juist.'
'Zegt u mij waar ik haar kan vinden… hoe ik met haar in contact kan komen.'
Martin van Heerlen kwam weer uit zijn stoel omhoog. 'Ik ben haar raadsman,' sprak hij gedragen. 'Het is toch begrijpelijk dat ik mijn cliënte tegen… eh, tegen enge recherchepraktijken bescherm.'
De Cock zuchtte omstandig. 'Adelheid van Heerlen had drie dagen geleden een afspraak met een heer, en die heer hebben wij vanmorgen gevonden… vermoord.'
Martin van Heerlen lachte voluit. 'U denkt toch niet dat Adelheid…' Hij maakte zijn zin niet af. 'Ik ben niet alleen haar raadsman, maar ook haar broer. Adelheid van Heerlen is mijn zuster.'
Ze liepen via de Raadhuisstraat, achter het Koninklijk Paleis om, over de Dam en het Damrak terug naar de Kit. Het regende niet meer, maar de felle gure wind maakte het verblijf op straat onaangenaam.
Vledder blikte opzij. 'Bedrijven wij "enge" recherchepraktijken?'
De Cock glimlachte. 'Voor een advocaat zijn alle politiemensen leugenachtig en corrupt.'
'En advocaten?'
De Cock grinnikte. 'Maarten Luther schijnt eens gezegd te hebben: "Ein Jurist ist ein böser Christ." En hij vroeg zich bezorgd af of beulen, juristen, advocaten — en meer van dergelijk gespuis — wel zalig konden worden.'
Vledder grijnsde. 'Ik denk niet dat iemand zich daar nu nog zorgen over maakt.'
'Jammer.'
'Denk je echt dat Martin van Heerlen zijn zuster naar de Warmoesstraat stuurt?'
De Cock knikte. 'Ik vrees alleen dat wij van haar een juridisch goed onderbouwd relaas krijgen.'
'Je bedoelt, dat Martin van Heerlen zijn zuster precies zal voorkauwen wat ze ons moet gaan vertellen?'
'Daar moeten wij terdege rekening mee houden.'
'Is zij verdachte?'
De Cock trok zijn schouders op. 'De afspraak van Adelheid van Heerlen met de vermoorde Ferdinand de Graaf behoeft niets te betekenen. Ze kunnen samen hebben geluncht en daarna uit elkaar zijn gegaan. Bovendien moet er een motief zijn. Martin van Heerlen zegt dat hij geen Ferdinand de Graaf kent en dat bij zijn weten ook zijn zuster geen relatie heeft met een man van die naam.'
De oude rechercheur bracht zijn rechter wijsvinger voor zijn neus. 'Het feit dat Ferdinand de Graaf in die notitie de volledige naam Adelheid van Heerlen opschreef, duidt er volgens mij op, dat zij geen vaste relatie van hem was. Bij een afspraak met een vaste relatie had De Graaf vermoedelijk geen enkele notitie gemaakt of slechts een voornaam vermeld.'
'Dat is hypothetisch.'
De Cock knikte instemmend. Toch voel ik dat zo. Adelheid van Heerlen was nieuw voor hem.'
Vledder reageerde niet.
Toen ze de hal van het politiebureau binnenstapten, wenkte Jan Kusters De Cock met een kromme vinger. De oude rechercheur slenterde traag naar de balie en boog zich eroverheen.
'Ga je mij iets leuks vertellen?' vroeg hij vriendelijk.
De wachtcommandant schudde zijn hoofd. 'Daar zit ik hier niet voor,' bromde hij. Hij wees omhoog. 'Boven op de gang zit een jongeman op jou te wachten.'
'Heb je zijn naam opgenomen?'
Jan Kusters schoof een notitieblaadje naar zich toe. 'Roger ter Beek. Ik zei hem dat jij er niet was en dat ik niet wist wanneer je terug zou komen. Hij stond erop te blijven wachten. Toen heb ik hem maar naar boven gestuurd.'
De Cock knikte. Hoe vaak was dit hem al overkomen? Hij draaide zich traag om en liep de stenen trappen op naar de tweede etage.
Vledder volgde met lichte tred.
Roger ter Beek bleek een jongeman, gekleed in een verschoten spijkerbroek en een ruimvallend vaalblauw jack. De Cock schatte hem op rond de vijfentwintig jaar. Hij had grijsgroene ogen in een bleek gezicht met iets oplopende jukbeenderen. Zijn vlasblond haar eindigde bij zijn nek in een staartje.
De Cock liet hem op de stoel naast zijn bureau plaatsnemen. 'Wat verschaft mij het genoegen van uw komst,' opende hij beminnelijk.
Roger ter Beek boog zich naar hem toe. 'Is die De Graaf al terecht?'
De Cock fronste zijn wenkbrauwen. 'Welke De Graaf?' veinsde hij vol onbegrip.
'De vader van mijn ex-vriendin. Ik heb een goed jaartje met Florentine de Graaf samengewoond.'
'Daar heb ik iets van gehoord,' reageerde De Cock. 'Waarom zijn jullie uit elkaar gegaan?'
Roger ter Beek zuchtte. 'Ze kleefde aan haar moeder vast. Het leek wel een Siamese tweeling. Die twee waren bijna griezelig met elkaar verstrengeld. Daar hadden we nog wel eens woorden over.'
'En dan mepte jij er lustig op los.'
Roger ter Beek verkrampte. 'Wie zegt dat?'
De Cock wuifde de vraag weg. 'Wie heeft jou verteld dat de vader van je ex-vriendin zoek is?'
Roger ter Beek verschoof iets op zijn stoel. 'Ik heb een kennis bij de politie. Die jongen weet dat ik een jaartje met Florentine de Graaf heb samengeleefd. Hij vertelde mij dat u per telex de opsporing van haar vader had verzocht.'
'En dat maakte u nieuwsgierig?'
'Zeker.'
'U weet waar hij is?'
Roger ter Beek schudde zijn hoofd. 'Geen flauw idee.'
De Cock keek hem niet-begrijpend aan. 'Wat komt u dan doen?'
Roger ter Beek maakte een hulpeloos gebaar. 'U helpen,' riep hij verongelijkt. 'Van Florentine heb ik destijds begrepen dat die oude De Graaf een vrolijke schuinsmarcheerder was. Een echte liefhebber, zal ik maar zeggen. Haar moeder vond dat verschrikkelijk… ging daaronder gebukt. Ze was hem liever kwijt dan rijk.'
De Cock tuitte zijn lippen. 'Die indruk had ik niet.'
Roger ter Beek grijnsde. 'Dan heeft zij u aardig om de tuin geleid. Dat is zo haar maniertje. Ze doet altijd voorkomen dat haar huwelijk perfect is. Geen vuiltje aan de lucht.'
'Dat "vuiltje" was er wel?'
Roger ter Beek knikte nadrukkelijk. 'Ze wilde van hem af.'
De Cock trok zijn schouders op. 'Dat is in onze moderne tijd toch geen probleem meer?'
Roger ter Beek duimde over zijn schouder. 'Voor haar blijkbaar wel. Florentine en haar moeder hebben samen zelfs plannen gemaakt om hem van kant te maken.'
'Wat?'
Roger ter Beek knikte opnieuw. 'Ze wilden hem vermoorden.'