Ze reden van de houten steiger achter het politiebureau weg. De jonge Vledder, aan het stuur van de politie-Golf, keek opzij.
'Wat zeg je… een verhouding… Mathilde de Graaf heeft een buitenechtelijke verhouding?'
In zijn stem trilde ongeloof.
De Cock knikte.
'Al maanden.'
Vledder fronste zijn wenkbrauwen.
'En wist haar man dat?'
De Cock glimlachte.
'Volgens de secretaresse van De Graaf was hij daarvan volkomen op de hoogte.'
'Hoe?'
'Dat weet ik niet,' antwoordde De Cock achteloos. 'En we kunnen het hem niet meer vragen. Zijn secretaresse vertelde mij dat hij er nogal lacherig over deed… of het hem hogelijk amuseerde. Toen Ferdinand de Graaf haar van de buitenechtelijke verhouding van zijn vrouw vertelde, leek hij in een prima humeur… was uiterst opgewekt. Hij sprak over de minnaar van zijn vrouw als "de brave man" en hoopte dat hij in staat zou zijn "om die ijsklomp te ontdooien".'
Vledder grinnikte vreugdeloos.
'Ijsklomp… dat klinkt niet vriendelijk.'
De Cock grijnsde.
'Misschien is die typering wel de basis van het slechte huwelijk tussen die twee.'
'En de basis voor moord?'
De Cock trok een bedenkelijk gezicht.
'Dat is moeilijk te zeggen. Gelukkig eindigen niet alle verkilde huwelijken in moord. Het tekort aan cellen was dan niet te overzien.'
De oude rechercheur zweeg even.
'Toch,' ging hij peinzend verder, 'werpt de wetenschap dat Mathilde de Graaf een verhouding had en vermoedelijk nog steeds heeft, weer een heel ander licht op de zaak.'
'In welk opzicht?'
'Als mevrouw De Graaf heeft beoogd haar minnaar buiten haar lijfelijke geneugten ook de onderneming van haar man te laten overnemen, dan is dat een redelijk motief voor moord.'
Vledder gniffelde.
'De lijfelijke geneugten van een ijsklomp?'
'Mathilde is een mooie vrouw.'
'Weet jij wie haar minnaar is?'
De Cock schudde zijn hoofd.
'Ik heb er uiteraard naar gevraagd, maar de secretaresse wist het niet. De Graaf heeft zijn naam nooit genoemd. Maar sprekende over de verhouding van zijn vrouw, had De Graaf eens opgemerkt:
"van je vrienden moet je het maar hebben". De secretaresse had uit die woorden van haar chef begrepen dat mevrouw De Graaf een verhouding was begonnen met een vroegere vriend van hem.'
Vledder staarde strak voor zich uit.
'We zullen mevrouw De Graaf,' sprak hij verbeten, 'nog eens aan de tand moeten voelen. Ze heeft ons aanvankelijk een totaal verkeerd beeld van haar huwelijk met De Graaf geschetst.'
De Cock knikte.
'Dat heeft ze. De vraag is: waarom? Florentine gaf een veel realistischer beeld. Maar ook haar verklaring roept vraagtekens op.'
De jonge rechercheur blikte opzij.
'Ik begrijp eerlijk gezegd niet waarom jij nog aarzelt. Alles bijeen genomen… zeker als we ook het verhaal van Roger ter Beek ernstig nemen… dan zijn zij en haar dochter Florentine toch redelijke verdachten van moord? Waarom arresteren we die twee niet en doen
tegelijk huiszoeking. Misschien ligt ergens bij hen thuis nog wel het vuurwapen waarmee ze hem hebben vermoord. Dan hebben we de zaak rond.'
De Cock reageerde niet. Hij liet zich wat onderuitzakken. Eerst toen ze na een gezapige rit door de stad de Amstel hadden bereikt, drukte hij zich weer omhoog.
'Ik ben benieuwd,' sprak hij traag, 'of ze de moed heeft om aan de arm van haar minnaar de begrafenis van haar vermoorde man bij te wonen.'
Vledder parkeerde de Golf bij de poort en de rechercheurs stapten uit. De Cock blikte om zich heen en huiverde.
Een schrale, ijzig koude poolwind toverde schuimkoppen op de golven van de Amstel, joeg onbelemmerd door kale bomen en verschrompelde het eeuwige groen van de hoge haag statige coniferen bij de poort.
Rillend, iets gebogen, slofte de oude rechercheur over het brede toegangspad van de Amsterdamse begraafplaats Zorgvlied.
Het grove grind knerpte onder zijn voeten. Omdat De Cock het gevoel had dat zijn oren hem door de koude wind bijna ontvielen, trok hij de kraag van zijn regenjas ver omhoog en rukte zo wild aan zijn oude hoedje, dat het trouwe hoofddeksel totaal van vorm veranderde. Daarna wurmde hij zijn handen diep in de steekzakken van zijn jas, verwenste de maand november en verlangde vurig naar een milde december.
Vledder liep bibberend naast hem voort.
'Moord of geen moord,' riep hij mopperend boven de joelende wind uit, 'maar dit is de laatste keer dat ik met jou mee ga naar een begrafenis.'
De Cock keek geamuseerd naar opzij.
'En als ik zelf word begraven?'
Vledder grijnsde breed.
'Jij… eh, jij gaat nooit dood.'
Onder een afdakje van de aula stond een groepje mannen en vrouwen. De jonge rechercheur toonde verbazing.
'Komen die allemaal voor De Graaf?'
De Cock bromde.
'Er zijn altijd mensen,' sprak hij afkeurend, 'die op sensatie belust, de begrafenis van een vermoorde man of vrouw bijwonen. Ziekelijk.'
De oude rechercheur ging uit de wind onder het afdakje tussen de 'ziekelijke' belangstellenden staan. Het gaf wat warmte.
Een brede glanzende lijkwagen kroop over het grind van het toegangspad naderbij. Op enige afstand stopten de volg wagens. De deuren van de aula gleden open en de met bloemen bedekte baar werd uit de wagen getild.
De Cock kwam uit de luwte van het afdakje vandaan. Met ontbloot hoofd, zijn vormloos hoedje in zijn hand, keek hij toe en hoopte dat zijn grote oorschelpen het in de koude wind niet zouden begeven.
Toen eenieder door de aula was opgeslokt, stapte hij na Vledder als laatste naar binnen. De rechercheurs schoven naar de achterwand.
Met hun rug tegen de eikenhouten lambrizering, keken ze naar een deftig in het zwart geklede heer, die achter een kathedertje plaatsnam.
De statige heer rangschikte een paar papieren en bracht zijn armen in een theatraal gebaar schuin naar voren.
'God,' sprak hij met stemverheffing, 'schenke u Zijn zegen en geve u vrede. Amen.' Hij liet zijn armen zakken en ging rustiger verder.
'Ziende op de Heer, die gesproken heeft: Ik ben de opstanding en het leven, die in mij gelooft zal leven; ook al is hij gestorven en een ieder…'
Vledder stootte De Cock aan.
'Ik heb die tekst meer gehoord,' fluisterde hij.
De Cock knikte.
'Lang geleden bij een andere moordzaak.'
'Welke?'
De Cock antwoordde niet. De scherpe blik van de oude speurder gleed over de ruggen van de aanwezigen.
Vooraan, in het midden, gesluierd in zwarte tule, zat mevrouw De Graaf. Rechts naast haar, ook in stemmig zwart, zat Florentine.
Aan haar andere zijde zat een stevig gebouwde heer. Hij had zwart golvend haar. Iets grijzend aan de slapen.
De Cock boog zich naar Vledder.
'Die man,' fluisterde hij, 'die vooraan links naast mevrouw De Graaf zit, heb ik niet uit een van de volgauto's zien komen. Hij stond ook niet bij de "ziekelijken". Vermoedelijk is hij met een eigen vervoermiddel gekomen. Volg hem als de plechtigheid is afgelopen en noteer het nummer van zijn wagen.'
Vledder boog zich naar De Cock toe.
'Is hij haar verhouding?'
De Cock trok zijn schouders op.
'Mogelijk. Het kan ook een familielid zijn, dat wij niet kennen.'
De oude rechercheur liet zijn blik opnieuw langs de aanwezigen dwalen. De zalvende woorden van de heer in het zwart achter het kathedertje gleden langs hem heen.
Op een van de achterste rijen in de aula zag hij een man die hem enigszins bekend voorkwam. Hij tastte in de archieven van zijn herinnering, maar kon het gezicht niet rubriceren. Plotseling pakte hij uit de binnenzak van zijn colbert de politiefoto die Afra Molenkamp van de administratie hem had bezorgd, en vergeleek. Daarna liet hij de foto aan Vledder zien en wees heimelijk in de richting van de man.
'Is dat hem?' vroeg hij zacht.
Vledder keek en knikte. Daarna tikte hij met zijn wijsvinger op de politiefoto.
'Wie is dat?'
De Cock fluisterde.
'Brammetje… de ex-compagnon van De Graaf.'
De Cock drukte zijn handen tegen zijn hoofd en bracht het gevoel in zijn oren terug. Hij keek naar Vledder, die zijn notitieboekje in de binnenzak van zijn colbert duwde.
'Heb je het nummer?'
De jonge rechercheur knikte.
'Een vette Mercedes.' Hij deed een stap in de richting van hun geparkeerde Golf. 'Gaan we of wil je hier picknicken?'
De Cock wees naar de poort.
'Ik heb Brammetje nog niet van de begraafplaats zien komen.'
'Misschien heeft hij een andere uitgang genomen.'
De Cock schudde zijn hoofd.
'Die is er niet.'
Na een paar minuten kwam een wat gezette man met driftige pas de poort van de begraafplaats uit. De Cock herkende hem van de achterste rij in de aula en liep glimlachend op hem toe.
'U… eh, u bent de heer Abraham van der Velde?'
De man keek hem achterdochtig aan.
'Dat klopt.'
De oude rechercheur lichtte zijn vormloos hoedje.
'Mijn naam is De Cock,' sprak hij vriendelijk. 'De Cock met ceeooceeka.' Hij duimde over zijn schouder. 'En dat is mijn jonge collega Vledder. Wij zijn als rechercheur verbonden aan het politiebureau in de Warmoesstraat.'
'Recherche?'
De Cock knikte en wees naar de geparkeerde Golf.
'Wij bieden u een lift aan.'
Abraham van der Velde schudde zijn hoofd.
'Ik moet geen lift van jullie. Ik pak in de President Kennedylaan wel de bus.'
'Dat is nog een flinke tippel.'
'Dat kan mij niet schelen.'
De glimlach om de mond van De Cock bleef.
'Toch een lift,' sprak hij beslist en dwingend.
Abraham van der Velde keek van De Cock naar Vledder en terug.
In luttele seconden monsterde hij de onverzettelijkheid op de gezichten van de rechercheurs en overdacht zijn eigen situatie. Toen draaide hij zich om en stapte schoorvoetend naar de gereedstaande Golf.
Vledder had hem op de achterbank laten plaatsnemen. Nukkig staarde Abraham van der Velde voor zich uit.
'Is dit een arrestatie?'
De Cock draaide zich half om.
'Een lift… dat zei ik toch?'
Abraham van der Velde gromde.
'Ik heb weinig vertrouwen in de prinsemarij.'
'Slechte ervaringen?'
'Absoluut.'
De Cock plukte aan het puntje van zijn neus.
'Mag ik u Brammetje noemen? Iedereen noemt u toch zo?'
Abraham van der Velde maakte een grimas.
'Je bent goed geïnformeerd.'
De Cock knikte.
'Het is mijn vak. Komt u nog wel eens in het café van Smalle Lowietje?'
Brammetje spreidde zijn handen.
'Soms… soms, als ik trek heb in een neut. Ik ben er nu een paar dagen niet geweest.' Hij grinnikte. 'De Smalle zal mij missen.'
De Cock glimlachte.
'Wij zagen u in de aula van Zorgvlied op een van de achterste rijen zitten.' De oude rechercheur trok de politiefoto uit de binnenzak van zijn colbert en liet die zien. 'Dit is een oude, slecht gelijkende foto. We hadden moeite om u daarvan te herkennen.'
Abraham van der Velde trok rimpels in zijn voorhoofd.
'Was dat nodig?' vroeg hij geprikkeld. 'Hebben jullie belangstelling voor me?'
De Cock negeerde de vraag.
'U bent lang op de begraafplaats gebleven. U kwam als laatste de poort uit.'
Abraham van der Velde liet zijn hoofd iets zakken.
'Ik heb gewacht tot ze allen bij het graf waren verdwenen. Toen ben ik teruggegaan.'
'Naar het graf?'
Abraham van der Velde knikte nadrukkelijk. Zijn gezicht vertrok.
'Ik heb in blinde woede,' siste hij, 'een paar kluiten aarde naar zijn kist gesmeten en hem minutenlang verrot gescholden.'
De Cock kon een glimlach niet onderdrukken.
'Hij zal er niets van hebben gemerkt.'
Abraham van der Velde schudde zijn hoofd.
'Nee,' verzuchtte hij, 'maar het luchtte wel op.'
De Cock veinsde onbegrip.
'Vanwaar die haat?'
Abraham van der Velde strekte zijn arm naar De Cock uit.
'Die foto die jij in je zakt hebt, die is gemaakt nadat ik was gearresteerd op verdenking van valsheid in geschrifte en fraude. Drie maanden lik heb ik opgeknapt. En weet je aan wie ik dat te danken had?'
De Cock knikte begrijpend.
'Ferdinand de Graaf.'
Abraham van der Velde zwaaide geagiteerd.
'Precies. Die viezerik heeft mij erin geluisd. Ik ben er met open ogen ingevlogen. Hij heeft mij papieren laten tekenen, waardoor ik mijzelf hartstikke strafbaar maakte. Ik had geen enkel verweer.
De rechter wilde niet geloven dat ik de bescheiden die ik ondertekende, nooit las… dat ik altijd in blind vertrouwen mijn handtekening zette.'
'Had je geen advocaat?'
Abraham van der Velde knikte.
'Een hele goeie… Meester Martin van Heerlen van de Keizersgracht. Zonder hem was ik er zeker niet met drie maanden vanaf gekomen.'
De Cock zweeg even om de naam te verwerken.
'Waarom meester Van Heerlen?' vroeg hij effen.
'Ik zei toch: hij is een hele goeie. Hij werd mij aanbevolen.'
'Door wie?'
Abraham van der Velde trok zijn schouders op.
'Dat weet ik niet meer. Je zit in de puree en dan noemt iemand je een advocaat.'
'Ken je de vrouw van De Graaf?'
Abraham van der Velde schoof zijn onderlip vooruit.
'Mathilde… een mooie vrouw… een schoonheid, maar volgens Ferdy zo koel als een kikker.'
'Heb je wel eens contact met haar gehad?'
Abraham grijnsde.
'Niet echt. Ik heb haar een enkele keer ontmoet op een feestje van de zaak.'
Er kwam een glimlach van vertedering op zijn gezicht. 'Toen Florentine nog een kleine meid was, speelde ze wel eens op kantoor.
Ik mocht haar wel. Het was een leuk kind.'
De uitdrukking op zijn gezicht versomberde.
'Later kreeg ze verkering met een louche gozertje, die handelde in zogenaamde ok-ka-si-on-ne-tjes… tweedehands auto's. En volgens mij was hij er ook niet vies van om een wagentje om te katten.'
'Kent u hem?'
'Wie?'
'Dat gozertje van Florentine.'
Abraham van der Velde schudde zijn hoofd.
'Nooit ontmoet.'
De Cock fronste zijn wenkbrauwen.
'Hoe weet u dan al die bijzonderheden over hem?'
'Van Ferdy. Hij had er zwaar de pest over in dat Florentine met dat gozertje ging samenwonen. Maar Mathilde vond het goed en bij
haar had hij niets te vertellen.'
'Zij had de broek aan?'
'Meer dan dat. Daarom ging hij ook zo vaak vreemd. Ferdy was altijd op jacht.'
De Cock boog zich iets verder naar Van der Velde toe.
'Bezit u een vuurwapen?'
Abraham grinnikte.
'Van blaffers komt alleen maar narigheid. Ik moet zo'n ding niet.'
De Cock knikte begrijpend.
'Die oude legerloods van u aan de Houthaven… komt u daar nog wel eens?'
Abraham van der Velde schudde zijn hoofd.
'Wat moet ik daar zoeken? Ik laat dat ding daar maar staan. Ik hoop dat de gemeente vandaag of morgen die grond nodig heeft, dan brengt die oude loods misschien nog wat op.' De Cock wachtte even voor hij antwoordde.
'Weet je waar wij Ferdy de Graaf met een kogel in zijn kop hebben gevonden?'
'Geen idee.'
'In uw loods… in uw oude legerloods aan de Houthaven.'
Abraham lachte breeduit.
'Dat verbaast mij niets.'
De Cock keek hem verrast aan.
'Dat verbaast u niet?'
Abraham van der Velde schudde zijn hoofd.
'Als Ferdy weer eens een of andere vrouw aan de hand had, dan nam hij haar altijd mee naar die oude loods.'
'Waarom?'
'Het stinkt er naar rottend hout.'
De Cock keek hem niet-begrijpend aan.
'En?'
'De geur van rottend hout wond hem op.'