De Cock keek de man hoofdschuddend na.
'Jelle Poelstra,' mompelde hij zacht voor zich uit. 'Een vreemde man.'
Vledder wachtte tot de deur van de recherchekamer achter de man dichtsloeg. Hij keek zijn oude collega breed lachend aan.
'Ik hoop. De Cock, dat je goed hebt geluisterd,' riep hij vrolijk.
'Jij moet er wel van doordrongen zijn dat er voor hem geen enkele reden bestond om Ferdinand de Graaf iets aan te doen. Hij heeft met die moord niets te maken.'
Het klonk spottend.
De Cock krabde zich achter in zijn nek.
'Je vraagt je af waarom zo'n man dat komt vertellen. We hebben hem toch nergens van beschuldigd? Ik begrijp ook niet waarom Mathilde de Graaf hem heeft gebeld. Ze heeft mij de naam Jelle Poelstra genoemd. Is dat voor hem verontrustend?'
Vledder grinnikte.
'Blijkbaar verontrustend genoeg om zich bij ons te melden.'
De Cock gleed met zijn pink over de rug van zijn neus.
'Het geeft toch te denken,' sprak hij peinzend. 'Zou er tussen Mathilde en Jelle Poelstra toch meer zijn geweest dan een oppervlakkige vriendschap… zou Jelle Poelstra heimelijk wel eens met de gedachte hebben gespeeld om zijn vriend Ferdinand de Graaf om zeep te helpen en kwelt nu zijn geweten?'
De oude rechercheur trok een vies gezicht. Hij stond van zijn stoel op en begon door de recherchekamer te stappen. Bij de cadans van zijn tred lieten zijn gedachten zich gemakkelijker ordenen.
'Wat was dat voor een vreemd soort vriendschap?' vroeg hij hardop. 'Had Jelle Poelstra van Ferdinand de Graaf echt de opdracht gekregen om Mathilde te verleiden, zodat hij haar van overspel kon betichten? Zo ja, wat had dat voor nut?'
Vledder keek zijn oude collega, toen die langs zijn bureau liep, verward aan.
'Wat verwacht je van mij?' vroeg hij verbaasd. 'Dat ik op al die vragen een antwoord geef?'
De Cock bleef staan en schudde zijn hoofd.
'Het is een gedachtenspel,' antwoordde hij geprikkeld. 'Meer niet. Ik krijg altijd de smoor in als mensen ons voor raadsels plaatsen.'
Vledder snoof.
'Die Jelle Poelstra is in mijn ogen gewoon een waardeloze vent.
En ik voel geen enkele behoefte om hem aan ons lijstje van verdachten toe te voegen. Daar staan al te veel namen op.'
De Cock trok zijn gezicht in een grijns.
'Duik toch maar eens in onze administratie en trek hem na. Ik kan er niets aan doen. Die vent bezorgt mij een vies, klef gevoel.'
De oude rechercheur strekte zijn arm naar zijn jonge collega uit.
'Bel ook met Roger ter Beek en zeg hem dat hij ons morgen die revolver brengt… zo niet, dan komen wij hem arresteren voor illegaal vuurwapenbezit.'
Vledder keek naar hem op.
'Heb je nog meer noten op je zang?'
De Cock liep hoofdschuddend van hem weg naar de kapstok.
'Waar ga je nu nog heen?' vroeg Vledder.
De Cock wees, terwijl hij doorliep, naar de grote klok boven de deur van de recherchekamer.
'Bijna elf uur,' riep hij knorrig. 'Ik vind het mooi genoeg voor vandaag.'
Hij schoof zijn oude hoedje over zijn grijze haardos en draaide zich half om.
'Mijn vermoeid lijf smeekt om een kop warme chocolademelk, een schone pyjama, een fris bed en de douche van een verkwikkende nachtrust.'
'Amen.'
Toen De Cock de volgende morgen fris en opgewekt de grote recherchekamer binnenstapte, trof hij Vledder achter zijn elektronische schrijfmachine.
De Cock smeet zijn hoedje missend naar de kapstok en liep met zijn regenjas nog aan naar hem toe.
'Vlijtig?'
Vledder liet zijn vingers rusten en schoof de schrijfmachine van zich af. Zijn gezicht stond ernstig.
'Ik heb die Jelle Poelstra nagetrokken.'
'En?'
'Hij heeft enige jaren geleden een fikse straf uitgezeten.' 'Terzake?'
'Verkrachting.'
De Cock trok zijn neus iets op.
'Verkrachting?'
Vledder knikte.
'Het slachtoffertje was een dertienjarig meisje. Hij heeft het kind meegenomen naar een oude loods en haar daar misbruikt.'
'Waar stond die loods?'
Vledder trok zijn schouders op.
'Meer bijzonderheden had het Polblad niet.'
De Cock knikte begrijpend.
'Laat Afra Molenkamp bij de zedenpolitie dat proces-verbaal opvragen.'
'Wat wil je daarmee?'
De Cock maakte een hulpeloos gebaar.
'Ik zoek naar verbanden,' riep hij vertwijfeld. 'Ergens loopt een rode draad naar moord. De vraag is: waar pik je die draad op.'
Vledder zuchtte.
'Ongetwijfeld kende Ferdinand de Graaf de reputatie van zijn vriend Jelle Poelstra. Misschien gaf hij hem wel de opdracht om zijn vrouw te verleiden en als dat niet lukte… haar te verkrachten.
Het is een hersenspinsel, maar zo langzamerhand acht ik die De Graaf tot alles in staat.'
De Cock staarde voor zich uit.
'Als dat is gebeurd,' sprak hij traag, 'en Mathilde de Graaf kende de ware toedracht, dan…'
De grijze speurder stokte. Smalle Lowietje kwam drukdoenerig de grote recherchekamer binnen. Achter de tengere caféhouder volgde schoorvoetend een kleine, wat mollige vrouw met zwart vettig haar. De Cock schatte haar op achter in de dertig. Ze was slordig gekleed in een grijze mantel, waaraan de bovenste knoop ontbrak.
Smalle Lowietje bleef bij het bureau van De Cock staan en wees naar de vrouw.
'Ze durfde niet te komen,' legde hij uit. 'Daarom ben ik maar even met haar meegegaan. Zij is de vrouw van Brammetje.'
De Cock keek hem niet-begrijpend aan.
'Wat is er met Brammetje?'
Smalle Lowietje antwoordde niet. Hij leidde de vrouw naar de stoel naast het bureau van De Cock.
'Ga hier maar zitten,' sprak hij geruststellend, 'en vertel wat er is gebeurd.'
De Cock boog zich iets naar haar toe.
'U bent mevrouw Van der Velde?'
De vrouw knikte.
'Annelies… Annelies van der Velde.'
Smalle Lowietje wenkte om aandacht.
'Kan ik weer gaan? Ik heb weinig tijd. Ik moet nog mastiek maken.'
De Cock wuifde hem de kamer af. Daarna wendde hij zich weer tot de vrouw.
'Wat is er met Brammetje?' vroeg hij vriendelijk.
Mevrouw Van der Velde verschoof iets op haar stoel.
'Gisteravond,' sprak ze nerveus, 'ging de telefoon. Bram zat voor de televisie naar zo'n soapverhaal te kijken en ik nam de hoorn op.
Er meldde zich een vrouw… mevrouw De Graaf. Ze zei dat Brammetje onmiddellijk naar zijn loods in de Houthaven moest komen, Het was, zo zei ze, een zaak van leven of dood.'
'En?'
'Ik zei tegen haar: wacht even, ik zal Bram even roepen. Hij zit voor de buis.'
'Toen riep u Bram?'
Mevrouw Van der Velde knikte.
'Bram kwam overeind en liep naar de telefoon, maar toen hij de hoorn van mij overnam, had ze opgehangen.'
'Hoe reageerde Bram daarna?'
'Hij zei dat hij mevrouw De Graaf kende als de vrouw van zijn vroegere compagnon. Hij had haar wel eens ontmoet op een feestje
'En u?'
'Ik?'
De Cock knikte.
'Kent u mevrouw De Graaf?'
Mevrouw Van der Velde schudde haar hoofd.
'Ik heb het mens nog nooit gezien of gesproken.'
'Is Brammetje naar die afspraak gegaan?'
Mevrouw Van der Velde knikte.
'Brammetje zei: misschien kan ik haar ergens mee helpen. Dat mens zit misschien in de puree. Haar man is pas vermoord. Toen heeft hij zich aangekleed, is op de gracht in zijn auto gestapt en is weggereden.'
'Wat heeft hij voor een auto?'
'Een groene Opel Kadett.'
De Cock keek haar onderzoekend aan.
'Hij is niet teruggekomen?'
De donkere ogen van mevrouw Van der Velde vulden zich met tranen.
'Bram is nog nooit een nacht van huis weggebleven. Het is een hartstikke trouwe hond. Dat meen ik. Met de zenuwen in mijn lijf ben ik vanmorgen naar Smalle Lowietje gegaan. Daar kwam Bram nog wel eens. Maar Lowietje zei dat hij gisteravond helemaal niet
in de kroeg was geweest.'
Tranen rolden over haar wangen.
'Ik maak mij erg ongerust,' sprak ze snikkend. 'Er moet iets zijn gebeurd. Ik ken hem toch; Brammetje is geen man om vreemd te gaan. Ook Smalle Lowietje vertrouwt het niet. Je moet naar De Cock, zei hij… naar de recherche. Ik neem je wel mee.'
De Cock legde zijn rechterhand op haar arm. Zijn gezicht stond strak.
'Ga naar huis… of beter… ga naar het café van Smalle Lowietje… kan die even op je passen.'
Vledder geselde de Golf over de weg, negeerde op het Haarlemmerplein het rode licht, gierde langs het standbeeld van Domela Nieuwenhuis en stoof onder het viaduct door de drukke Spaarndammerstraat in.
De Cock blikte geschrokken opzij.
'Doe voorzichtig,' riep hij dwingend. 'Als er wat is gebeurd, zijn we toch te laat.'
Vledder scheen hem niet te horen. Met onverminderde snelheid raasde hij door de Spaarndammerstraat.
Op de Rigakade, schuin voor de oude legerloods, stond een knalgroene Opel Kadett met brandende koplampen.
Vledder stopte pal achter de wagen en de rechercheurs stapten uit.
De Opel Kadett was verlaten, de portieren waren niet afgesloten en de sleutels staken in het contact.
Bezield van angstige voorgevoelens stapte De Cock de oude gammele loods binnen. Vledder volgde. De scheefhangende houten deur klapte achter hen dicht. Het was schemerig donker in de loods en het geurde er muf naar rottend hout. De Cock liet het licht van
zijn zaklantaarn voor zich uit dansen. Instinctief wist de oude rechercheur waar hij zijn moest.
Achter in de loods, op resten van jutezakken, lag op zijn buik een korte, wat gedrongen man. Zijn benen waren iets gespreid. Zijn armen lagen langs zijn lichaam. Van de handen staken de vingers omhoog.
De Cock nam de situatie even in ogenschouw. Daarna hurkte hij bij de dode neer. Het licht van zijn zaklantaarn gleed over het achterhoofd van het slachtoffer. In de nek, even onder de haargrens, ontdekte hij een kleine ronde wond, omringd door een krans van kruitslijm.
De Cock legde zijn zaklantaarn naast het hoofd van de dode en tilde diens rechterschouder iets op. In het lichtschijnsel werd het gelaat van de man zichtbaar.
De Cock sloot even zijn ogen. Een golf van medelijden overspoelde hem.
Vledder boog diep over hem heen. De hete adem van de jonge rechercheur kriebelde in zijn nek.
'Brammetje,' hijgde hij.
De Cock knikte.
'Afgemaakt met een nekschot.'
Bram van Wielingen kwam gehaast de loods binnen. Hij zette zijn metalen koffertje naast het lijk en drukte de hem toegestoken hand van De Cock.
'Ben je je leven aan het beteren?'
'Hoezo?'
Bram van Wielingen grijnsde. 'Weer een lijk overdag in plaats van 's nachts. Ik weet niet wat mij overkomt.'
De Cock reageerde niet.
De fotograaf gebaarde naar de dode.
'Weet je al wie hij is?'
De Cock knikte traag.
'Abraham van der Velde.'
Bram van Wielingen glimlachte.
'Hij ziet er niet zo gesoigneerd uit als het vorige slachtoffer.'
De Cock trok achteloos zijn schouders op.
'Wellicht was hij eerlijker.'
'Wat deed hij?'
De Cock zuchtte diep.
'Hij leefde, dronk zo nu en dan een borreltje bij Smalle Lowietje, luchtte zijn hart en keek naar soap.'
De oude rechercheur keek naar de fotograaf op.
'Bedoel je dat?'
Bram van Wielingen negeerde de opmerking en blikte om zich heen.
'Is dit een executieplek geworden?'
De Cock volgde zijn blik door de loods.
'Daar lijkt het op,' reageerde hij kort.
De fotograaf monteerde een flitslamp op zijn Hasselblad.
'Bijzondere wensen?'
De Cock schudde zijn hoofd.
'Dezelfde procedure,' bromde hij. "Dezelfde procedure als de vorige keer. En laat Ben Kreuger aanrukken. Ik wil dat die groene Opel Kadett voor de deur van de loods op dactyloscopische sporen wordt onderzocht.'
Het klonk wat bits.
Bram van Wielingen keek hem verwonderd aan.
'Wat ben je narrig?'
De Cock gebaarde met een somber gezicht naar de dode.
'Ze noemden hem Brammetje,' sprak hij gevoelig. 'En ik mocht hem wel. Ik vraag mij af waaraan hij zijn dood heeft verdiend.'
De oude rechercheur draaide zich om.
Dokter Den Koninghe kwam de loods binnen. Achter hem schuifelden twee broeders van de Geneeskundige Dienst. Een brancard
tussen hen in.
De Cock schudde de excentrieke lijkschouwer de hand.
'Het spijt mij oprecht dat ik u weer moet lastigvallen.'
Dokter Den Koninghe keek door zijn brilletje naar hem op.
'Het is mijn vak.' Hij gebaarde naar de dode. 'En jij bent hier toch ook niet blij mee.'
'Integendeel.'
De oude lijkschouwer trok aan de vouw de pijpen van zijn pantalon iets omhoog en hurkte bij de dode neer. Bij het licht van de zaklantaarn van De Cock bezag hij de wond in de nek.
Na enkele minuten kwam de lijkschouwer omhoog. Zijn oude knieën kraakten. Met precieze bewegingen nam hij zijn bril af, pakte zijn witzijden pochet uit het borstzakje van zijn jacquet en poetste de glazen. De Cock kende de bewegingen en wachtte.
Hij is dood,' sprak hij gelaten.
De oude rechercheur knikte met een strak gezicht.
'Dat begreep ik.'
Dokter Den Koninghe zette zijn brilletje weer op.
'Nog niet zo lang. Een paar uur. De lijkstijfheid is nog niet algemeen.'
De lijkschouwer wees naar de dode.
'Wordt dit een rage?'
'U bedoelt een nekschot?'
De dokter knikte met een stuurs gezicht.
'Het is zo… eh zo kil, zo professioneel. De moordenaar is beslist geen aardig mens.'
De Cock glimlachte.
'Zijn moordenaars wel eens aardig?'
Zonder te antwoorden liep de dokter bij hem weg. De Cock liep hem na en hield hem met een hand op zijn schouder staande.
'Hebt u een sterk reukvermogen?'
De lijkschouwer keek hem niet-begrijpend aan.
'Redelijk. Moet wel bij mijn vak.'
'Wat ruikt u hier in deze loods?'
Dokter Den Koninghe snoof.
'Rottend hout.'
De Cock trok een rimpel in zijn voorhoofd.
'Kan het waarnemen van een geur invloed hebben op het gedrag van mensen?'
De dokter knikte nadrukkelijk.
'Vooral bij mensen die leiden aan hyperosmie… en dat gekoppeld aan ervaringsfeiten…'
De Cock glimlachte.
'Ik ben een eenvoudige rechercheur,' onderbrak hij verontschuldigend. 'Wat is hyperosmie?'
Dokter Den Koninghe staarde even voor zich uit.
'Hyperosmie… een versterkte reukwaarneming. In tegenstelling tot hyposmie, dat hebben mensen met een verminderde reukwaarneming. Beide zijn in feite reukstoornissen.'
'En wat bedoelt u met "gekoppelde" ervaringsfeiten?'
Dokter Den Koninghe stak gebarend zijn rechterwijsvinger omhoog.
'Wanneer men een bepaalde geur waarneemt en men beleeft op datzelfde moment iets prettigs, dan zal die geur bij herkenning iemand aangenaam stemmen. Dat is dan de koppeling geur-en-beleving.'
De Cock knikte begrijpend.
'Kan dat ook omgekeerd?'
'Uiteraard. Geur kan ook gekoppeld zijn aan onaangename ervaringsfeiten.'
De Cock schonk de lijkschouwer een dankbare glimlach.
'Bedankt. Ik zal het nooit vergeten.'
Dokter Den Koninghe zwaaide tot afscheid.
De Cock wenkte de broeders nabij. Ze legden het lijk van Brammetje op zijn rug op het canvas, drapeerden een laken over hem heen, sloegen de canvas klappen terug en sjorden de riemen vast.
Zachtjes wiegend droegen ze hem de loods uit.
De Cock keek hen na. De uitdrukking op zijn gezicht verhardde.
'Brammetje,' lispelde hij verbeten, 'ik zal jouw moordenaar vinden. Dat beloof ik.'