11

Alexander Minnedorper was uitbundig gekleed als een flamboyante acteur. Hij droeg met veel zwier een groene wijde wollen cape, waarop een lange witzijden sjaal, en op zijn donkerblond krullend haar een zwarte hoed met een brede rand. Zijn loop en gebaren herinnerden aan een pleidooi in toga. De Cock bezag zijn gedrag kritisch. De oude rechercheur was niet erg op advocaten gesteld. De keren dat hij in het verleden als getuige voor de rechtbank had moeten verschijnen, was hij door diverse strafpleiters bepaald onheus bejegend. In de regel totaal ongemotiveerd. Het ergste vond hij, dat er presidenten van rechtbanken waren die dat onbeperkt toelieten en het gedrag van juristen niet corrigeerden, maar, integendeel, vaak blijk gaven die onaangename bejegeningen van een politieman amusant te vinden.

Alexander Minnedorper liet zich breed op de stoel naast zijn bureau zakken.

De Cock keek hem vijandig aan.

‘Heb ik u toegestaan om daar te gaan zitten?’ vroeg hij met gespeelde verbolgenheid.

Alexander Minnedorper sprong geschrokken overeind. ‘Ik… eh, ik dacht dat het gebruikelijk was dat uw bezoekers daar op die stoel naast uw bureau plaatsnamen?’

De Cock stak zijn wijsvinger omhoog.

‘A ls i k dat toesta.’

De oude rechercheur toonde een brede grijns.

‘Neemt u plaats,’ sprak hij, begeleid door een hoffelijk gebaar. ‘Waarmee kan ik u van dienst zijn?’

Alexander Minnedorper liet zich voor de tweede maal op de stoel zakken. De aanpak van De Cock had hem zichtbaar verrast.

‘Ik… eh, ik ben lid geweest van de familie Van Boskoop,’ opende hij voorzichtig.

De Cock knikte.

‘U was gehuwd met Christina van Boskoop.’

‘Dat weet u?’

‘Ik ken de echtverbintenissen van de drie dochters van Alida van Boskoop… en de trieste afloop van die huwelijken.’ Alexander Minnedorper knikte traag.

‘Christina en ik zijn gescheiden. Ik heb mij ertegen verzet met alle middelen waarover ik als jurist beschik, maar ik heb de ontbinding niet kunnen verhinderen. Mijn interesse in haar is echter niet verdwenen.’

‘U valt haar lastig?’

Alexander Minnedorper maakte een afwerend gebaar. ‘Ik ben geen stalker, beslist niet. Dat neemt niet weg dat ik nog steeds tot aan mijn nekharen verliefd ben op die vrouw. Toen ik haar vanmiddag belde, vertelde ze mij het treurige nieuws dat haar moeder en haar zuster Angela waren vermoord.’ De Cock keek hem schuins aan.

‘En daarover wilt u met mij praten?’

Alexander Minnedorper maakte een weids gebaar.

‘Ik ben echt geen vriend van de politie. Nooit geweest. In de praktijk ontmoet ik nog wel eens collega’s van u die het met de bepalingen van de wet niet zo nauw nemen, dikwijls onrechtmatig en onzorgvuldig te werk gaan.’

De flamboyante advocaat boog zich iets naar De Cock toe. ‘En wij beiden,’ sprak hij zalvend, ‘zijn er toch voor om de wetten in stand te houden, ervoor te zorgen dat onze rechtsstaat niet verbleekt?’

De Cock had een hatelijke opmerking op zijn tong maar bedwong zich.

‘Ik ken nog steeds niet de reden van uw komst,’ reageerde hij minzaam.

‘Hebt u al enige vorderingen gemaakt,’ vroeg de advocaat belangstellend, ‘met uw onderzoek inzake de moord op mevrouw Van Boskoop en haar dochter Angela?’

De Cock glimlachte.

‘Bent u geïnteresseerd?’

‘Absoluut.’

‘In welke hoedanigheid?’

‘Niet als verdediger van hun moordenaar,’ antwoordde de advocaat met stemverheffing.

‘Als wat dan?’

‘U mag het kwalificeren als de interesse van een ex-lid van de familie.’

De Cock tuitte zijn lippen.

‘Dus gewone nieuwsgierigheid.’

‘Iets meer. Hoe vreemd het u wellicht in de oren zal klinken… ik wil u behulpzaam zijn.’

De Cock keek hem achterdochtig aan.

‘Waarmee?’

‘Het ontmaskeren van de moordenaar.’

‘U kent hem, of haar?’

Alexander Minnedorper vouwde zijn handen en bracht die voor zijn mond.

‘Ik heb, in verband met enige door hem gepleegde delicten, een paar maal de verdediging van Albertus de Graaf op mij genomen.’ ‘Uw ex-zwager en de ex-echtgenoot van de vermoorde Angela van Boskoop.’

‘Inderdaad.’

‘Rooie Bertus, de kleine kluisjesman.’

Alexander Minnedorper glimlachte.

‘In uw vocabulaire.’

‘Wat is er met Rooie Bertus?’

Alexander Minnedorper antwoordde niet direct.

‘Het is,’ sprak hij na enige bedenking, ‘niet gebruikelijk dat een raadsman de inhoud van vertrouwelijke gesprekken met zijn cliënten openbaar maakt. Noem het een beroepscode. Een code die ik tot nu nooit heb doorbroken.’

Hij nam opnieuw een kleine pauze.

‘Ik heb deze stap terdege overwogen,’ ging hij behoedzaam verder. ‘Dat moet u van mij aannemen. Na rijp beraad ben ik tot de conclusie gekomen dat het niet alleen mijn plicht is om moordenaars te verdedigen wanneer mij dat wordt gevraagd, maar dat op mij ook de verplichting rust om moordenaars te ontmaskeren wanneer ik daartoe in de gelegenheid ben.’

De Cock keek hem strak aan.

‘En dat bent u?’

Alexander Minnedorper knikte.

‘In vertrouwelijke gesprekken heeft Albertus de Graaf mij bezworen dat hij zijn ex-echtgenote en haar moeder zou doden.’ ‘Met welk motief?’

‘De schandalige wijze waarop die beide vrouwen hem hebben behandeld. Toen De Graaf hen in een speelse bui had verteld op welke wijze hij een vermogend man was geworden, hebben ze hem eerst zijn geld afhandig gemaakt en hem daarna bij de politie aangegeven.’

‘Een redelijk motief.’

‘Dat dacht ik.’

De Cock kauwde even op zijn onderlip.

‘Ik ben geen vriend van advocaten en ik ben zeker geen fan van de beruchte strafpleiter Alexander Minnedorper. Toch schat ik uw mensenkennis hoog in.’

De oude rechercheur plukte even aan zijn neus.

‘Hoeveel waarde hecht u aan de bezweringen die Rooie Bertus deed?’

Alexander Minnedorper zuchtte diep.

‘Vanaf het moment dat de heer De Graaf na het beëindigen van zijn straftijd uit de gevangenis was ontslagen, heb ik regelmatig contact met de familie Van Boskoop opgenomen — soms met de chiromantiste zelf, soms met een van haar dochters — en ik heb steeds met angstige belangstelling naar hun welzijn geïnformeerd, zo overtuigd was ik ervan dat de heer De Graaf zijn bezweringen eens in daden zou omzetten.’

Toen Alexander Minnedorper met zijn zwierige cape de grote recherchekamer had verlaten, keken de beide rechercheurs elkaar eens aan. Vledder maakte een wanhopig gebaar. ‘Na Smalle Lowietje is hij de tweede man die naar Rooie Bertus verwijst.’

‘We zullen hem toch eens moeten benaderen,’ sprak De Cock ernstig. ‘Ik ben benieuwd hoe hij op onze beschuldigingen gaat reageren.’

‘Wanneer wil je dat doen?’

‘Op korte termijn. Smalle Lowietje zal zijn verblijfplaats wel kennen.’

‘Heb jij Rooie Bertus wel eens tot een bekentenis gebracht?’ ‘Zeker.’

Vledder knikte voor zich uit.

‘Ik moet je zeggen dat het verhaal van de advocaat mij heeft geïmponeerd. Ook het motief klinkt redelijk. Wanneer je door toedoen van een paar vrouwen enige jaren gevangenisstraf oploopt, dan blijven wraakgevoelens sluimeren. Alexander Minnedorper nam de bezweringen van Rooie Bertus in ieder geval zo ernstig, dat hij de moeite nam ons in te lichten.’

De Cock wreef over zijn kin.

‘Alexander Minnedorper is een sluwe man. Je zou je kunnen afvragen of alleen gevoelens van rechtvaardigheid hem hebben doen besluiten om ons in te lichten.’

Vledder keek hem nadenkend aan.

‘Je bedoelt dat zijn beweringen een afleidingsmanoeuvre kunnen zijn… dat hij ons in een verkeerde richting wil loodsen?’ ‘Die kans is er. Bedenk, dat Alexander Minnedorper mogelijk ook zelf een motief heeft. Hij was met Christina gehuwd en al zijn pogingen om dat huwelijk in stand te houden, zijn mislukt.’

Vledder gromde.

‘Door toedoen van de dominante Alida van Boskoop en haar al even dominante dochter Angela. Die twee waren een eenheid. Ik heb het idee dat Beatrijs en Christina geen eigen inbreng hadden en volkomen door hun moeder en Angela werden geregeerd.’

De Cock knikte instemmend.

‘Dat lijkt mij een goede analyse. Maar dat betekent wel, dat juist de ex-mannen van Beatrijs en Christina een motief voor de beide moorden hebben.’

‘Jij bedoelt dat die twee beslist haatgevoelens jegens de vermoorde vrouwen hebben gekoesterd?’

‘Precies.’

De ogen van Vledder lichtten op.

‘Patrick Nederveldt,’ riep hij opgetogen. ‘Ik heb altijd al beweerd dat hij bij de moorden betrokken is.’

De Cock keek hem aan.

‘Je vergeet Alexander Minnedorper.’

Vledder schudde zijn hoofd.

‘Ik zie in die advocaat geen moordenaar.’

‘Wees voorzichtig. Ik zou mij in die stelling maar niet vastbijten.’

‘Ik houd het op Patrick Nederveldt,’ riep hij koppig. ‘Het opvallende is,’ sprak De Cock mijmerend, ‘dat zowel Patrick Nederveldt als Alexander Minnedorper beweren nog steeds van hun ex-vrouwen te houden.’

‘Wat denk je van het huwelijk tussen Angela en Rooie Bertus?’ De Cock maakte een hulpeloos gebaar.

‘Daar weten we nog te weinig van. Ik ken Rooie Bertus als een sterke persoonlijkheid. Ik kan me niet voorstellen dat er tussen hem en Angela ooit een goede band heeft bestaan.’

‘Conflictstof genoeg?’

‘Ik vrees van wel. Het is wellicht aardig om te weten hoe die twee elkaar hebben leren kennen en op wiens gezag er aangifte bij de politie werd gedaan…’

‘Dat kan Rooie Bertus ons toch vertellen?’

De Cock trok een bedenkelijk gezicht.

‘Als hij dat wil. We kunnen hem niet dwingen. De tijd van de tortuur[1] is voorbij.’

‘En dat vreemde briefje van hem?’

‘Het maakt hem geen moordenaar. Integendeel. Als hij werkelijk bij de moorden is betrokken, zou hij vermoedelijk dergelijke briefjes niet schrijven. Hij vestigt daarmee de aandacht op zichzelf.’

De oude rechercheur verzonk enige tijd in diep gepeins. Ineens keek hij op.

‘Heb jij een computer?’

Vledder reageerde verrast.

‘Een computer?’

De Cock knikte.

‘Ik heb in de behandelkamer van de chiromantiste aan de Brouwersgracht een computer zien staan. Kun jij met zo’n ding omgaan?’

Vledder glimlachte.

‘Ik heb zelf een computer. Ik surf wel eens op internet.’ De jonge rechercheur glimlachte opnieuw.

‘Wat wil je dan?’

‘Vroeger had elke huisarts een kaartenbak met gegevens over zijn patiënten. Nu hebben de huisartsen geen ouderwetse kaartenbakken meer, maar zijn die gegevens opgeslagen in hun moderne computer.’

Vledder fronste zijn wenkbrauwen.

‘Jij denkt dat de chiromantiste de gegevens van de mensen die haar consulteerden, in haar computer heeft staan?’

De Cock knikte.

‘Ik vermoed dat Rooie Bertus zijn Angela middels een bezoek aan de chiromantiste heeft leren kennen. Op dezelfde manier zal vermoedelijk ook de relatie tussen Christina en Alexander Minnedorper tot stand zijn gekomen. Ik wil zonder dat iemand het weet over de gegevens van de computer beschikken.’ ‘Dan moet je ze kopiëren op een floppy.’

‘Wat is dat?’

Vledder lachte.

‘Een diskette. Het is mij te moeilijk om je uit te leggen hoe dat werkt.’

‘Heb jij een diskette?’

‘Ja, thuis.’

‘Kan jij het?’

‘Wat?’

‘Kopiëren op een floppy?’

‘Dat zal wel lukken.’

De Cock strekte zijn wijsvinger naar hem uit.

‘Dan breken wij vanavond in.’

Het was stil op het Damrak. De beide rechercheurs slenterden op hun gemak over het brede trottoir in de richting van de Haringpakkersteeg. Het was koud, kil en het regende. De felkleurige lichtreclames weerspiegelden in het natte asfalt van de weg. Het onaangename weer hield de mensen in hun huizen.

Vledder blikte opzij.

‘Wat dacht je in dat computerbestand te vinden?’

De Cock trok de kraag van zijn regenjas omhoog.

‘Ik hoop dat de chiromantiste of een van haar dochters vertrouwelijke gegevens heeft ingebracht, gegevens omtrent de mannen met wie de dochters enige tijd gehuwd zijn geweest. Als Rooie Bertus en de advocaat Minnedorper aanvankelijk tot de cliëntèle van de chiromantiste hebben behoord, dan moeten er inlichtingen over hen in het bestand te vinden zijn.’ ‘Wat voor gegegevens?’

De Cock reageerde wat geprikkeld.

‘Zaken die wij nog niet kennen… die men voor ons om welke reden dan ook verborgen houdt.’

De oude rechercheur krabde zich achter in de nek.

‘De zaak begint mijn zenuwen te kietelen. Ik heb het idee dat de motieven die wij tot nu toe kennen, onvoldoende zijn.’ ‘Je bedoelt dat er meer zaken spelen dan drie mislukte huwelijken?’

De Cock maakte een onzeker gebaar.

‘Misschien moeten we wel terug naar Putten, naar de oorsprong. Bedenk dat de chiromantiste in het verleden enige aanbidders heeft gehad die tot drie vrolijke zwangerschappen hebben geleid.’

‘De natuurlijke vaders van het ABC-trio Angela, Beatrijs en Christina.’

De Cock knikte.

‘Ook toen had Alida van Boskoop cliëntèle.’

De Brouwersgracht lag geheel verlaten. In de verte, vanaf het Stationsplein, klonk het gieren van trams in de bochten. Aan de walkant tussen de bomen scharrelde een enkele rat. Voor nummer 1180 bleven ze staan. De Cock veegde de regen uit zijn gezicht en bekeek de gevel aandachtig. Nergens hing een aankondiging dat de chiromantistenpraktijk was gestopt. Daarna richtte hij zijn aandacht op het slot van de toegangsdeur. Uit de zak van zijn regenjas nam hij het apparaatje dat hij eens, lang geleden, van zijn vriend en ex-inbreker Handige Henkie had gekregen. Met kennersblik nam hij uit het koperen houdertje de juiste sleutelbaard.

Vledder schudde afkeurend zijn hoofd.

‘We krijgen hier nog eens de grootste ellende mee.’ De Cock keek naar hem op.

‘We gebruiken het toch niet om ons te verrijken,’ sprak hij geprikkeld. ‘Ik wil alleen een zaak oplossen.’

Vledder grijnsde.

‘Als Alexander Minnedorper hier lucht van krijgt, dan kun je wat beleven.’

‘Alexander Minnedorper heeft zelf een lading boter op zijn hoofd.’

‘Dat doet niet terzake. Hij kan zich meer permitteren dan wij.’ De Cock bromde.

‘Zeur niet.’

De oude rechercheur liep op de deur toe en in luttele seconden had hij het slot geopend. Hij duwde met zijn elleboog de deur verder open. De scharnieren piepten. In de kleine hal bleef hij staan en luisterde. Zijn scherp gehoor nam geen geluiden waar. Nog even aarzelde hij. Toen, met een zaklantaarn in zijn hand, liep hij vanuit de hal de lange gang in.

Vledder deed de deur achter zich dicht en volgde hem op de voet.

De deur naar de wachtkamer stond half open. De Cock stapte naar binnen en liet het lichtovaal van zijn zaklantaarn door het vertrek dwalen… de houten banken, het bladderend plafond. Toen de lichtstraal de deur naar de behandelkamer had bereikt, stokte de oude rechercheur. De zaklantaarn viel bijna uit zijn hand. Aan de deurknop had hij een koord ontdekt. Het liep omhoog. Met ingehouden adem liep hij op de deur toe. Hij trok een schone zakdoek uit zijn broekzak, wikkelde die om zijn rechterhand en trok de deur naar zich toe. Aan de andere kant hing een vrouw.

Vledder, achter hem, hijgde in zijn nek.

‘Beatrijs.’

Загрузка...