‘Gaan we hem arresteren?’
‘Wie?’
Vledder keek De Cock verwonderd aan.
‘Die Patrick Nederveldt.’
De oude rechercheur trok een bedenkelijk gezicht.
‘Zie jij voldoende gronden?’
Vledder knikte nadrukkelijk.
‘Patrick Nederveldt heeft een motief. Alida heeft door kwaadsprekerij zijn huwelijk vernield en als hij de breuk wil herstellen door opnieuw een huwelijk met zijn ex-vrouw Beatrijs aan te gaan, houdt moeder Van Boskoop dat tegen.’
‘Een redelijk motief?’
Vledder tuitte zijn lippen. ‘Ik vind van wel. Het is om hels te worden. Projecteer zo’n situatie eens op jezelf?’
De Cock gniffelde. ‘Ik heb een lieve schoonmoeder.’ Vledder wuifde de opmerking weg.
‘Volgens zijn zuster Nanette is Patrick Nederveldt een krachtige en opvliegende man.’
De jonge rechercheur keek naar De Cock op.
‘Wat bedoelt ze feitelijk met een type Mozes?’
De Cock glimlachte.
‘De gelovige Nanette Nederveldt bedoelt vrijwel zeker de bijbelse Mozes, de energieke leider die de Israëlieten uit Egypte voerde, de man van de wet, van de tien geboden, maar ook de man die in zijn jonge jaren een Egyptische opzichter doodde en zijn lijk in het zand begroef.’
Vledder knikte begrijpend.
‘Nanette Nederveldt acht haar broer Patrick dus wel degelijk tot een moord in staat.’
‘Ik vermoed,’ reageerde De Cock voorzichtig, ‘dat ze ons dat duidelijk heeft willen maken… met haar vergelijking met de bijbelse Mozes.’
‘Waar wachten we dan op?’ vroeg Vledder opstandig. ‘Nog meer aanwijzingen? Bedenk, dat hij ook bedreigingen heeft geuit. Meermalen. Daarvan zijn getuigen, mensen die in de wachtkamer van de chiromantiste zaten. Het moet voor ons toch mogelijk zijn om een paar van die getuigen te achterhalen.’ De jonge rechercheur zwaaide met zijn armen.
‘En dan nog iets,’ riep hij betogend. ‘Volgens Angela van Boskoop waren er aan het huis op de Brouwersgracht geen sporen van braak die morgen, toen zij haar moeder aan de deur van de behandelkamer zag hangen. Patrick van Nederveldt hoefde niet in te breken. Hij had een sleutel.’
De Cock keek zijn jonge collega bewonderend aan.
‘Je bent een bekwame aanklager. Toch ben ik niet helemaal overtuigd.’
‘Waarom niet?’
‘Gevoelsmatig.’
‘Gevoelsmatig,’ herhaalde Vledder smalend. ‘Dat is toch geen argument. Wil je daar op je stoel blijven zitten tot die Patrick Nederveldt een tweede moord pleegt, bijvoorbeeld op zuster Angela, van wie hij weet dat ze medeverantwoordelijk was voor het mislukken van zijn huwelijk met Beatrijs?’
De Cock negeerde de smalende ondertoon.
‘Ik zet niet graag iemand in de cel wanneer ik niet de overtuiging heb dat ik de juiste man of vrouw te pakken heb,’ antwoordde hij gelaten. ‘Dat is een gewetenszaak.’
‘Patrick Nederveldt is de juiste man.’
‘Ik ben niet overtuigd,’ sprak De Cock kalm en beslist. De oude rechercheur kwam uit zijn stoel overeind en slenterde naar de kapstok.
Vledder kwam hem na.
‘Waar ga je heen?’
De Cock glimlachte.
‘Smalle Lowietje.’
Vledder knikte begrijpend.
‘Jouw dorstige keel snakt naar een cognackie.’
Lowietje, ter aanduiding van zijn geringe borstomvang meestal Smalle Lowietje genoemd, trok zijn levendig muizensmoeltje in een vriendelijke plooi, staakte het glazen spoelen, veegde zijn vingers langs zijn morsig vest en stak de oude rechercheur spontaan een hand toe.
‘Welkom in mijn etablissement.’
De Cock drukte de klamme hand en hees zijn zware bovenlijf op een barkruk naast Vledder.
‘Ook goedenavond,’ reageerde hij laconiek.
‘Hetzelfde recept?’
Zonder op antwoord te wachten dook de tengere caféhouder onder de tapkast en kwam weer boven met een fles pure Franse cognac Napoleon, die hij met een haast devoot gebaar voor de grijze speurder neerzette.
‘Nog van mijn oude voorraad,’ lispelde hij vergenoegd. Hij pakte drie bolle glazen en schonk in, plechtig, als gold het een ceremonieel gebeuren.
Rechercheur De Cock keek vrolijk glunderend toe. Hij hield van die momenten. En hoewel hij wist dat de smalle caféhouder een dief was, een heler, een man die in zijn leven vrijwel alles had gedaan wat God in zijn wijsheid had verboden… hield hij van Lowietje.
‘Proost.’
Hij nam het glas op, schommelde het in zijn hand en snoof de prikkelende geur van de cognac op. Voorzichtig nam hij een slokje. Zacht gleed het fluwelen vocht langs zijn dorstige keel. Met een peinzende blik keek hij naar het glas en zette het met een teder gebaar op de tapkast terug.
‘Als ik gepensioneerd ben, zal ik dit missen.’
Smalle Lowietje keek hem verwonderd aan.
‘Je kunt toch blijven komen? Daar heb je de Kit toch niet voor nodig? Mijn etablissement zal voor jou altijd toegankelijk zijn.’ ‘Bedankt, Lowie,’ antwoordde De Cock vertederd.
Hij draaide zich op zijn kruk om naar Vledder.
‘Nu wij beiden verschillen over de juiste voortzetting van ons onderzoek,’ sprak hij gedragen, ‘wordt het tijd voor een buitenlandse kreet: chi va piano, chi va sano, chi va sano, va lontano.’
De jonge rechercheur keek hem wantrouwend aan.
‘En dat betekent?’
‘Die langzaam gaat, gaat zeker, die zeker gaat, gaat ver… Ergo: langzaam maar zeker, dan breekt het lijntje niet.’
‘Je kunt ook te laat komen,’ reageerde Vledder koppig. ‘Ik blijf van mening dat wij die Patrick vanavond nog moeten arresteren.’
Smalle Lowietje kwam tussenbeide.
‘Hebben de heren ruzie?’ vroeg hij grappend.
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Geen ruzie, maar een ernstig verschil van mening. Mijn collega Vledder is jeugd. En de jeugd van nu is onstuimig.’ Smalle Lowietje lachte.
‘En de oudjes terughoudend en traag.’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Niet terughoudend, niet traag, maar bedachtzaam. Je mag niet lichtvaardig iemand van zijn vrijheid beroven. Een arrestatie is voor de betrokkene een ingrijpende gebeurtenis. Daar moet je goed over nadenken. Ik ben altijd heel behoedzaam.’ Lowietje gebaarde naar Vledder.
‘Hij niet?’
‘Nog niet.’
‘Zitten jullie weer in de prijzen?’ vroeg Lowietje.
‘Dat mag je wel zeggen,’ beaamde De Cock.
‘Moord?’
‘We hebben vanmiddag,’ verzuchtte De Cock, ‘begraven in een bos op de Veluwe, een dode vrouw gevonden, een bekende chiromantiste. We hebben goede gronden om aan te nemen dat ze is vermoord.’
‘Kon ze zeker haar eigen handschrift niet lezen,’ sprak Lowietje spottend.
‘Hoe bedoel je dat?’
‘Een chiromantiste is toch een handlijnkundige?’
‘Inderdaad.’
‘Die moet, zo dacht ik, uit haar eigen hand haar eigen lot kunnen lezen.’
De Cock kneep zijn ogen half dicht.
‘Hand-schrift.’
Hij proefde het woord op zijn tong.
De tengere caféhouder keek hem beteuterd aan.
‘Niet goed?’
Het gezicht van De Cock klaarde op.
‘Uitstekend, Lowie,’ sprak hij lovend. ‘Uitstekend. Een handlijnkundige leest het lijnenschrift van je hand… handschrift.’ Hij keek de tengere caféhouder vragend aan.
‘Je bedoelt, dat ze in dat handschrift haar eigen dood had kunnen lezen?’
Smalle Lowietje knikte.
‘Dan laat je je toch niet vermoorden? Je stapt toch ook niet in een vliegtuig als je weet dat het na een uurtje reddeloos zal neerstorten?’
De Cock lachte.
‘Jij gelooft niet in voorspellingen uit je hand?’
‘Flauwekul.’
‘De vrouw werd druk geconsulteerd.’
De caféhouder boog zich iets naar voren.
‘Het is toch niet die van de Brouwersgracht?’
De Cock keek hem schattend aan.
‘Hoezo?’
‘Die is onsterfelijk.’
De Cock nam nog een slok van zijn cognac.
‘Die is het wel,’ sprak hij mat. ‘De onsterfelijke is dood.’ Smalle Lowietje keek hem verwonderd aan.
‘Zonder gein?’
‘Zonder gein,’ herhaalde De Cock ernstig.
‘Ik heb er nog niets over gehoord en je weet… onze eigen penoze-tamtam werkt heel snel.’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Ik heb ook liever dat er nog geen ruchtbaarheid aan wordt gegeven. Haar dochters willen de mythe van de onsterfelijkheid van hun moeder zo lang mogelijk in stand houden.’ ‘De onsterfelijke dood,’ sprak Lowietje hoofdschuddend. ‘Niet te geloven. Als Rooie Bertus het hoort, geeft hij elke avond een rondje.’
‘Rooie Bertus, de kleine kluisjesman?’
‘Hij is met een van haar dochters getrouwd geweest.’ ‘Met welke?’
‘Dat weet ik niet. Ik heb nooit een voornaam horen noemen. Volgens Rooie Bertus zijn haar dochters alledrie beeldschoon. Om rauw in te bijten.’
De Cock schoof zijn lege glas naar Lowietje toe.
‘Waarom zou Rooie Bertus bij het horen van haar dood gulle rondjes geven?’
De caféhouder schonk in.
‘Omdat hij blij zal zijn dat ze in haar kist ligt. Hij heeft haar alle ziektes van de wereld toegewenst. Van de tyfus naar cholera tot kanker. Mensen, mensen, wat had hij een hekel aan dat waarzeggende wijf. Hij kon haar bloed wel drinken.’
De Cock pakte zijn glas.
‘Waarom?’
Smalle Lowietje grijnsde breed.
‘Ze heeft hem verlinkt. Door haar toedoen verdween hij voor jaren achter de tralies.’
‘En toen hij uit de bajes kwam, bleek dat hij geen vrouw meer had.’
‘Ze zijn inderdaad gescheiden.’
‘Omdat moeder dat zo wilde.’
De tengere caféhouder knikte.
‘Weet je, dat zat Rooie Bertus nog het meest dwars. Ze had hem niet alleen verlinkt, maar ook zijn vrouw afgenomen.’
De rechercheurs verlieten het schemerig intieme lokaaltje van Smalle Lowietje. Met de milde gloed van de cognac in hun aderen liepen ze via de Achterburgwal, de Oude Kennissteeg en het Oudekerksplein terug naar de Kit.
Het regende nog zonder pauzes. Traag en loom daalde het hemelwater op hen neer. De nattigheid deed geen afbreuk aan de business. Het droeve leger van behoeftigen trok in dichte drommen langs de roze etalages met schaarsgeklede vrouwen in velerlei fatsoen.
De Cock keek spottend opzij naar Vledder.
‘Gaan we nu Rooie Bertus arresteren?’
De jonge rechercheur ging niet op de provocatie in. ‘Waarom noemen ze hem de kleine kluisjesman?’
De Cock glimlachte.
‘Omdat hij een meester is in het kraken van kleine bankkluisjes. In zijn goede jaren heeft hij daar schatten mee verdiend.’ ‘Ken jij hem?’
De Cock knikte.
‘Ik heb Rooie Bertus wel eens gepakt voor een mishandeling. Hij had omgang met een vrouw die hem bedroog.’
‘Dat pikte Rooie Bertus niet?’
‘Hij sloeg haar een blauw oog en schopte haar de deur uit.’ ‘Is hij gewelddadig?’
‘Je bedoelt of hij mogelijk verantwoordelijk is voor de dood van Alida van Boskoop?’
‘Dat bedoel ik.’
De Cock trok zijn schouders op.
‘Hij is wel geen type Mozes, zoals Nanette het uitdrukte, maar handelend uit wraak, acht ik Rooie Bertus tot alles in staat.’ ‘Ook tot moord?’
De Cock knikte traag.
‘Ook tot moord. Hij is sterk, doet al jaren aan bodybuilding en is driftig van aard.’
Vledder wreef de regen van zijn gezicht.
‘In een paar jaar bajes kunnen wraakgevoelens flink groeien.’ ‘Ben je weer met een requisitoir bezig?’
Vledder reageerde niet.
Toen ze de hal van het politiebureau binnenstapten, wenkte Jan Kusters vanachter de balie De Cock met een kromme vinger. De oude rechercheur liep op hem toe.
‘Je hebt toch geen nieuwe moord voor ons?’ vroeg hij bezorgd. De wachtcommandant keek hem verbaasd aan.
‘Zijn jullie weer bezig met een moord? Ik heb er niets van gelezen.’
‘Moord op een chiromantiste.’
‘Wat is dat voor een beroep?’
‘Dat is een vrouw die in je hand kijkt.’
‘Een vreemde gewoonte,’ antwoordde Jan Kusters en stak zijn arm omhoog.
‘Boven zit een man op je te wachten.’
‘Wat voor een man?’
De wachtcommandant raadpleegde een notitie.
‘Ene Aard van de Koperberg. Ik dacht dat ik hem hier al eerder zag.’
De Cock knikte.
‘Gisteravond. Met hem begon de ellende.’
De Cock keek de man die op de stoel naast zijn bureau was gaan zitten, onderzoekend aan. Opnieuw viel het hem op dat zijn grote donkerbruine ogen te dicht bij elkaar stonden. Zijn blik gleed van het gezicht naar de handen van Aard van de Koperberg. De vingers waren lang en gespierd. De oude rechercheur vroeg zich af…
De man boog zich naar hem toe en onderbrak zijn gedachten. ‘Is mevrouw Korreman al bij u geweest?’
De Cock knikte.
‘Vanmiddag.’
‘Bent u door haar wat wijzer geworden?’
‘Zeker. Nanette Korreman is heel goed geïnformeerd. Ze kent Alida van Boskoop en haar drie dochters al vele jaren. Haar broer Patrick is met een van die dochters getrouwd geweest.’ ‘Wie?’
‘Beatrijs.’
Aard van de Koperberg keek hem verwonderd aan.
‘Ik dacht dat ze alledrie ongehuwd waren?’
‘Dat zijn ze ook… ongehuwd. Volgens mijn informatie zijn ze alledrie getrouwd geweest en na een kort huwelijk weer gescheiden.’
‘Ik heb Alida nooit over mannen van haar dochters horen praten.’
‘Misschien vond ze het onderwerp niet prettig.’
Aard van de Koperberg vouwde zijn sterke handen. ‘Hebt u al enig idee,’ vroeg hij gespannen, ‘waar hun moeder verblijft?’
De Cock negeerde de vraag.
‘U hebt gisteravond van uzelf het beeld geschetst van een verliefde man met huwelijksplannen, die zich zorgen maakt over de verdwijning van zijn geliefde.’
‘Een juist beeld.’
‘Hoe lang heeft het geduurd voor u tot een huwelijksaanzoek kwam?’
‘Ik schat zo’n maand of negen. Dat gerekend vanaf onze eerste kennismaking.’
‘In die tijd zijn er nooit strubbelingen tussen u en Alida geweest?’
De blik van Aard van de Koperberg vernauwde zich. ‘Wat hebben die meiden gezegd?’ vroeg hij hard.
De Cock schudde zijn hoofd.
‘U mag geen vraag met een wedervraag beantwoorden.’ ‘Wat hebben die meiden gezegd?’ herhaalde de man. ‘Ze zijn tot alles in staat.’
De Cock keek hem onbewogen aan.
‘Waren er strubbelingen?’
Aard van de Koperberg zuchtte.
‘Er waren strubbelingen.’
‘Waarover?’
‘Ik wilde dat Alida ermee stopte. Voorgoed. Ik wilde geen handlijnkundige als vrouw. Ik wilde niet dat ze zich nog langer met allerlei kwaaltjes van andere mensen bezighield. Dat had ze niet nodig. Mijn vermogen is ruim genoeg om haar te kunnen onderhouden.’
‘Hoe hoog liepen de strubbelingen op?’
‘Ik ben wel eens verdomd kwaad op haar geweest.’
De Cock zweeg even voor het effect.
‘Uw vermoeden van gisteravond was juist. Alida van Boskoop werd vermoord.’