‘Heb je haar op Westgaarde?’
Vledder knikte.
‘Alida van Boskoop ligt met dubbele vijverfolie in de vrieskast. De gerechtelijke sectie is morgenochtend om elf uur.’ De Cock keek hem verwonderd aan.
‘Heb je al een afspraak gemaakt?’
Vledder liet zich met een plof op de stoel achter zijn bureau zakken.
‘Toen ik vanmiddag op Westgaarde kwam, had dokter Rusteloos net een gerechtelijke sectie beëindigd. Het was zijn vierde: twee in Rotterdam, een in Den Haag en bij ons een stinkend waterlijk. De stank hangt nog in mijn neusgaten.’
De Cock glimlachte.
‘Ik ken dat.’
‘Onze oude patholoog-anatoom vond het welletjes voor vandaag. Hij zag er ook vermoeid uit. Maar hij beloofde mij om morgenochtend om tien uur het lijk van Alida van Boskoop open te peuteren.’
De Cock trok een vies gezicht.
‘Dat zeg je zo niet,’ sprak hij berispend. ‘Men peutert geen lijk open.’
Vledder trok gelaten zijn schouders op.
‘Daar komt het toch op neer.’
De jonge rechercheur steunde met zijn ellebogen op zijn bureau. Met een grijns op zijn gezicht keek hij De Cock aan. ‘Je hebt me wel met wat moois opgeknapt. Wat een soesa daar in dat Speulder- en Sprielderbos.’
‘Hoezo?’
Vledder zuchtte diep.
‘Ik heb mij eerst door Christina van Boskoop de plek laten aanwijzen waar ze hun moeder hadden begraven. Het is op nog geen honderd meter van hun fraaie villa aan de rand van het bos. Een kleine heuvelrug omzoomd met oude beuken en laag struikgewas. Heel intiem. Heel stil ook. Christina heeft een tijdje in de zachte regen naar het graf van haar moeder staan kijken. Uit piëteit heb ik haar niet gestoord.’
‘Netjes van je. Je maakt vorderingen. Hadden we de plek zelf gevonden?’
Vledder trok een bedenkelijk gezicht.
‘Zonder hulp… nee.’
‘Wat heb je met Christina gedaan?’
‘Die heb ik, nadat ik de plek kende, in haar villa gelaten. Ik vond het niet nodig om haar de exhumatie te laten bijwonen.’ De Cock knikte begrijpend.
‘Daarna heb je je in verbinding gesteld met de plaatselijke politie?’
Vledder knikte.
‘Ik mocht haar Peugeot gebruiken. Het heeft heel wat voeten in de Veluwse aarde gehad voor ik hen zover had dat ze mij behulpzaam wilden zijn. Een exhumatie zomaar op verzoek van een wildvreemde collega uit Amsterdam, dat ging hen toch te ver.’
‘Wat hebben ze gedaan?’
Vledder glimlachte.
‘Contact opgenomen met hun eigen officier van justitie. Die heeft weer gebeld met onze officier van justitie in Amsterdam.’ De Cock grinnikte.
‘En die wist nog van niets.’
Vledder schudde zijn hoofd.
‘Ik heb hem persoonlijk aan de lijn gehad. Meester Van Overwhere. Toen ik uitgebreid verslag had gedaan over het hoe en waarom, heeft hij weer contact opgenomen met hun officier van justitie. Uiteindelijk kreeg ik toestemming en een escorte van twee, dat moet ik zeggen, prettige collega’s.’
De Cock keek hem fronsend aan.
‘Jullie zijn toch niet zelf gaan graven?’
Vledder lachte.
‘Een van de dienders, die tevens als fotograaf fungeerde, kende een plaatselijke doodgraver, een sombere vijftiger op zwartgelakte klompen, die het graven in het Speulder- en Sprielderbos wel spannend vond.’
‘Hindernissen?’
‘Hoe bedoel je?’
‘Moeilijkheden bij het graven?’
Vledder schudde zijn hoofd.
‘Toen we de zwerfkeien die de dochters op het graf van hun moeder hadden gestapeld, hadden verwijderd, was het gauw gebeurd. Ze lag niet diep. Nog geen halve meter.’
‘De ambulance?’
‘Dat gaf ook geen moeilijkheden. Een telefoontje vanuit de villa van Christina was voldoende.’
De jonge rechercheur leunde in zijn stoel achterover en stak zijn wijsvinger omhoog.
‘Ik heb nog iets gedaan.’
‘Wat?’
‘De vijverfolie waarin het lijk lag, gedeeltelijk opengesneden. Bij het hoofd.’
‘Waarom?’
‘Voor de herkenning. Een van de dienders heeft Alida van Boskoop wel eens aan de Brouwersgracht geconsulteerd voor een migraine, waar hij niet van afkwam.
Toen hij mij dat vertelde, leek het mij een goed idee om hem voor de herkenning als getuige te gebruiken.
Ik heb het lijk, dat er nog redelijk goed uitzag, later ook aan dochter Christina laten zien. Beide herkenningen waren positief.’
De Cock keek zijn jonge collega bewonderend aan.
‘Prima!’ riep hij enthousiast. ‘Je ontplooit al eigen initiatieven. Fantastisch. Nog even en ik kan met pensioen.’
Vledder grijnsde.
‘Wacht daar nog even mee.’
De Cock lachte.
‘Goed… nog even dan.’
De oude rechercheur trok rimpels in zijn voorhoofd. ‘Hoe reageerde dochter Christina op het weerzien met haar dode moeder?’
‘Tamelijk onbewogen. Kil, afstandelijk. Ik heb bij haar geen spoortje van rouw of verdriet gezien.’
‘Heb je tijdens jullie rit naar het Speulder- en Sprielderbos nog met haar over de moord op haar moeder gesproken?’ Vledder schudde zijn hoofd.
‘Ik verhoor niet zo graag. Dat laat ik liever aan jou over.’ ‘Ze heeft ook niets uit zichzelf gezegd?’
‘Nee.’
De Cock plukte aan zijn neus.
‘Ik heb met Beatrijs gesproken. Terwijl ik aan de Brouwersgracht op Bram van Wielingen en Ben Kreuger wachtte, kwam ze naar me toe.’
‘En?’
‘Ze wist wie haar moeder had vermoord.’
Vledder keek hem gespannen aan.
‘Ze kent de moordenaar?’
In zijn stem trilde ongeloof.
De Cock knikte.
‘Beatrijs is getrouwd geweest met ene Patrick Nederveldt. Het huwelijk heeft maar twee jaar geduurd. Toen volgde de scheiding. De schuld van het stranden van het huwelijk lag volgens Beatrijs bij haar moeder en haar zuster Angela. Die twee hebben net zolang gestookt… Patrick Nederveldt van buitenechtelijk geknutsel beticht… tot Beatrijs met een scheiding instemde.’
Vledder gebaarde ongeduldig.
‘En?’
‘Toen Patrick Nederveldt na jaren de achtergronden van de scheiding vernam, probeerde hij Beatrijs te bewegen om opnieuw met hem te trouwen. Moeder Alida wilde daar niets van weten. Zij wilde onder geen beding een tweede huwelijk. Zij en zuster Angela belemmerden vrijwel elk contact. Ze stonden zo nu en dan een telefoongesprek toe. Meer niet. Verder hielden ze Beatrijs min of meer gevangen.’
Vledder keek hem ongelovig aan.
‘Dat kan toch niet in deze tijd?’
De Cock maakte een hulpeloos gebaar.
‘Blijkbaar wel. Ik geloof dat wij de invloed van moeder Alida en zuster Angela niet mogen onderschatten. Ze hebben dominante karakters.’
‘Hoe reageerde Patrick?’
‘Die was des duivels. Hij zon op wraak, beraamde plannen voor ontvoeringen. Hij had het vooral op moeder Van Boskoop gemunt. Volgens Patrick was vooral zij schuld aan alles. Diverse malen heeft hij gedreigd haar te zullen vermoorden. Soms kwam hij de volle wachtkamer aan de Brouwersgracht binnenstormen en schold haar de huid vol.
Letterlijk zou hij, in bijzijn van vele getuigen, hebben gezegd: Als je Beatrijs niet loslaat, draai ik op een goede dag je nek om.’
Vledder keek hem onderzoekend aan.
‘Zie je er wat in?’
De Cock knikte traag.
‘Beatrijs en Patrick Nederveldt hebben een paar maanden samen aan de Brouwersgracht gewoond. Hij heeft nog een sleutel van het huis.’
‘Heb je hem opgevraagd?’
‘Ja.’
‘Zit hij in onze administratie?’
De Cock knikte.
‘Terzake dierenmishandeling.’
‘Dierenmishandeling?’
De Cock knikte opnieuw.
‘Toen hij vijftien jaar was, heeft hij een kat aan een deurknop opgehangen.’
De vrouw die de grote recherchekamer binnenstapte, droeg zwarte wollen kousen en liep op platte schoenen. Ze had lang, sluik haar, dat nat en onverzorgd langs haar hoofd hing. Van de groene loden jas die ze droeg, drupte het regenwater. Voor het bureau van de grijze speurder bleef ze staan. ‘U bent rechercheur De Cock?’
De oude rechercheur knikte.
‘De Cock… eh, met ceeooceekaa.’
De vrouw glimlachte. Er gleed een kuiltje in haar wang en haar lippen krulden. Het gaf aan haar lang bleek gezicht een lieflijke uitstraling.
‘Dat weet ik. Mijn man heeft mij gezegd hoe uw naam gespeld moet worden.’
‘Uw man?’
De vrouw knikte.
‘Hij was gisteravond laat nog bij u… Andries Korreman. Wij wonen in Ouderkerk aan de Amstel, aan de Willem van Egmontlaan.’
De Cock bedacht zich een moment en strekte toen zijn wijsvinger naar haar uit.
‘Dan bent u Nanette?’
‘Inderdaad.’
‘Hoe gaat het met Elisa?’
Het gezicht van Nanette Korreman versomberde.
‘Haar lot ligt in handen van Onze-Lieve-Heer. Maar ik heb goede hoop dat Hippocratine en haar dochters Elisa zullen genezen.’
De Cock fronste zijn wenkbrauwen.
‘Hippocratine?’ vroeg hij met gespeelde verwondering. ‘U bedoelt mevrouw Alida van Boskoop.’
Op het smalle gelaat van Nanette Korreman kwam een harde trek.
‘Voor mij is zij Hippocratine,’ sprak ze met nadruk, ‘de vrouw die van Onze-Lieve-Heer de gave van de geneeskunst heeft gekregen en die gave weer aan haar dochters heeft overgedragen. Volgens het bijbelwoord is haar gezegd: geneest de kranken, reinigt de melaatsen, wekt de doden en werpt de duivelen uit.’
Nanette Korreman zweeg en wees naar de stoel naast het bureau van De Cock.
‘Mag ik gaan zitten?’
De oude rechercheur kleurde.
‘Neemt u plaats,’ sprak hij gehaast. ‘Neemt u plaats. Mijn verontschuldiging dat ik u zo lang heb laten staan. Ik was niet alert genoeg. Het kwam omdat uw betoog mij zo boeide.’ De Cock pauzeerde om haar de gelegenheid te geven haar zware loden regenmantel los te knopen.
‘Ik… eh, ik heb de reden van uw komst nog niet gehoord.’ Nanette Korreman verschoof iets op haar stoel.
‘Die heer Van de Koperberg uit Amstelveen heeft weer gebeld. Hij vroeg of ik al bij u was geweest. Toen ik hem zei dat ik mijn man naar de recherche had gestuurd, was hij teleurgesteld. Hij vroeg mij of ik toch even de moeite wilde nemen om zelf te gaan.’ ‘Waarom?’
‘Ik ken Hippocratine en haar dochters nog van vroeger. Dat heb ik die heer Van de Koperberg eens verteld toen we samen in de wachtkamer zaten. Hij meende dat ik u misschien enige informatie kon verschaffen die u kon gebruiken bij uw onderzoek.’ ‘U kent haar van vroeger?’
Nanette Korreman knikte.
‘Ik kom oorspronkelijk uit Putten. Daar ben ik geboren. Hippocratine komt ook uit Putten. Samen met haar dochters woonde ze niet ver van ons vandaan. Haar dochters zijn ongeveer van mijn leeftijd. Christina zat bij mij in de klas. Ik heb dikwijls met haar gespeeld. Maar mijn ouders zagen niet graag dat ik met haar omging.’
De Cock keek haar verwonderd aan.
‘Om welke reden?’
Op het gezicht van Nanette Korreman kwam een smartelijke trek.
‘Hippocratine was een ongehuwde moeder. Angela, Beatrijs en Christina hebben hun vaders, hun verwekker nooit gekend. Voor mijn ouders was dat een grote schande. Er waren er meer bij ons in de gemeente die er zo over dachten. Ze waren niet zo erg gezien. Ik vermoed dat Hippocratine en haar dochters daarom naar Amsterdam zijn getrokken.’
‘Had Hippo… eh, ik bedoel Alida van Boskoop in Putten al een reputatie als chiromantiste?’
Nanette Korreman knikte nadrukkelijk. Haar helgroene ogen glinsterden.
‘Hippocratine heeft destijds in Putten heel veel mensen geholpen en genezen. Ik was als jong meisje al onder de indruk van haar verschijning en genoot van de verhalen die over haar de ronde deden… prachtige verhalen over wonderbaarlijke genezingen, zoals ik die vanuit de bijbel kende.’
De Cock gebaarde in haar richting.
‘Haar dochters wonen nu aan de rand van het Speulder- en Sprielderbos.’
‘Dat weet ik. Ze komen om beurten naar Amsterdam om Hippocratine bij te staan.’
De Cock keek haar onderzoekend aan.
‘U bent goed geïnformeerd.’
‘Zeker. Ik ben geïnteresseerd gebleven.’
De Cock aarzelde even.
‘Weet u dat Hippocra… eh, ik bedoel Alida van Boskoop, van zichzelf heeft gezegd dat ze onsterfelijk is?’
Nanette Korreman knikte.
‘Dat is ze ook. Onsterfelijk. De dood heeft voor Hippocratine geen enkele betekenis.’
Het gezicht van De Cock verstrakte.
‘Maar de onsterfelijke is dood.’
Nanette Korreman keek hem verbijsterd aan.
‘Dood?’
De Cock ademde diep. Hij wees voor zich uit.
‘Mijn collega Vledder,’ sprak hij somber, ‘heeft haar ontzielde lichaam vanmiddag in het Speulder- en Sprielderbos gevonden. Ze lag in een primitief graf onder een stapel zwerfkeien.’ Nanette Korreman staarde wezenloos voor zich uit. Na enige tijd schudde ze haar hoofd.
‘Dat was niet Hippocratine.’
De Cock wreef met zijn vlakke hand over zijn breed gezicht. ‘Christina heeft mijn collega de plek gewezen waar de dochters haar in het Speulder- en Sprielderbos hadden begraven. Christina heeft het gevonden lichaam als dat van haar moeder herkend.’
Het gezicht van Nanette Korreman werd wasbleek.
‘Het is tijdelijk,’ sprak ze versluierd. ‘Niet voor eeuwig. Hippocratine is niet dood. Haar ziel is even weg voor een korte trip naar de hemel. Ze zal in haar volle glorie terugkeren.’ De Cock krabde met zijn beide handen over zijn voorhoofd. Peinzend zocht hij naar een goede voortzetting van zijn verhoor. ‘Nanette Korreman,’ sprak hij bezwerend, ‘lieve vrouw, ik gun u uw fantasieën.’
‘Het zijn geen fantasieën.’
De Cock zuchtte.
‘Ik gun u uw persoonlijke overtuigingen, ik gun u uw overdenkingen, uw geestelijk houvast. U mag van mij geloven dat de onsterfelijke Hippocratine niet dood is. Misschien is het voor uw gemoedsrust zelfs goed dat u uw geloof in haar onsterfelijkheid behoudt, maar ik heb mij als rechercheur van politie aan de realiteit te houden. Ik heb geen andere keus.’
De oude rechercheur zweeg even. Vermoeid.
‘Hippocratine, voor ons Alida van Boskoop, stierf ongeveer veertien dagen geleden. Haar dochters waren van mening dat hun moeder zelfmoord had gepleegd. Omdat men haar overlijden niet openbaar wilde maken, hielden ze haar dood geheim en begroeven haar in het Speulder- en Sprielderbos. Ons onderzoek heeft echter uitgewezen dat Alida van Boskoop geen zelfmoord heeft gepleegd, maar werd vermoord.’
Nanette Korreman keek hem geschrokken aan.
‘Vermoord?’
De Cock knikte.
‘Dat is mijn overtuiging.’
De oude rechercheur boog zich iets naar haar toe.
‘Wist u dat Beatrijs getrouwd is geweest?’
Nanette Korreman knikte.
‘Ze zijn alledrie getrouwd geweest.’
De mond van De Cock zakte iets open.
‘A lled r ie?’
Nanette Korreman knikte opnieuw.
‘Alledrie… en alledrie de huwelijken zijn gestrand, geëindigd in echtscheidingen. In de nabijheid van de stralende Hippocratine verbleekten en verschrompelden de mannen. De huwelijken van de drie dochters waren gedoemd te mislukken.’
De Cock keek Nanette Korreman secondenlang aan. Er was iets in die vrouw dat hij haatte en bewonderde.
‘Beatrijs vertelde mij vanmorgen dat haar ex-man opnieuw met haar in het huwelijk had willen treden. Alida van Boskoop was daar fel op tegen. Haar ex-man zou Alida daarna een paar maal met de dood hebben bedreigd. Letterlijk zou hij hebben gezegd: Als jij Beatrijs niet loslaat, draai ik op een goede dag je nek om.’
Nanette Korreman knikte gelaten.
‘Dat klopt.’
De Cock trok diepe rimpels in zijn voorhoofd.
‘Dat weet u?’
Nanette Korreman knikte opnieuw.
‘Patrick is een krachtige en opvliegende man. Het type Mozes.’ ‘U kent hem?’
Nanette Korreman liet haar hoofd iets zakken.
‘Mijn eigen naam,’ sprak ze zacht, ‘is Nederveldt. Patrick is mijn broer.’