13

Met een strak gezicht strekte De Cock zijn rechterhand met de palm naar boven naar Rooie Bertus uit.

‘Geef mij je balpen.’

Het klonk als een bevel.

‘Wat?’

‘Je balpen. Ik wil voorkomen dat je nog eens malle briefjes schrijft.’

Rooie Bertus liet beschaamd zijn hoofd zakken.

‘Het was een opwelling,’ sprak hij zacht. ‘Stom. Ik realiseerde me achteraf dat ik dat nooit had moeten doen. Maar toen ik van Smalle Lowietje hoorde dat moeder Van Boskoop dood was, kon ik mij niet bedwingen. Dat mens had me zo getreiterd.’ Hij keek op.

‘Ik… eh, ik,’ sprak hij hoofdschuddend, ‘ben niet zo goed in de omgang met mensen. Er is maar één ding waar ik goed in ben.’ De Cock knikte.

‘Bankkluisjes.’

Rooie Bertus schudde De Cock tot afscheid de hand. ‘Ik kan vanmiddag rustig vertrekken?’ vroeg hij met een grijns op zijn gezicht. ‘Er is voor mij straks op Schiphol geen officieel comité van ontvangst?’

‘Hoe lang blijf je weg?’

‘Een dag of tien, veertien. Het ligt eraan of ik het daar naar mijn zin heb.’

‘Als ik in die tijd op bewijzen contra jou stuit, dan weet ik je zelfs in Spanje te vinden.’

‘U vindt geen bewijzen tegen mij… niet inzake de moorden aan de Brouwersgracht.’

De Cock glimlachte.

‘Stuur me een kaartje.’

Hij wuifde tot afscheid.

Toen Rooie Bertus de grote recherchekamer had verlaten, haalde De Cock de stapel papier weer uit de lade van zijn bureau en las verder. Hij vond, zoals verwacht, de aantekeningen inzake Albertus de Graaf, alias Rooie Bertus, alias de kleine kluisjesman. Ze bevatten weinig nieuws. Lijdt aan claustrofobie stond er. Man met een crimineel verleden en een dubieus verkregen vermogen… iets voor Angela? Drie maanden later gevolgd door de aantekening: Die claustrofobie raakt hij in de bajes wel weer kwijt.

De Cock grijnsde breed. Alida van Boskoop, de chiromantiste, zo bedacht hij, was bij leven een harde, cynische tante. Dat bleek uit tal van aantekeningen. Over een oudere vrouw stond er: We zullen haar ingebeelde ziekte verder uitbouwen. Ze heeft geld genoeg.

In geen enkele tekst was er iets van mededogen met haar patiënten te vinden. Alles was kil, koel en cynisch. Er was ook geen enkele aanduiding te vinden over de prijzen die voor de consulten werden betaald. De oude rechercheur schatte dat de belastingdienst voor tonnen was benadeeld.

Terwijl hij geboeid verder bladerde en las, kwam Vledder de recherchekamer binnen, gevolgd door Christina van Boskoop. De Cock zag die twee met verbazing komen. Snel schoof hij de stapel papier terug in de lade van zijn bureau.

Vledder bood Christina de stoel naast het bureau van De Cock aan. Daarna nam hij zelf plaats achter zijn eigen bureau. De jonge rechercheur maakte een vermoeide indruk. Hij wees naar Christina.

‘Zij wilde niet alleen in dat huis aan de Brouwersgracht blijven.’ ‘Dat begrijp ik.’

‘Ze wilde per se met jou praten. Daarom heb ik haar meegenomen naar de Kit.’

‘Gecondoleerd met het verlies van uw zuster,’ sprak De Cock plechtig. ‘Haar dood komt ook voor ons als een verrassing.’ Christina keek met tranen in haar donkere ogen naar De Cock. ‘Het is verschikkelijk. Ik ben er echt kapot van. Beatrijs was de enige van wie ik hield. Men zegt dat u een uitstekend rechercheur bent. Ik wil dat u haar moordenaar vindt.’

‘En de moordenaar van uw moeder en Angela?’

Christina schudde haar hoofd.

‘Die raken mij niet,’ sprak ze verbitterd. ‘Jegens hen koester ik geen haat.’

De Cock boog zich iets naar haar toe.

‘Ik schat dat de man of vrouw die uw moeder en Angela ombracht, ook verantwoordelijk is voor de dood van uw zuster Beatrijs.’

De oude rechercheur wendde zich pro forma tot Vledder. ‘De werkwijze is identiek?’

‘Absoluut.’

De Cock draaide zich weer naar Christina.

‘Onderhoudt u nog relaties met uw ex-man Alexander Minnedorper?’

Christina haalde achteloos haar schouders op.

‘Hij belt mij zo nu en dan.’

De Cock keek haar schattend aan.

‘Met het verzoek om opnieuw met hem tot een huwelijk te komen?’

Christina trok een grimas.

‘Ik moet er niet aan denken,’ sprak ze met afgrijzen. ‘Mijn huwelijk met Alexander Minnedorper was een misstap. In een wilde drang om eens op eigen benen te staan en op uitdrukkelijk verzoek van mijn moeder ben ik met die man getrouwd.’ ‘Hij zegt dat hij nog steeds veel van u houdt… nog steeds smoorverliefd op u is.’

‘Liefde… wat weet die man van liefde? Wanneer hij in een kwade bui was, mepte hij mij bont en blauw. Ik ben op het laatst gevlucht. En ondanks zijn herhaalde verzoeken en dreigingen met gerechtelijke stappen, ben ik nooit naar hem teruggegaan.’ De Cock maakte een hulpeloos gebaar.

‘Er moet toch iemand zijn die het op de hele familie Van Boskoop heeft voorzien. Iemand die van zoveel haat is bezield, dat hij vermoedelijk niet zal rusten voor hij de hele familie heeft uitgemoord.’

Christina keek hem geschrokken aan.

‘Ik loop ook gevaar?’

De Cock knikte traag.

‘Ik vrees van wel.’

De oude rechercheur zweeg even.

‘Hebt… eh, hebt u enig idee wie het op jullie heeft voorzien? Alexander Minnedorper?’

Christina maakte een afwerend gebaar.

‘Daar is Alexander zelf te laf voor. Als hij iets tegen ons heeft, dan kent hij wel mensen die voor een paar grijpstuivers tot alles in staat zijn.’

De jonge vrouw schudde haar hoofd.

‘Ik denk dat u het motief moet zoeken in het gedrag van moeder en Angela. Die twee waren hardvochtig. Vaak onmenselijk. Ik heb mij er altijd over verbaasd dat de mensen die twee toch bleven consulteren, ondanks een neerbuigende desinteresse in hun gebreken en problemen.’

‘Trad u wel eens op als chiromantiste?’

Christina streek met haar beide handen over haar gitzwart haar. ‘Ik heb dat altijd vermeden,’ antwoordde ze. ‘Ik kon uiteraard niet weigeren om zo nu en dan hulpdiensten te verrichten.’ ‘Ik heb in de behandelkamer een computer zien staan. Bevat die het bestand van de patiënten… consultanten?’

‘Ja.’

‘Wie hield dat bestand bij?’

‘Moeder en Angela. Soms, als Beatrijs de praktijk waarnam, dan maakte ook zij aantekeningen. Maar dat kwam maar weinig voor.’

‘U niet?’

‘Wat bedoelt u?’

‘U voerde nooit gegevens in?’

‘Nooit. Ik weet niet eens hoe zo’n ding werkt.’

De oude rechercheur wreef nadenkend over zijn brede kin. Daarna boog hij zich naar Christina toe.

‘Wij zijn nog steeds op zoek naar de dader. Mijn collega en ik hopen spoedig over meer gegevens te beschikken. Wilt u ons behulpzaam zijn om de dader te ontmaskeren?’

Christina knikte nadrukkelijk.

‘Zegt u maar wat ik doen moet.’

‘U gaat nu terug naar het Speulder- en Sprielderbos?’ Christina van Boskoop bedwong opkomende tranen. ‘Dat huis aan de Brouwersgracht zit vol gruwelen. Ik ga daar nooit meer naar binnen. Als ik van de notaris toestemming krijg, verkoop ik het direct.’

Als teken dat hij het gesprek als beëindigd beschouwde, stond De Cock van zijn stoel op en stak haar zijn hand toe. ‘U hoort nog van ons,’ sprak hij vriendelijk. ‘Hopelijk op korte termijn. Ik moet u wel waarschuwen. Hulp aan de recherche is nooit van gevaar ontbloot.’

Christina strekte haar rug. Ze klemde haar lippen op elkaar. Haar donkere ogen vlamden.

‘Al moet ik sterven.’

De Cock knikte haar bemoedigend toe.

‘Dat,’ sprak hij beminnelijk, ‘zullen wij te allen tijde voorkomen.’

Toen Christina was vertrokken, pakte De Cock de stapel papier weer uit de lade van zijn bureau en las en bladerde verder, terwijl Vledder gespannen toekeek. In De Cock groeide de overtuiging dat hij de oplossing van de wurgmoorden aan de Brouwersgracht voor zich op zijn bureau had.

Plotseling kreeg hij een tekst onder ogen die een koude rilling over zijn rug deed glijden. De rilling ging door tot in de gevoelige zenuweinden aan de toppen van zijn vingers.

En ineens, in een flits, raadde hij het motief, kende hij de dader. De openbaring schokte hem. Gedompeld in de stomme verbazing dat hij niet eerder in de juiste richting had gezocht, staarde hij minutenlang wezenloos voor zich uit.

Vledder keek hem geschrokken aan.

‘Zie je een geest?’

De Cock knikte.

‘De geest van de moordenaar.’

De Cock voelde zich vreemd en gespannen. Hij hoopte vurig dat de plannen die hij had uitgedacht, zouden slagen. Maar hij was er niet gerust op. Degene die hij van de moorden verdacht, was, zo wist hij, sluw en sterk. De moordenaar had in het verleden blijk gegeven over een grote lichaamskracht te beschikken. Het was niet eenvoudig om een lijk over een deur heen aan een koord omhoog te trekken. Dat vergde een surplus aan spierbundels.

De grijze speurder vroeg zich af of de man de valstrik die hij had uitgezet, zou doorzien… Of hij werkelijk zou komen op het tijdstip dat De Cock voor geschikt had gehouden.

Zoals steeds in het verleden had hij de hulp ingeroepen van zijn collega-rechercheurs Fred Prins en Appie Keizer. Ze bleken onmiddellijk bereid om hem terzijde te staan.

Appie Keizer was enthousiast dat hij zich weer eens mocht verhullen in zijn vermomming van verdwaalde buitenman. Een vermomming die hem al dikwijls succes had gebracht. Op Fred Prins was De Cock bijzonder gesteld. De jongeman was intelligent, onverschrokken en zo sterk als een beer. De grijze speurder vertrouwde op hem wanneer het met de moordenaar tot een gevecht zou komen.

Met een portofoon had hij zijn beide collega’s op strategische plekken rondom het huis geposteerd.

Vledder, zijn trouwe hulp en metgezel, zat in de gezellige woonkeuken met uitzicht op de tuin. Daar was ook een deur die naar die tuin leidde. Het was de enige plek waar men via de achterzijde het huis kon binnendringen.

De Cock vermoedde dat de moordenaar gewoon met een sleutel via de voordeur het huis zou binnenkomen, maar hij wilde niets uitsluiten.

De grijze speurder keek naar Christina. Ze zat op zijn verzoek in de behandelkamer op de brede troon van lichtblauw fluweel. Haar gezicht zag bleek. Nerveus blikte ze om zich heen. Christina was gekleed in een lang bloedrood gewaad dat tot haar enkels reikte. De kraag en de zoom van het gewaad waren afgezet met blauw fluweel, waarop in wit geborduurd de twaalf tekens van de dierenriem. Het was eenzelfde gewaad waarin moeder Alida en haar dochters Angela en Beatrijs de dood vonden. De Cock blikte op zijn horloge. Het was bijna zover. De spanning kroop in zijn aderen, pulseerde in zijn hals en deed zijn hart sneller kloppen. Hij had dat steeds wanneer een ontknoping naderde.

De grijze speurder liep naar Christina op haar fluwelen troon met de baldakijn. Hij drukte met zijn vingertoppen op de rug van haar hand. Die hand was ijskoud.

‘Hoe voel je je?’ vroeg hij bezorgd.

Christina van Boskoop sloot haar ogen.

‘Ik ben bang en ril van ellende.’

Ze deed haar ogen weer open.

‘Hebben Beatrijs en de anderen ook zo gezeten terwijl hun moordenaar kwam?’

De Cock knikte.

‘Dat denk ik. Alleen wisten zij niet dat hun moordenaar kwam. Ze wachtten geduldig op een patiënt die hen op een ongebruikelijk tijdstip wilde consulteren.’

‘En die patiënt werd hun moordenaar?’

‘Precies.’

De mobilofoon in de binnenzak van zijn regenjas kraakte. ‘Vanaf de Melkmeisjesbrug nadert een man in een plastic regenjas.’

De Cock herkende de stem van Appie Keizer.

‘Hij draagt een bril.’

De oude rechercheur pakte zijn mobilofoon.

‘Dat is hem,’ antwoordde hij gejaagd. ‘Blijf hem voorzichtig volgen en waarschuw Fred Prins dat hij dichter naar het huis komt.’

De Cock keek naar Christina.

‘Hij komt eraan,’ sprak hij fluisterend. ‘Blijf op je troon zitten. Kom er onder geen voorwaarden vanaf. Op die troon ben je veilig.’

De oude rechercheur trok zich uit de behandelkamer terug. In de deuropening van de woonkeuken bleef hij staan. ‘Hij komt eraan,’ riep hij gedempt naar Vledder.

De jonge rechercheur kwam bij hem. Samen luisterden ze naar geluiden. Na enige minuten hoorden ze hoe het slot van de buitendeur werd opengedraaid, gevolgd door het piepen van scharnieren.

Ze wachtten nog enkele seconden en renden toen via de wachtkamer naar de behandelkamer. Christina gilde. Voor haar troon stond een man. Toen hij de beide rechercheurs in het oog kreeg, leek hij verdoofd. Het duurde maar even. Toen stormde hij in woeste vaart op hen af.

Vledder werd tegen de banken aan de kant van de wachtkamer geslingerd. De Cock struikelde, klauterde weer overeind en rende de man achterna. Midden op de rijbaan van de gracht probeerde de man aan Fred Prins voorbij te komen. In een f l y i n g t a c k l e maakte de jonge rechercheur een snoekduik naar de benen van de man. Beiden duikelden over het asfalt. Appie Keizer rende naderbij en liet zich op de man vallen. Met een houdgreep hield hij hem in bedwang.

In een koddige draf liep De Cock naar ze toe. Vledder kwam achter hem aan. De oude rechercheur boog zich over de weerloos geworden man en trok diens plastic regenjas open. Uit een zijzak van zijn colbert trok hij een wit katoenen koord, eindigend in een kunstig geknoopte strop. Daarna scheen hij de man met zijn zaklantaarn vol in het gezicht.

Vledder achter hem hijgde in zijn nek.

‘A nd r ies Kor rema n.’

De Cock knikte.

‘Man van Nanette en vader van de dode Elisa.’

Vledder trok zijn wenkbrauwen op.

‘Dode Elisa?’

De Cock doofde het licht van zijn zaklantaarn.

‘Ze stierf twee dagen geleden.’

Загрузка...