8

Aard van de Koperberg keek hem verbijsterd aan.

‘Vermoord… werd Alida van Boskoop vermoord?’ In zijn stem trilde ongeloof. ‘Allemachtig… het is toch niet waar?’ ‘Het is waar,’ antwoordde De Cock kalm. ‘We hebben haar ontzielde lichaam vanmiddag opgegraven.’

‘Verschrikkelijk.’

‘Dat verwachtte u toch?’

‘Wat?’

‘Dat ze was vermoord?’

‘Niet echt.’

De Cock keek hem niet-begrijpend aan.

‘U zei letterlijk: Alida is vermoord… door haar eigen dochters.’

Aard van de Koperberg liet zijn hoofd iets zakken.

‘Ik moet u een bekentenis doen.’ sprak hij timide. ‘Ik heb niet aan moord gedacht. In het geheel niet. Ik heb het vermoeden dat Alida door haar eigen dochters was vermoord alleen maar uitgesproken om u te bewegen een onderzoek naar haar verdwijning in te stellen.’

De Cock trok een vies gezicht.

‘U hebt mij wat voorgelogen?’

‘Ik was bang dat u geen aandacht aan de verdwijning van Alida zou schenken wanneer ik alleen maar haar vermissing meldde. Dat is voor u niet interessant genoeg, meende ik.’

‘Toen dacht u: kom, ik smijt er ook maar een moord tegenaan?’

Aard van de Koperberg keek naar hem op.

‘Dat klinkt cynisch.’

‘Zo is het ook bedoeld. Cynisch. Ik verwacht van een man van on-be-spro-ken gedrag, die zijn job in de makelaardij ge-voeglijk uitoefent, niet dat hij zonder enige grond valse beschuldigingen uit.’

‘Noemt u dat zo… valse beschuldigingen?’

‘Men zou het ook een lasterlijke aanklacht kunnen noemen,’ antwoordde De Cock fel. ‘Dat is een ernstig misdrijf. U annonceerde niet alleen een moord, u betichtte ook de dochters ervan dat zij voor die moord verantwoordelijk waren.’

‘Ik bied u mijn verontschuldiging aan.’

De Cock wierp hem een snelle blik toe.

‘Geaccepteerd,’ reageerde hij koel.

Aard van de Koperberg zuchtte.

‘Het was een opwelling. Ik heb er niet zo diep over nagedacht.’ De accolades rond de mond van De Cock plooiden zich tot een grijns.

‘Is dat zo?’

‘Ja.’

De Cock boog zich iets naar hem toe.

‘Ik ben het niet met u eens. Absoluut niet. U hebt wel degelijk goed nagedacht, heer Van de Koperberg,’ sprak hij zalvend. ‘U wist gisteravond heel goed wat u zei. Het was geen fopspeen om mij aan het werk te krijgen. U hebt beslist wel aan de mogelijkheid van moord gedacht en uw botte beschuldiging aan het adres van de dochters was weloverwogen.’

Aard van de Koperberg keek hem strijdlustig aan.

‘Dat kunt u niet waarmaken.’

‘Ik vraag mij alleen af,’ ging De Cock onverstoord verder, ‘wat de reden is van uw plotselinge ommezwaai. Is dat het gevolg van het feit dat Alida van Boskoop werkelijk vermoord blijkt te zijn?’

Aard van de Koperberg kneep zijn ogen even dicht. ‘Ik heb u gisteravond iets voorgelogen en daar heb ik nu spijt van.’

‘Door wie bent u inmiddels benaderd?’

‘Ik ben door niemand benaderd.’

‘Heer Van de Koperberg,’ sprak De Cock dwingend, ‘dit is mijn vak. Ik doe dit werk al jaren. En u bent een slechte leugenaar. Uw betoog mist de noodzakelijke overtuiging. U bent niet geloofwaardig genoeg.’

De grijze speurder pauzeerde even.

‘Daarom,’ ging hij verder, ‘herhaal ik nog eens: u hebt gisteravond wel degelijk aan moord gedacht. Het was geen loze kreet. U meende werkelijk dat Alida van Boskoop door moord om het leven was gekomen en u hebt daarbij wel degelijk de mogelijkheid overwogen dat die moord door haar dochters was gepleegd.’

De oude rechercheur boog zich nog verder naar de man toe. Zijn dicht bijeen staande donkere ogen waren pal bij. ‘Waar of niet?’ vroeg hij dwingend.

Aard van de Koperberg draaide zijn gezicht weg en knikte instemmend.

‘Waar.’

Het klonk als een zucht.

De Cock leunde achterover.

‘Nu concreet: waarom dacht u aan moord en beschuldigde u de dochters?’

‘Alida was bang voor haar dochters, haar moordzuchtige dochters.’

‘Moordzuchtig?’

‘Ik was niet de eerste man die Alida een huwelijksaanzoek deed. Ze was een bijzonder aantrekkelijke vrouw, een rijpere schoonheid. Er waren voor mij andere mannen die haar ten huwelijk hebben gevraagd.’

‘En?’

‘Ze is op al die huwelijksaanzoeken nooit ingegaan. Ze durfde niet.’

‘Waarom niet?’

‘Haar dochters dreigden haar te vermoorden wanneer ze dat wel deed.’

De Cock strekte zijn wijsvinger naar hem uit.

‘En uw huwelijksaanzoek?’

Aard van de Koperberg knikte traag.

‘Alida heeft een huwelijk met mij ernstig in overweging genomen. Het werd haar dood.’

Toen De Cock de volgende morgen na een verkwikkende nachtrust de grote recherchekamer van het bureau Warmoesstraat binnenstapte, trof hij Vledder achter zijn elektronische schrijfmachine.

De grijze speurder wierp missend zijn oude hoedje naar de kapstok, hing zijn natte regenjas op en raapte zijn hoedje van de vloer. Met een brede lach op zijn gezicht liep hij naar zijn jonge collega.

‘IJverig?’

Vledder keek op.

‘Je kunt mij niet van gebrek aan vlijt betichten.’

‘Nee, Dick, zeker niet.’

Vledder wees naar zijn schrijfmachine.

‘Ik ben bezig om het verhaal van Aard van de Koperberg op papier te zetten. Een hele klus. Er zijn bij mij toch een paar vragen overgebleven.’

‘Zoals?’

‘Aard van de Koperberg beweert dat hij aanvankelijk op zijn eerste beschuldiging is teruggekomen omdat hij, net als moeder Alida, bang was voor de dochters. Daarom zei hij dat zijn beschuldiging een leugen was om ons tot activiteit te dwingen. Mijn vraag: waarom was hij niet bang op het moment dat hij de beschudiging deed… en later wel?’

De Cock glimlachte.

‘Ik geloof dat ik dat begrijp. Toen hij gisteravond bij ons kwam en ik hem vertelde dat Alida van Boskoop was vermoord, speelde hij theater. Ik voelde dat vrijwel onmiddellijk aan. Hij wist op dat moment al dat Alida om het leven was gekomen en hoe dat gebeurde. Angela had hem dat verteld en hem verder uitdrukkelijk te verstaan gegeven dat zij hem nooit meer op de Brouwersgracht wilde zien.’

‘Maakte dat zoveel indruk?’

‘Blijkbaar. Hij heeft dat als een vorm van bedreiging gevoeld.’ ‘Er klopt toch iets niet,’ sprak Vledder opstandig. ‘De dochters zouden moeder Alida met de dood hebben bedreigd wanneer ze, met wie dan ook, in het huwelijk zou treden. Ze zouden bang zijn geweest om hun moeder als grote bron van inkomsten kwijt te raken. Wel… moord heeft toch hetzelfde effect?’ De Cock knikte hem bemoedigend toe.

‘Een knappe analyse. Heb je Aard van de Koperberg al eens nagetrokken?’

Vledder knikte.

‘Hij heeft een blanco strafblad en de door hem beheerde makelaardij heeft een goede naam.’

‘Ik hoop voor hem dat de pijnen in zijn benen niet terugkomen.’

Vledder keek hem verwijtend aan.

‘De pijnen in zijn benen interesseren mij geen zier. Wat doen we met hem?’

De Cock keek hem verrast aan.

‘Niets… voorlopig. Als we er binnen een week niet uitkomen, verhoren we hem opnieuw.’

‘En wat doen we met de dochters? Als we Aard van de Koperberg mogen geloven, hebben ze wel degelijk een motief.’ ‘Wat ben je ongeduldig in deze zaak,’ riep De Cock geprikkeld. ‘Je kunt niet overal direct op af springen. Dat is paniekrecherche.’

De oude rechercheur stak zijn wijsvinger omhoog.

‘Begrijp goed: van het mogelijke feit dat de dochters hun moeder hebben gedreigd haar te vermoorden als ze een huwelijk zou aangaan, is maar één getuige… de moeder zelf. En die is dood.’

‘Ze vertelde het aan Van de Koperberg.’

‘Sprak ze de waarheid? Spreekt Van de Koperberg de waarheid? Als de dochters werkelijk bij de dood van hun moeder zijn betrokken en ze vormen een gesloten front, dan krijgen wij het nog knap lastig. Ik vertrouw een beetje op Christina.’ ‘Hoezo?’

‘Zij was bereid ons in het Speulder- en Sprielderbos het graf van haar moeder te wijzen. En geloof me, dat was tegen de wil van Angela en Beatrijs in.’

Vledder sloeg geschrokken zijn hand voor zijn mond. ‘Ik was het vergeten.’

‘Wat?’

‘Je moet bij Buitendam komen.’

Commissaris Buitendam, de lange statige chef van het politiebureau aan de Amsterdamse Warmoesstraat, wenkte met een slanke hand naar de stoel voor zijn bureau.

‘Ga zitten, De Cock,’ sprak hij geaffecteerd. ‘Er bereiken mij verwarrende berichten. Mensen bellen mij, zoeken mij thuis op. Vertel mij eens, waar zijn jij en Vledder mee bezig?’ ‘Moord.’

Buitendam glimlachte.

‘Uiteraard… moord.’ Hij wees opnieuw naar de stoel. ‘Maar ga toch zitten.’

Rechercheur De Cock nam wat onwillig plaats. Het liefst bleef hij tijdens een onderhoud met Buitendam staan. Dan voelde hij zich sterker. Hij had geen hekel aan zijn commissaris. Dat niet. Maar hij bezag hem toch altijd met enige argwaan.

Zolang de politiechef de zaken ongemoeid liet, waren er geen spanningen. De botsingen ontstonden wanneer de commissaris meende dat het gedrag van De Cock enige correctie behoefde. Eerst dan werd de oude rechercheur opstandig en onhandelbaar en soms zelfs onredelijk. De volle vrijheid om bij het rechercheren naar eigen inzicht te handelen, was hem dierbaar. Elke betutteling, elke beknotting van zijn vrijheid beschouwde hij als een aantasting van zijn persoon, een smet op zijn kundigheid als speurder.

Buitendam glimlachte opnieuw. Beminnelijk.

‘Heeft de moord die jullie nu behandelen iets van doen met de verdwijning van een vrouw, waarover een man mij eergisteravond laat nog belde?’

‘Aard van de Koperberg.’

Buitendam knikte.

‘Inderdaad ene Aard van de Koperberg. Hij meende enige desinteresse bij jullie te bespeuren en was bang dat jij niet voldoende aandacht aan de verdwijning van de vrouw zou besteden.’ ‘Ik toon nooit desinteresse.’

‘En die verdwenen vrouw blijkt vermoord?’ vroeg Buitendam verder, de opmerking negerend.

‘Precies.’

‘Zij was een chiromantiste?’

De Cock voelde een lichte tinteling van woede in de toppen van zijn vingers. De opening van de commissaris beviel hem niet. ‘Hoewel wij nog niets hebben verbaliseerd,’ sprak hij met een ondertoon van argwaan, ‘bent u goed geïnformeerd. Inderdaad zij was een chiromantiste, een vreemd woord voor een handlijnkundige. Ze hield consult in haar huis aan de Brouwersgracht.’ Commissaris Buitendam strekte zijn rug.

‘Haar oudste dochter, Angela, heeft mij gisteravond op mijn privé-adres bezocht. Ik vond dat hoogst onaangenaam.’ ‘Hebt u haar ontvangen?’

‘Ja.’

‘Dat had u niet moeten doen.’

Buitendam negeerde ook deze opmerking.

‘Ze heeft zich over jou beklaagd. Je bent volgens haar, en dat is ook mijn mening, je bevoegdheden ver te buiten gegaan.’ De Cock veinsde onbegrip.

‘In welk opzicht?’

‘Je bent aan de Brouwersgracht in de wachtkamer van de chiromantiste gaan zitten en hebt met consultanten gesproken zonder dat jij je als politieambtenaar bekend hebt gemaakt.’ ‘Ik heb alleen met een oude man over zijn flatulentie, zijn winderigheid gesproken.’

Buitendam boog zich over een notitie op zijn bureau. ‘Jij hebt je aan de deur als consultant gepresenteerd en je hebt Vledder voorgesteld als jouw zoon.’

De oude rechercheur glimlachte.

‘Er zijn momenten dat ik hem als ware hij mijn eigen zoon bevoogd.’

Buitendam schudde zijn hoofd.

‘Dat kan niet. Op die manier mag je je niet presenteren. Je hebt geen bevoegdheid als undercoveragent. De mensen met wie wij te maken krijgen, hebben het recht om te weten wie ze voor zich hebben.’

‘Op het moment dat Angela van Boskoop mijn hand vroeg om haar consult te beginnen, heb ik mij als rechercheur kenbaar gemaakt. Er is geen sprake van een overschrijding van mijn bevoegdheden.’

Commissaris Buitendam kneep zijn lippen opeen.

‘Je hebt niet met open vizier gestreden.’

Het bloed in de aderen van De Cock kwam in een stroomversnelling.

‘Wat is dat voor een flauwe opmerking… open vizier. We leven niet meer in een romantische riddertijd. Als ik bij elke actie als rechercheur volgens de enge bepalingen van het Wetboek van Strafvordering te werk ging, loste ik geen enkele zaak op.’ ‘Ik vind jouw gedrag laakbaar.’

‘Ik volg de weg van mijn geweten.’

‘Een ruim geweten.’

De Cock stond op. Zijn bloed naderde het kookpunt. ‘U profiteert toch mede van mijn… eh, mijn zogeheten laakbaar gedrag, van de rek van mijn geweten. U wordt toch mede beoordeeld op basis van de vele moorden die ik, zogenaamd, onder uw leiding heb opgelost? Wanneer ik als rechercheur tot nu toe niet zo succesvol was geweest, dan had men u als een incompetent politiechef allang de laan uitgestuurd.’ Het bleke gezicht van Buitendam kleurde dieprood. Een zenuwtrek zwiepte langs zijn kaken. Zijn lippen trilden. Met gestrekte arm wees hij naar de deur.

‘Eruit!’

De Cock ging.

Vledder las de woede op het gezicht van De Cock.

‘Was het weer zover?’

De Cock knikte.

‘Angela van Boskoop heeft Buitendam thuis opgezocht en zich over mij beklaagd. Ik had mij niet netjes als politieambtenaar gepresenteerd. Ik had in de hoedanigheid van consultant in de wachtkamer plaatsgenomen en met andere consultanten gesproken. Dat was volgens Angela laakbaar en Buitendam deelde dat inzicht.’ Vledder grinnikte

‘Dat inzicht deel ik ook. Ik heb jou in de loop der jaren de gekste dingen zien uitspoken: deuren openen, inbreken, uitlokken. Ik ben echt wel wat gewend, maar dit was echt een zotte vertoning.’ De Cock keek hem verrast aan.

‘Begin jij ook al?’

Vledder lachte.

‘Ik zal mij niet over jou beklagen. Integendeel, ik ga nog steeds graag met je op pad. Maar wat kun je anders van Buitendam verwachten dan dat hij jou berispt? Dat is zijn taak.’ De Cock knikte. De woede zakte uit hem weg.

‘Ik kan er niets aan doen. Soms werkt die man op mij als een rode lap op een stier. Ik probeer alleen mijn werk zo goed mogelijk te doen.’

‘En dan duld je geen kritiek.’

‘Precies.’

Vledder schoof een notitie naar zich toe.

‘Ik heb moeder Van Boskoop en haar drie dochters eens opgevraagd bij de burgerlijke stand en bij het bevolkingsregister.’ ‘En?’

‘Van Alida van Boskoop is geen huwelijk bekend. Ze is achtenveertig jaar geleden in Putten geboren. Beatrijs was inderdaad gehuwd met Patrick Nederveldt. Angela was gehuwd met ene Albertus de Graaf.’

De Cock knikte.

‘Rooie Bertus, de kleine kluisjesman.’

Vledder las verder.

‘En Christina was gehuwd met Alexander Minnedorper.’ De Cock fronste zijn wenkbrauwen.

‘A-lexa-nder Min-nedor-per?’

Vledder tikte op zijn notitie.

‘Zo heet hij.’

De Cock kauwde nadenkend op zijn onderlip.

‘Alexander Minnedorper is een advocaat, een bekend strafpleiter met… eh, met een niet zo’n beste reputatie.’

Vledder trok zijn schouders op.

‘De huwelijken hebben alledrie maar kort geduurd. Niet langer dan hooguit twee jaar.’

De telefoon op het bureau van De Cock rinkelde.

Vledder boog zich voorover en greep de hoorn.

De Cock keek naar hem op en zag hoe het gezicht van de jonge rechercheur verbleekte.

Na luttele seconden legde hij de hoorn op het toestel terug. ‘Het… eh, het was Beatrijs.’

De Cock spreidde zijn handen.

‘Wat had ze?’

Vledder slikte.

‘Ze heeft Angela gevonden… hangend aan de deur naar de behandelkamer.’

Загрузка...