Vledder greep in verwarring De Cock bij zijn arm vast. ‘Is… eh, is ze dood?’ stamelde hij.
De Cock antwoordde niet direct. Hij voelde aan de hand van Beatrijs, die slap langs haar lichaam hing. Daarna knikte hij traag voor zich uit.
‘Zonder enige twijfel. Maar nog niet zo lang. Haar lichaamstemperatuur is weinig gezakt.’
‘Wat moeten we doen?’
‘Hoe bedoel je?’
‘We kunnen hier toch geen lijk vinden?’
De Cock wees omhoog.
‘Ze hangt daar wel… compleet in het fraaie bloedrode gewaad met de twaalf tekens van de dierenriem.’
Het klonk cynisch.
Vledder schudde vertwijfeld zijn hoofd.
‘Als wij officieel melding maken van het vinden van dit lijk,’ sprak hij verdrietig, ‘kunnen we meteen ons ontslag aanbieden.’
‘Ik bied geen ontslag aan,’ reageerde De Cock met een grijns op zijn gezicht. ‘Als ze mij kwijt willen, zullen ze mij uit de dienst moeten schoppen.’
Vledder jammerde verder.
‘Ik heb al zo vaak tegen je gezegd dat wij niet zomaar ergens kunnen binnendringen. Je kunt nooit inschatten voor welke verrassingen je komt te staan.’
De Cock lette niet op de jammerklachten van zijn jonge collega. Het raderwerk van zijn denken draaide op volle toeren. De dood van Beatrijs had hem verrast. Een aanslag op haar had hij niet verwacht. Het paste niet in de motieven die hij kende. Hij stootte Vledder in het donker aan.
‘Heb je een floppy?’ vroeg hij koel.
‘Ik heb er vijf bij me gestoken.’
De oude rechercheur richtte het licht van zijn zaklantaarn op de computer.
‘Kopieer het bestand.’
‘En dan?’
De Cock sloot even zijn beide ogen.
‘Dan verdwijnen we.’
‘En dat lijk?’
‘Dat laten we hangen. Of wil je het onder je arm meenemen?’ Vledder zuchtte.
‘Doe niet zo vervelend. Natuurlijk wil ik dat lijk niet meenemen. Ik ben alleen bang voor de gevolgen. Als iemand dit te weten komt…’
Hij maakte zijn zin niet af.
De Cock legde vertrouwelijk een hand op de schouder van zijn jonge collega.
‘Ik neem aan,’ sprak hij geruststellend, ‘dat morgenochtend zuster Christina uit het Speulder- en Sprielderbos komt. Die zal Beatrijs hier vinden. Na enige vertraging door paniek zal ze ons van haar ontdekking berichten. Dan komen wij geschrokken aangesneld en starten ons onderzoek.’
Vledder keek hem in het donker aan.
‘Zo simpel?’
De Cock knikte instemmend.
‘Zo simpel. Zorg er voor de zekerheid voor dat je geen vingerafdrukken achterlaat die onze dactyloscoop later terug kan vinden.’
‘Jij verwacht verder geen problemen?’
‘Wat voor problemen?’
‘Weet ik niet.’
De Cock zuchtte.
‘Begin nu maar!’ riep hij geïrriteerd.
Vledder zette de computer aan. Het duurde enige tijd voor er tekst op het scherm verscheen.
‘Heb je nog voorkeuren?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Ik wil alles.’
Met zijn zaklantaarn bescheen de grijze speurder het gezicht van de dode Beatrijs. Het beeld was vrijwel identiek. Zo had hij ook Angela zien hangen. Hij kneep zijn lippen op elkaar. ‘Stomme meiden,’ siste hij tussen zijn tanden. ‘Onbegrijpelijk. Ze hadden na de dood van Angela de tent moeten sluiten.’ Vledder draaide zich half om.
‘Wat zei je?’
De Cock bromde:
‘Niets… niets bijzonders. Ik mompelde iets in mijzelf. Dat krijg je als je wat ouder wordt. Schiet op met die idiote floppy’s van je. Ik bivakkeer niet graag in de nabijheid van lijken. En elke seconde die wij hier langer blijven, levert gevaar op.’ In het bleke schijnsel van het computerscherm knikte Vledder. ‘Ik ben zo klaar.’
De Cock liep op hem toe.
‘Ik wil nog even naar Smalle Lowietje.’
‘Voor een cognackie?’
De Cock knikte.
‘Ook,’ antwoordde hij kort. ‘Maar ik wil het adres van Rooie Bertus… kijken of hij nog meer van dat katoenen koord in voorraad heeft.’
De oude rechercheur legde opnieuw zijn hand op de schouder van Vledder.
‘Ik ben bang dat je Patrick Nederveldt van het lijstje van je verdachten kunt schrappen.’
‘Waarom?’
De Cock bracht zijn gezicht in een ernstige plooi.
‘Hij hield van zijn Beatrijs.’
De Cock had moeie voeten.
Met zijn broekspijpen tot aan zijn knieën opgerold stak hij zijn behaarde, witbleke benen in een emmer dampend water. Parelend bruiszout uit een tabletje kriebelde tussen zijn tenen. Voorovergebogen en met een van pijn vertrokken gezicht streek hij met zijn handen langs zijn enkels. Het leek hem toe dat een legioen venijnige duiveltjes met lange scherpe naalden in de bollen van zijn kuiten prikte. De pijn gaf hem een onbehaaglijk gevoel van verslagenheid. Hij wist wat die pijn betekende. Wanneer een onderzoek slecht verliep, wanneer hij het idee had steeds verder van de oplossing weg te drijven, togen die venijnige duiveltjes ten aanval en voelde hij zijn voeten.
Hij blikte schuin omhoog naar zijn vrouw, die hem met een meelijwekkend lachje bekeek.
‘Moet er nog wat warm water bij?’ vroeg ze bezorgd. De Cock schudde heftig zijn hoofd.
‘Ik heb geen varkenspootjes,’ riep hij knorrig. ‘Ik heb nu al het gevoel dat je mijn voeten straks met mes en vork kunt opdienen.’
Mevrouw De Cock lachte. Ze kende de stemmingen van haar man en wist dat zijn slechte humeur meer met zijn werk dan met zijn voeten te maken had.
‘Ben je er nog niet uit?’ vroeg ze liefjes.
De grijze speurder zuchtte diep. Hij tilde zijn linkerbeen iets op en keek toe hoe van zijn hiel een straaltje water in de emmer terugliep.
‘Ik heb de halve nacht achter Rooie Bertus aangehold. Telkens als ik ergens kwam, was hij net vertrokken.’
‘Wie is Rooie Bertus?’
‘Een gewiekste kraker van bankkluisjes. Hij was met Angela, een van de dochters van de vermoorde chiromantiste, getrouwd.’
‘Jij verdenkt hem?’
‘Hij is een mogelijke verdachte. Volgens Smalle Lowietje was hij op vakantie in Spanje, maar volgens andere inlichtingen verbleef hij nog steeds in de omgeving van de Wallen.’ ‘Denk je dat Smalle Lowietje jou iets heeft voorgelogen?’ De Cock schudde zijn hoofd.
‘Ik heb Smalle Lowietje nog nooit op een leugen kunnen betrappen. Ik denk eerder dat het een spelletje is van Rooie Bertus. Hij weet dat ik wel eens via de caféhouder aan informatie kom.’
De oude rechercheur glimlachte.
‘Het doet mij denken aan Handige Henkie. Die stuurde mij eens een ansichtkaart uit Spanje met de tekst: ik lig hier lekker in de zon. Intussen pleegde hij in Amsterdam en omgeving een paar fikse inbraken. De ansichtkaart had hij door een vriend in Spanje laten posten.’
‘En jij dacht dat hij in Spanje zat?’
‘Ik ben er pas later achtergekomen dat hij mij had belazerd.’ ‘Is die Rooie Bertus het type van een moordenaar?’ De Cock glimlachte beminnelijk.
‘Niemand wordt als moordenaar geboren. Het leven bepaalt wie het later wordt. Dat is onvoorspelbaar.’ Hij zweeg even. De vriendelijk accolades rond zijn mond dansten vrolijk. ‘Ik heb buiten hun gruwelijk handwerk tegen moordenaars maar één bezwaar: ze hebben zulke alledaagse gezichten.’
Toen De Cock die morgen de grote recherchekamer aan de Warmoesstraat binnenstapte, keek de jonge rechercheur hem verwijtend aan.
‘Wat ben je laat,’ riep hij bestraffend. ‘Ik dacht dat je vandaag niet meer zou komen.’
De Cock ging tegenover hem zitten.
‘Ik kreeg weer eens last van moeie voeten. Ik stond net op het punt om naar de Kit te gaan. Ik heb ze nu thuis eerst even in warm water laten weken tot de pijn uit mijn kuiten trok.’ ‘Probeer eens een extract van kamille met een snuifje zeezout.’
‘Het recept van Alida van Boskoop.’
‘Aard van de Koperberg had er baat bij.’
‘Ik zal het eens proberen. Maar dagelijks een bad zie ik niet zo zitten.’
Hij keek zijn jonge collega onderzoekend aan.
‘Al bekomen van de schrik van gisteravond?’
‘Ik had het wel even benauwd. Ik ben in die dingen niet zo koel als jij.’
‘Maar het is over?’
Vledder zuchtte.
‘Ik wacht gespannen op een telefoontje vanuit de Brouwersgracht.’
De Cock keek naar de grote klok boven de deur van de recherchekamer.
‘Nog niets gehoord?’
‘Niets. En het begint toch langzamerhand tijd te worden.’ De jonge rechercheur trok een lade van zijn bureau open en nam daaruit een pak papier. Met een grijns op zijn gezicht reikte hij het De Cock aan.
‘Ik heb van het totale bestand van de computer aan de Brouwersgracht vanmorgen vroeg een uitdraai gemaakt.’ De Cock bekeek de stapel.
‘Zoveel?’
‘Ze had heel veel patiënten.’
‘Heb jij het al doorgenomen?’
‘Ik zie er niets in,’ sprak Vledder ontmoedigd. ‘Ik heb er even in gebladerd. Het zijn aantekeningen over patiënten, hun kwalen en de adviezen die de chiromantiste voor de genezing heeft gegegeven.’
‘Kamille en een snuifje zeezout.’
‘Zoiets.’
De telefoon op het bureau van De Cock rinkelde. Vledder boog zich naar voren en nam de hoorn op. Hij luisterde enige seconden en legde toen de hoorn op het toestel terug.
‘Het was Christina,’ sprak Vledder hees. ‘Ze heeft de dode Beatrijs gevonden.’
De Cock knikte begrijpend. Hij strekte zijn wijsvinger naar zijn jonge collega uit.
‘Jij gaat naar de Brouwersgracht. Alleen. Ik ga niet met je mee. Je kent de procedure, weet waar je op letten moet. Pas op dat je je niet verspreekt. Je ziet de dode Beatrijs voor het eerst.’ Vledder slikte.
‘En wat doe jij?’
De Cock wees naar de stapel papier voor zich op zijn bureau. ‘Lezen.’
De Cock schoof de stapel papier naar zich toe. Hij wist niet precies waarnaar hij zocht. Uiteraard waren de gegevens omtrent Albertus de Graaf en Alexander Minnedorper voor hem belangrijk. Maar hij verwachtte meer: aanwijzingen die hem uiteindelijk naar de moordenaar of moordenares moesten leiden. Hij vertrouwde daarbij op zijn intuïtie, op zijn kennis, op zijn rijke ervaring in het wereldje van de misdaad. Zo gespannen volgde de grijze speurder de tekst, dat hij niet bemerkte dat iemand naast zijn bureau kwam staan. Hij keek gestoord op en herkende Rooie Bertus. Haastig schoof hij de stapel papier in een lade. ‘Welkom.’
Rooie Bertus liet zich op de stoel naast zijn bureau zakken. ‘U schijnt belangstelling voor mij te hebben? Ik hoor het van alle kanten.’
De Cock glimlachte.
‘Ik dacht dat je in Spanje zat.’
Rooie Bertus grijnsde.
‘Mijn vliegtuig gaat vanmiddag. Daarom heb ik er gisteren maar een jolige avond en nacht van gemaakt. Toen ik hoorde dat u naar mij had gevraagd, besloot ik mij maar even te melden, voordat een stel rechercheurs mij op Schiphol staat op te wachten en ik mijn boeking kan vergeten.’
‘Hoe groot acht je die mogelijkheid?’
‘Wat bedoelt u?’
‘Dat een stel rechercheurs je op Schiphol staat op te wachten.’ Rooie Bertus spreidde zijn handen.
‘De Cock, ik ben niet dom. Alida van Boskoop is vermoord, Angela, die ex van mij, is de pijp uit. Ik kan mij best voorstellen dat u op bepaalde gedachten komt.’
‘Zoals?’
‘Laten we geen verstoppertje spelen. Iedereen weet dat ik een bloedhekel aan die twee vrouwen had. Wat ze mij hebben geflikt is ongelooflijk. Het zit erin dat je door een of andere gabber wordt verlinkt, maar door je eigen vrouw…’
‘Hoe heb je haar leren kennen?’
‘Ik had een makke*. U weet hoe ik aan poen kom?’
‘Het kraken van bankkluisjes.’
‘Dat betekent uren en nog eens uren opgesloten zitten en niet weten of je er met de poen die je hebt vergaard op tijd weer uitkomt. Geloof me, dat vreet aan je. Ik had op het laatst een fobie.’
* Bargoens voor een gebrek of kwaal.
‘Een wat?’
‘Een fobie. Een claustrofobie. Engtevrees, bang om in kleine ruimten te vertoeven. Ik kon mijn werk als kluisjesman niet meer aan.’
De Cock knikte begrijpend.
‘Toen ben je met je makke naar de chiromantiste aan de Brouwersgracht gegaan.’
‘Dat wijf had mij direct door. Ze vroeg hoe ik aan mijn makke kwam.’
De Cock keek hem verwijtend aan.
‘Toen heb je haar verteld dat jij de succesvolle kleine kluisjeman was.’
Rooie Bertus sloeg met de palm van zijn hand tegen zijn voorhoofd.
‘Stom. Ik had een smoes moeten verzinnen, maar dat wijf had me onmiddellijk in haar macht. Het was net alsof ze dwars door me heen keek. Toen ik haar vertelde dat ik nog vrijgezel was, kwam ze met Angela op de proppen, een bloedmooie meid. Ik was verkocht… direct stapelverliefd.’
‘Hoe hebben die twee wijven jou je geld afhandig gemaakt?’ Rooie Bertus schonk hem een matte glimlach.
‘Een van de voorwaarden voor ons huwelijk was, dat ik de toekomst van Angela veilig moest stellen.’
De Cock fronste zijn wenkbrauwen.
‘Jij moest haar toekomst veiligstellen?’
Rooie Bertus knikte.
‘Ik stortte geld op de privé-rekening van Angela. Zoveel ik kon.’
‘Tot je blut was?’
‘Zo ongeveer.’
‘Wie deed aangifte bij de politie?’
‘Angela. Ik had haar, om stoer te doen, zoveel bijzonderheden verteld, zoveel details over hoe ik die kluisjeskraken deed, dat het voor de recherche niet moeilijk meer was om de bewijslast tegen mij rond te krijgen.’
De Cock schudde vertwijfeld zijn hoofd.
‘Ik heb nooit gedacht dat je zo’n hannes was.’
‘Het komt door die meid… en haar moeder. Ze stuurden mij de bajes in terwijl ze wisten dat ik aan claustrofobie leed. Ze hebben vast gehoopt dat ik er kapot aan zou gaan.’
‘Je ging niet kapot.’
Rooie Bertus schudde zijn hoofd.
‘Het gekke is, dat het in de bajes over ging. Het kon me op het laatst niet meer schelen of ze de celdeur achter mij sloten.’ ‘En toen je los kwam?’
‘In de bajes heb ik mezelf bezworen dat ik die twee koud zou maken, maar toen ik weer vrij was en de vrijheid proefde, bekroop me de angst om opnieuw te worden opgesloten.’ ‘Je bent niet tot een wraakoefening gekomen?’
Rooie Bertus boog zich iets naar voren.
‘U hoeft mij niet op mijn eerlijke gezicht te geloven. En zover ik u ken, doet u dat ook niet. Maar ik bezweer u bij het leven van mijn oude moeder, dat ik die twee vrouwen niet heb omgebracht.’ Rooie Bertus zuchtte omstandig.
‘Als u mij mijn reisje naar Spanje misgunt, dan houdt u mij vast. Ik kan er weinig tegen inbrengen. Als ik in uw schoenen stond, dan zou ik waarschijnlijk de celdeur voor me openhouden.’ De Cock glimlachte.
‘Mijn schoenen passen jou niet.’
De oude rechercheur plukte aan het puntje van zijn neus. ‘Had je in de tijd dat je met Angela was getrouwd, wel eens contact met Alexander Minnedorper?’
‘Alexander Minnedorper, dat is een ploert, van de ratten besnuffeld. Ik ben er pas later achtergekomen wat hij mij heeft geflikt.’ ‘Wat?’
Rooie Bertus brieste.
‘Hij adviseerde Alida van Boskoop om van mij geld te vragen om de toekomst van haar dochter Angela veilig te stellen en hij adviseerde Angela om aangifte tegen mij te doen en om haar huwelijk met mij te ontbinden.’
Rooie Bertus stond op.
‘Als u vandaag of morgen Alexander Minnedorper met een kogel in zijn kop vindt, mag u mij ophalen.’