3

Toen ze het politiebureau verlieten, regende het zachtjes. Een fijne miezerige motregen, die traag en loom uit een loodgrijze hemel zakte. Vledder knoopte zijn jack dicht, huiverde en mompelde een verwensing. ‘Zomer,’ gromde hij. ‘Wij hebben het sinds de eenentwintigste juni nog geen uur droog gehad.’ De Cock legde zijn hand op zijn hoedje en keek langs de gevel van het politiebureau omhoog. Het wolkendek was zo dicht, dat het hem leek of de zon in het oude Amsterdam voor de rest van de eeuw niet meer zou schijnen.

De beide rechercheurs liepen vanuit de Warmoesstraat naar de Oudebrugsteeg en staken in draf voor een aanstormende tram van lijn 9 de rijbaan van het Damrak over. Op het brede trottoir speelde een met bruin zeildoek afgedekt draaiorgel Vluchten kan niet meer, een droevig lied over een verloren toekomst.

De Cock bleef even hijgend staan. Toen zijn ademhaling weer op peil was, stortte hij gul een gulden in het mansbakje. Tegen de stroom voetgangers in sjokte hij met Vledder op zijn hielen in de richting van het Centraal-Station. Via de Haringpakkerssteeg liepen ze naar de Nieuwendijk.

De Cock trok de kraag van zijn regenjas omhoog en likte met het puntje van zijn tong een regendruppel van zijn neus. Hij blikte opzij.

‘Wie zegt dat zij onsterfelijk is?’

Vledder grinnikte.

‘Alida van Boskoop zelf… in dat interview.’

‘Zegt ze ook waarom… waardoor?’

‘Volgens haar op last van Onze-Lieve-Heer, met de persoonlijke opdracht om voor eeuwig en altijd van Hem te getuigen.’ De Cock schudde zijn hoofd.

‘Waanzin,’ sprak hij afkeurend. ‘Pure waanzin. Men zou die Alida van Boskoop voor godslastering moeten vervolgen. Zij is ook niet de eerste die van zichzelf profeteert onsterfelijk te zijn. En ik vrees dat na haar nog velen zullen volgen.’

‘Bestaat dat nog… godslastering?’

De Cock knikte nadrukkelijk.

‘Het is zelfs een misdrijf. Maar ik kan mij niet herinneren dat wij daar ooit een proces-verbaal voor hebben opgemaakt.’ Vledder grinnikte.

‘Die onsterfelijkheid van Alida van Boskoop is nog niet alles. Puttend uit Zijn kracht, zo staat in dat interview, acht zij zich in staat om dezelfde wonderen te verrichten die Onze-Lieve-Heer deed toen hij op aarde was.’

‘Bijvoorbeeld: doden tot leven wekken?’

Vledder schudde zijn hoofd.

‘Dat stond niet zo uitdrukkelijk in dat interview, maar ik acht het heel goed mogelijk dat Alida van Boskoop — gezien de bijzondere geneeskundige gaven, die zij zichzelf toedicht — meent dat zij de dood kan overwinnen.’

De Cock knikte voor zich uit.

‘On-ster-fe-lijk’, verzuchtte hij. ‘Zelf… en door haar… ook anderen?’

Vledder trok zijn schouders op.

‘In dat interview spreekt ze alleen over haar eigen eeuwigheid, maar je proeft uit haar woorden dat ze niet uitsluit dat zij ook anderen onsterfelijk kan maken.’

De jonge rechercheur blikte even opzij.

‘Zouden er mensen zijn die dat van haar geloven?’

‘Stellig.’

‘Krankzinnig.’

‘Met deze vorm van krankzinnigheid,’ sprak De Cock traag, ‘moet men heel erg voorzichtig zijn. Het is verbazingwekkend hoeveel mensen bereid zijn te geloven. Denk maar eens aan de collectieve zelfmoorden van sekteleden in Amerika.’ De oude rechercheur zweeg even.

‘Een gevaarlijk mens die Alida van Boskoop… voor zichzelf. En wanneer die in haar illusies geloven… ook voor anderen. Als haar dochters net zo zijn, dan staat ons straks nog wat te wachten.’

Vledder gniffelde.

‘Het AaBeeCee.’

De Cock keek hem niet-begrijpend aan.

‘Aa BeeCee?’

Vledder knikte.

‘Angela, Beatrijs en Christina.’

‘Zo heten ze?’

‘Ja.’

‘Ben je over hen nog iets te weten gekomen? Ik bedoel, buiten hetgeen hun moeder in dat interview van hen heeft beweerd?’ Vledder schudde zijn hoofd.

‘In onze politie administratie komen ze niet voor.’

‘Getrouwd… kinderen… een eigen onderkomen?’

‘Ik heb nog geen tijd gehad om het bevolkingsregister over hen te raadplegen. Ik heb alleen geïnformeerd of Alida van Boskoop officieel nog leeft.’

‘En?’

‘Ze leeft.’

De rechercheurs slenterden de Nieuwendijk af, liepen over de Haarlemmersluis en stapten via de Singel naar de Brouwersgracht.

De jonge rechercheur schoof de mouw van zijn jack iets omhoog en keek op zijn horloge.

‘We moeten voortmaken.’

‘Waarom?’

‘Over een kwartier begint haar spreekuur.’

‘Spreekuur?’

Vledder knikte.

‘De chiromantiste is dagelijks van tien tot elf uur dertig te consulteren.’

Brouwersgracht 1180 was een statig oud grachtenpand met een sierlijke klokgevel en uitbundige festoenen boven de ramen. De zware toegangsdeur met drie panelen was diepgroen met in het midden op ooghoogte een vergulde korf voor een minuscuul kijkraampje.

De Cock gleed met zijn wijsvinger over een koperen naambord met Alida van Boskoop — Hippocratine — Chiromantiste in zwarte verzonken schrijfletters.

‘Indrukwekkend,’ mompelde hij binnensmonds.

Naast het imposante naambord drukte de grijze speurder op een koperen bouton. Ver weg in het inwendige van het huis klonk het dreunen van een gong.

Het duurde zeker een minuut voor het kijkraampje even werd beroerd. Kort daarna werd de deur voor meer dan de helft opengedaan door een knappe jonge vrouw met een olijfkleurige huid en glanzende donkere ogen. Haar lange zwarte haren waren strak naar achteren gekamd en eindigden in een wrong. Ze droeg een lang bloedrood gewaad, dat tot op haar enkels reikte. De kraag en de zoom van het gewaad waren afgezet met blauw fluweel, waarop in wit geborduurd de twaalf tekens van de dierenriem.

De Cock schonk haar een beminnelijke glimlach en nam beleefd zijn hoedje af.

‘Mijn naam is…’ De oude rechercheur stokte plotseling. Hij zette zijn hoedje weer op, zijn glimlach vergleed en zijn gezicht versomberde.

‘Ik… eh, ik heb last van moeie voeten,’ sprak hij aarzelend. ‘Mijn huisdokter zegt dat daar niets aan is te doen. Hij noemt het slijtage.’

Hij grinnikte vreugdeloos.

‘Volgens mij noemt hij alles slijtage… een haperend hart, slechte nieren, een gekrompen lever… slijtage.’

De Cock zweeg even. Veranderde van toon.

‘Iemand die veel baat bij haar heeft gevonden, raadde mij aan om mevrouw Van Boskoop eens te consulteren.’

De oude rechercheur keek schattend naar haar op.

‘U… eh, u bent mevrouw Van Boskoop?’ vroeg hij nederig. ‘Ja.’

De Cock duimde over zijn schouder naar Vledder.

‘Ik heb mijn oudste zoon meegenomen om mij bij te staan. Soms vloeit zonder enige waarschuwing alle kracht uit mijn benen. Het is onverantwoord om alleen op pad te gaan.’ De vrouw knikte begrijpend. Ze deed een stap opzij, draaide de deur verder open en liet de rechercheurs binnen. Daarna ging ze hen voor naar een hoog kaal vertrek met een bladderend plafond en houten banken langs de muren. Er zaten al een paar mensen zwijgend bij elkaar. De Cock telde er zeven. De vrouw wees naar een oude man in een bruine loden regenjas. ‘U moet zelf op uw beurt letten,’ sprak ze wat snibbig. ‘Deze man is voor u.’ Ze wees naar een deur aan het eind van het vertrek. ‘Na zijn consult kunt u naar binnen.’

Ze verdween naar de gang. Haar zijden gewaad ruiste. De Cock nam op een van de banken plaats. Vledder ging naast hem zitten. De jonge rechercheur wierp hem een vernietigende blik toe, maar zweeg.

De Cock blikte om zich heen, bezag de starre gezichten van de mensen op de bank tegenover hem. Daarna boog hij zich naar de oude man in de loden regenjas en wees omhoog naar het gebladderde plafond.

‘Ze mogen het hier wel eens opknappen,’ sprak hij misprijzend.

De oude man knikte.

‘Vind ik ook,’ antwoordde hij. ‘Een kwastje verf, een nieuw behangetje, het plafond wat bijwerken. Het ziet er wat haveloos uit.’

De Cock maakte een schuifbeweging tussen duim en wijsvinger.

‘Het kan er zeker niet af?’

De oude man grinnikte.

‘Er is geld genoeg. Het zit hier bijna elke dag vol.’

‘Zoveel belangstelling?

De oude man knikte.

‘Ze is een bijzondere vrouw met bijzondere gaven. En… wie is er tegenwoordig nog dicht bij God?’

De Cock negeerde de vraag.

‘Komt u hier vaak?’

De oude man draaide zich naar hem toe.

‘Eenmaal in de week.’

‘Waarvoor?’

‘Wat bedoelt u?’

‘Waarvoor consulteert u mevrouw Van Boskoop?

De oude man zuchtte.

‘Ik heb last van winderigheid. Flatulentie heet dat met een vreemd woord. Het is knap lastig… voor jezelf en voor je omgeving. Ik eet al geen uien en bonen om de gasvorming in mijn darmen tegen te gaan. Mijn huisarts lacht erom. Soms geeft hij me poeders, maar die helpen niet.’

De Cock keek hem bezorgd aan.

‘Bij de behandeling van mevrouw Van Boskoop hebt u wel baat?’

De oude man knikte.

‘Het is al veel minder. Zijzelf, ik bedoel de moeder, is heel goed… neemt ook de tijd voor je… kijkt heel nauwkeurig naar je levenslijn. Die is belangrijk voor je gestel. Over haar dochters ben ik niet zo te spreken. Die zijn veel ongeduldiger. Wanneer ik weer last heb, zeggen ze dat ik niet moet zeuren.’ De Cock toonde verontwaardiging.

‘Dan laat u zich toch niet meer door die dochters behandelen?’ Over het gelaat van de oude man gleed een trieste glimlach. ‘Zij… zijzelf is er niet.’

‘Waar is ze dan?’

De oude man keek even schichtig langs de kring van wachtenden.

‘Angela zegt,’ sprak hij fluisterend, ‘dat ze met vakantie is naar Zuid-Frankrijk… om nieuwe krachten op te doen.’

‘Dat kan toch?’

De oude man knikte.

‘Het kan. Zeker. Ieder mens gaat op vakantie. Maar ik geloof het niet.’

‘Waarom niet?’

‘Haar dochter Beatrijs zegt heel iets anders.’

De Cock boog zich vertrouwelijk naar hem toe.

‘Wat zegt die?’

‘Ze is naar de hemel.’

‘Wie?’

‘Hun moeder.’

De Cock toonde onbegrip.

‘Gestorven?’

De oude schudde zijn hoofd.

‘Tijdelijk teruggeroepen voor een onderhoud.’ ‘Met wie?’

‘Onze-Lieve-Heer.’

Toen de oude man in de loden jas groetend was vertrokken, stonden De Cock en Vledder op en gingen de deur van de behandelkamer binnen.

Het vertrek was schaars verlicht. Een kleine spot viel op een brede troon, bekleed met lichtblauw fluweel en daarboven een baldakijn. Op de troon zat de vrouw in het bloedrode gewaad met de tekens van de dierenriem. Toen ze achter De Cock de jonge Vledder zag, kwam ze uit haar troon overeind en wees hem terug.

‘Het is niet toegestaan,’ sprak ze streng, ‘dat anderen het consult bijwonen.’

Vledder blikte naar De Cock. Toen die hem geruststellend toeknikte, verliet hij de behandelkamer.

De vrouw zakte op haar troon terug.

‘De aanwezigheid van een derde,’ sprak ze verklarend, ‘stoort mij.’

De Cock knikte gedwee.

‘Dat begrijp ik.’

Hij nam plaats op een laag roodlederen bankje dat tegenover de troon stond.

De vrouw strekte haar rechterarm naar hem uit.

‘Geef mij uw linkerhand,’ gebood ze.

De Cock gehoorzaamde niet. Hij bracht zijn beide armen naar voren en vouwde zijn handen.

‘Ik moet u een bekentenis doen,’ sprak hij somber. ‘Het is niet mijn plan om u te consulteren… in de gebruikelijke zin van het woord… ik heb geen wezenlijke kwalen.’

‘Wat komt u dan doen?’

De oude rechercheur beet even op zijn onderlip.

‘Mijn naam is De Cock… met… eh, met ceeooceekaa. Ik ben als rechercheur van politie verbonden aan het bureau Warmoesstraat. De jongeman die mij tot hier begeleidde, is mijn collega rechercheur Vledder.’

De vrouw keek hem verward aan.

‘Recherche?’

De Cock knikte.

‘Mijn collega en ik zijn onder een valse vlag bij u binnengekomen.’ Het gezicht van de vrouw verstarde.

‘En u hebt met de mensen in de wachtkamer gesproken?’ De Cock knikte.

‘Alleen met de oude man in die bruine loden jas.’

‘De heer Pietersen.’

‘Ik heb hem niet naar zijn naam gevraagd.’

De vrouw kneep haar lippen op elkaar.

‘Voor wie of wat geldt uw ambtelijke belangstelling?’ De Cock keek haar strak aan.

‘Uw moeder.’

‘Die is met vakantie in Zuid-Frankrijk.’

De Cock glimlachte.

‘U bent Angela?’

‘Inderdaad.’

‘Er zijn mensen die dat niet geloven.’

‘Wie?’

De Cock schonk haar een milde grijns.

‘Kunt u dat niet raden?’

De bruine ogen van Angela van Boskoop vonkten.

‘Aard van de Koperberg.’

Ze sprak de naam uit als een vloek.

De Cock knikte.

‘Hij was gisteravond bij mij om de vermissing van uw moeder te melden. Het zei mij dat hij verliefd op haar was geworden en het plan had opgevat om met haar te trouwen.’

Angela van Boskoop snoof.

‘Hij is op haar geld uit.’

‘Dat… eh, dat,’ reageerde De Cock voorzichtig, ‘kan ik niet beoordelen. Zeg mij hoe ik in contact met uw moeder kan komen. Wanneer ik heb vastgesteld dat zij nog in leven is, staak ik mijn onderzoek.’

Angela van Boskoop wendde haar hoofd af.

‘Ik wil niet dat moeder tijdens haar vakantie wordt gestoord.’ De Cock zuchtte.

‘Die Aard van de Koperberg beschuldigt u en uw beide zusters van moord op uw moeder. Dat is ernstig. Het verplicht mij om een diepgaand onderzoek in te stellen.’

‘Nonsens.’

De Cock spreidde zijn armen.

‘Ik ben doorgaans een beminnelijk mens,’ zei hij vriendelijk. ‘Maar zo komen wij niet verder. Uw zuster Beatrijs heeft aan Nanette Korreman, de moeder van Elisa, en aan de man met de bruine loden jas gezegd dat uw moeder in de hemel is… een tijdelijk bezoek aan Onze-Lieve-Heer.’

De grijze speurder zweeg even.

‘Hoewel de hemel en de stranden van Zuid-Frankrijk,’ ging hij gedragen verder, ‘wellicht enige verwantschap kennen, zijn dit voor mij — als rechercheur — toch tegenstrijdige verklaringen.’

‘Beatrijs is niet goed wijs,’ bromde Angela van Boskoop. De Cock negeerde de opmerking.

‘Ik wil een onderhoud met haar.’

Angela schudde haar hoofd.

‘Dat sta ik niet toe. Ik ben de oudste. Sinds moeder met vakantie is, heb ik de leiding.’

‘Waar kan ik Beatrijs vinden?’

‘Dat zeg ik u niet.’

De Cock stond van zijn bankje op, liep naar de wachtkamer en riep Vledder binnen. Hij wees naar de vrouw op de blauwfluwelen troon.

‘Dit is Angela van Boskoop,’ sprak hij streng, ‘de oudste dochter. Ze weigert om ons bij ons onderzoek naar de vermissing van haar moeder Alida van Boskoop behulpzaam te zijn. Ik vermoed dat haar zusters Beatrijs en Christina hier in dit huis aanwezig zijn. Zoek hen op en breng beiden naar deze behandelkamer voor een onderhoud.’

Vledder aarzelde even. Hij liep naar de troon en boog zich naar Angela.

‘Zijn beiden hier?’ vroeg hij vriendelijk.

Angela knikte traag. Ze wendde zich tot De Cock, met tranen in haar ogen.

‘Waarom neemt u geen genoegen met mijn verklaring dat moeder op vakantie is?’

De Cock stak zijn kin iets omhoog.

‘Ik wil helderheid.’

Vledder verliet de behandelkamer. Al na enkele minuten kwam de jonge rechercheur terug. Achter hem liepen twee jonge vrouwen. Ze leken kopieën van Angela: dezelfde olijfkleurige huid, donkere ogen en gitzwart haar. Er waren slechts kleine nuances van verschil. Een van hen droeg een zalmkleurig mantelpakje met een kleine ruit, de andere een donkerblauwe nauwsluitende japon, die haar weelderige vormen accentueerde.

De Cock deed een stap in hun richting.

‘Wie van u is Beatrijs?’

De jonge vrouw in de nauwsluitende japon reageerde. De Cock keek haar onbewogen aan.

‘Waar is uw moeder?’

‘In de hemel.’

‘Tijdelijk voor een onderhoud met Onze-Lieve-Heer?’ Beatrijs van Boskoop knikte.

‘Zo mag u dat noemen.’

‘Ze is dus niet op vakantie in Zuid-Frankrijk zoals Angela beweert.’

Beatrijs schudde haar hoofd.

‘Angela is de oudste van ons drieën. Zij heeft haar eigen visie. Zij vond het beter om aan de mensen te zeggen dat moeder tijdelijk in Zuid-Frankrijk met vakantie was.’

‘Dat is niet waar?’

‘Nee.’

‘Ze is in de hemel?’

‘Ja.’

‘Tijdelijk?’

‘Inderdaad.’

‘U verwacht haar dus terug?’

‘Absoluut.’

Christina duwde haar zuster ruw opzij. De huid van haar gezicht kleurde dieprood. Wild zwaaide ze met haar armen. ‘Laten we er toch mee ophouden!’ riep ze geëmotioneerd. ‘Dit kan niet. Het heeft geen zin om de feiten achter te houden.’ De Cock hield haar donkere ogen in zijn blik gevangen. ‘Wat zijn de feiten?’

Christina slikte.

‘Moeder is dood… Ze pleegde zelfmoord.’

Загрузка...