De Cock staarde voor zich uit, zijn hoofd rustend in zijn handen, zijn ellebogen steunend op zijn bureau. Rond zijn mond lag een ontevreden trek. Hij had het kriebelend, onbehaaglijk gevoel dat er iets niet klopte, dat er factoren waren die hij niet kende.
De jonge Vledder zat tegenover hem en raadpleegde de notities van het verhoor van Van der Duijn. Zo nu en dan keek hij op en monsterde het gezicht van zijn oudere collega. Hij begreep niet waarom De Cock aarzelde, niet tot actie kwam. De zaak lag toch duidelijk? 'Toen Delszsen aan vergiftiging stierf,' dacht hij hardop, 'begreep Van der Duijn dat Haverman de dader was.'
De Cock. knikte. 'Hij moet het als een schok hebben ervaren,' zei hij peinzend. 'Ik geloof nooit dat Van der Duijn vooraf de consequenties van moord heeft overwogen.' 'En hij stemde ermee in?'
De Cock schonk hem een vermoeide glimlach. 'Zolang er in min of meer heftige debatten alleen nog maar werd gesproken, zolang…' Hij maakte zijn zin niet af, zuchtte diep. 'Spreken over moord is bepaald iets anders dan een moord begaan. Toen Alex Delszsen werkelijk stierf, kreeg Van der Duijn het benauwd. Hij voelde zich medeverantwoordelijk en schuldig. Het was een gewetenslast die hij niet kon dragen.'
Vledder keek naar hem op. 'Was dat de reden waarom hij op jouw weg naar Barsingerhorn stond te liften?' 'Dat neem ik aan.'
'Maar waarom noemde hij toen de naam Haverman niet?' De Cock wreef langs zijn ogen. 'Het ging niet om de schuld van Haverman… het ging om zijn schuld, zijn geweten.' Vledder knikte begrijpend. 'Maar zijn schuld zou nooit aan het licht komen, als Haverman niet als dader werd ontmaskerd.'
De Cock glimlachte. 'Heel goed,' zei hij bewonderend. 'Daarom wilde hij dat ik naar Amsterdam terugging om de zaak Delszsen te behandelen. Hij kende mijn reputatie als speurder en verwachtte dat ik snel tot een oplossing zou komen. Begrijp je, de moordenaar van Delszsen werd dan gepakt, zonder dat hij verraad pleegde… verraad aan Haverman.'
Vledder staarde voor zich uit. 'Het had zijn dood kunnen zijn.'
'Je bedoelt de messteek.'
Vledder knikte. 'Als Van der Duijn aan jou de naam van de moordenaar had genoemd, had Haverman allang achter slot en grendel gezeten. Dan had hij deze moordaanslag niet meer kunnen plegen.' Hij keek naar De Cock op. 'Het lijkt mij zaak hem nu zo spoedig mogelijk te arresteren. Zolang Haverman vrij rondloopt, verkeert Van der Duijn in een voortdurend levensgevaar.' 'Je denkt dat Haverman de aanslag zal herhalen?' Vledder gebaarde heftig. 'Dat lijkt mij nogal duidelijk.' Op dat moment rinkelde de telefoon. De Cock nam de hoorn op.
Het was de wachtcommandant. 'Ik heb hier beneden aan de balie een student,' schalde hij. 'Zijn naam is Van Marle. Hij vraagt naar jou. Hij wil met je praten.'
'Mooi, laat hem maar boven komen.' De Cock legde de hoorn neer. 'Beneden is een student, Van Marle. Hij vraagt naar mij. Hij is er toch ook een van het dispuut?'
Vledder knikte. 'Woont met Kluffert op de tweede etage.'
'Je hebt hem toch al verhoord?'
'Ja.'
'En?'
Vledder trok zijn schouders op. 'Niets. Hij dacht net als de anderen dat de dood van Alex Delszsen het gevolg was van zelfmoord. Hij was een wat kleurloze figuur, herinner ik mij.
Veel wijzer ben ik destijds niet van hem geworden. Ik ben eerlijk gezegd benieuwd wat hij hier komt doen.'
De Cock glimlachte. 'We zullen het zo weten.'
Hij stond op en waggelde naar de deur. In het geribbelde glas schemerde een vaag silhouet. De Cock wachtte even. Op het moment dat er werd geklopt, rukte hij de deur met kracht open. Voor hem stond een verraste jongeman. Hij was gekleed in een ribfluwelen broek en een lange zwarte trui met een hoge boord. Zijn voeten staken in sandalen. De Cock bekeek hem demonstratief van onder tot boven, hooghartig, vernederend, met een flauwe, bijna geamuseerde glimlach om de lippen. 'Student van Marle?' vroeg hij met opgetrokken wenkbrauwen. De jongeman knikte bedeesd. 'Hendrik Jan van Marle.' De oude speurder boog. 'Komt u binnen. Mijn naam is De Cock… met ceeooceekaa. Mijn collega Vledder kent u al?' 'Wij hebben al kennis gemaakt, ja.'
'Mooi,' riep De Cock luidruchtig, 'heel mooi.' Hij pakte een stoel en zette die bijna in het midden van de kamer. 'Gaat u zitten,' zei hij gebarend. 'U komt ons dus nu de waarheid vertellen?'
De jongeman nam wat aarzelend plaats. 'Ja… ja,' zei hij stamelend. 'Dat… eh, dat is te zeggen.' De Cock stoof plotseling op, woedend. 'Dat is te zeggen,' brulde hij, 'dat is te zeggen. U hebt maar één ding te zeggen… de waarheid.'
Van Marle schrok zichtbaar. Wat angstig keek hij naar de briesende De Cock omhoog. 'Ja, ja,' stotterde hij onthutst, 'natuurlijk… de waarheid. Ik… eh, ik bedoelde alleen maar te zeggen dat ik tijdens het verhoor een paar dagen geleden tegen uw collega niet heb gelogen.'
De Cock grijnsde. 'Het verzwijgen van de waarheid is ook een leugen.'
Van Marle knikte traag, onzeker. 'Dat is waar,' zei hij zacht. De Cock liep een paar maal om de student heen, snuivend, stampend als een vertoornd man. Na een poosje ging hij in zijn stoel zitten, zijn ellebogen steunend op zijn bureau, zijn gezicht in de plooi van een overspannen donderwolk. Maar zijn woede was gespeeld, een pose om de jonge Hendrik Jan van Marle te imponeren.
De Cock bekeek de ineengedoken gestalte voor hem op de stoel en bedacht dat het hem aardig was gelukt. Hij besloot van tactiek te veranderen. Met een vermoeid gebaar wreef hij met een grove hand over zijn breed gezicht en schudde droef het hoofd.
'Sorry,' mompelde hij verontschuldigend,' oprecht sorry. Ik verloor even mijn geduld. Dat is dom. Ik weet het. U moet het mij maar niet kwalijk nemen.' Hij zuchtte diep. 'Ziet u, dit is een vrij ingewikkelde zaak, lastig… geloof me, heel lastig.' Hij pauzeerde even, glimlachte beminnelijk. 'Men dreigt dan wel eens de goede toon te verliezen.' De veranderde stemming van De Cock, de welwillende vriendelijkheid die hij ten toon spreidde, miste haar uitwerking niet. Het beurde de jongeman zichtbaar op. Er verscheen zelfs een lachje op het smalle gezicht van de jonge Van Marle en zijn houding werd zelfbewuster. 'Ik begrijp het,' zei hij, 'dit is voor u inderdaad een akelige affaire. Gecompliceerd. Vooral ook door de…' hij weifelde even,'de verkeerde impressie die wij van het begin af van de zaak hebben gegeven. Het was een pure misleiding.'
De Cock glimlachte geamuseerd. 'U bedoelt die zelfmoordtheorie.'
Van Marle knikte. 'U moet dat goed begrijpen, meneer De Cock. De gedachte aan moord… een echte moord, leek ons zo dwaas. Ongelooflijk. Het was alsof niemand van ons dat kon… of wilde aanvaarden. Daar kwam nog bij dat wij ons dispuut niet in diskrediet wilden brengen. Daarom besloten we in gezamenlijk overleg om bij een eventueel verhoor door de recherche sterk te suggereren dat Delszsen zelfmoord had gepleegd.'
'U speelde daarbij de moordenaar aardig in de kaart.' De student knikte beschaamd. 'Ik heb mij dat later gerealiseerd. U moet bedenken… het besluit om zelfmoord te suggereren is in een impuls genomen. Ik geloof niet dat een van ons daar dieper bij heeft nagedacht. Het was echt niet de bedoeling een eventuele moordenaar te beschermen. Per se niet. Wij van het dispuut… wij waren allen een beetje in de war. Politie, recherche, het leek allemaal zo indringend. We wilden er zo gauw mogelijk van verlost zijn.' De Cock knikte begrijpend. 'Wat deed u van gedachten veranderen?'
'Hoe bedoelt u?'
De Cock trok zijn wenkbrauwen op. 'U komt ons nu toch vertellen wat u weet?'
Van Marle verschoof wat onrustig op zijn stoel. 'Na gisteravond… na gisteravond is het mij duidelijk geworden dat er snel iets gedaan moet worden. Anders gebeuren er nog meer ongelukken.' 'Wat was er gisteravond?'
Van Marle slikte. 'Een hysterische bende. Ik kan het niet anders noemen. Het leek wel of ze gek waren geworden.' 'Wie?'
'Wij, van het dispuut. Ik was ook in de war. Het kwam door Van der Duijn. We zaten bij elkaar en spraken over de dood van Delszsen. Plotseling sprong Van der Duijn op en zei dat hij wist wie Alex had vermoord.' 'En toen?'
'Er ontstond een hevig tumult. Van der Duijn zag zo bleek als een doek. Hij zei dat hij de moordenaar de kans wilde geven zichzelf bij de politie te melden. Als de moordenaar dat niet deed, zou hij, Van der Duijn, naar de politie stappen om te zeggen wat hij wist.' 'Hoe reageerde men?'
Van Marle zuchtte. 'Zoals ik al zei… een tumult. Enkelen van ons drongen erop aan dat hij onmiddellijk de naam van de dader zou noemen, maar Van der Duijn weigerde. Hij herhaalde zijn dreigement. Toen draaide hij zich om en ging naar zijn kamer. Ik bleef met de anderen nog wat bijeen. We spraken over wat Van der Duijn had gezegd. Er hing een vreemde, wat gespannen sfeer. Het was alsof we allen voelden dat er iets in de lucht hing. Tegen twaalf uur gingen we naar bed. Dat is vrij ongewoon, moet ik zeggen, maar niemand van ons scheen nog lust te hebben het gesprek onderling voort te zetten.'
De jonge student staarde voor zich uit, kauwde op zijn onderlip. Langzaam schudde hij het hoofd. 'Ik kon de slaap niet vatten. Ik lag maar te woelen. Alles wat zich de laatste dagen in het dispuut had afgespeeld, spookte door mijn hoofd. Ik vroeg mij af hoe Van der Duijn kon weten wie Delszsen had vermoord. Waar had hij die wetenschap vandaan? En toen, ineens, in een flits, besefte ik dat hij in groot gevaar verkeerde. Als Van der Duijn de waarheid had gesproken… als hij werkelijk wist wie Delszsen had vermoord…'
Van Marle plukte nerveus aan zijn trui. Zweetdruppels parelden op zijn voorhoofd. 'Ik ging de trap op, naar de zolder, naar zijn kamer. De deur stond open. Het licht brandde. Van der Duijn was er niet. Zijn bed lag opengeslagen. Op het kussen en het laken zaten bloedvlekken. Ik riep… ik schreeuwde… Van der Duijn… Van der Duijn, waar ben je? Ik gilde het hele dispuut wakker. Plotseling stootte ik met mijn voet tegen iets hards op de vloer…' Van Marle stond van zijn stoel op. Bevend trok hij iets uit zijn broekzak omhoog. Het was verpakt in een papieren servetje. Hij deed een paar passen naar het bureau van De Cock en rolde het servetje open. Het was een mes… een smal scherp mes. Aan het lemmet kleefde bloed. Van Marle wees er naar met trillende vingers. 'Het is… het is van Kluffert.'