'Ik voel er niets voor.' Commissaris Buitendam schudde heftig het hoofd. 'Geen barst. Deze zaak is te ernstig, te delicaat. Ik kan het mij eenvoudig niet veroorloven de behandeling aan een jonge, onervaren kracht over te laten.' De Cock ademde diep. 'Vledder is niet onervaren,' zei hij stug. 'Hij werkt al jaren met mij samen. Het wordt tijd dat hij zelfstandig gaat opereren.' 'Niet in deze zaak.'
De Cock reageerde niet direct. 'Ik ben wat moe,' zei hij na een poosje. 'Ik geloof niet dat ik voldoende fit ben.' Hij tastte met zijn hand naar het hoofd. 'Ik ben aan vakantie toe. Ik heb nog verlofdagen te goed van vorig jaar.' De commissaris keek hem onderzoekend aan. 'Je bedoelt te zeggen dat je… hoe dan ook… niet bereid bent de zaak Delszsen verder te behandelen.'
De Cock krabde zich achter in de nek. 'Ik wil een paar dagen verlof,' zei hij nukkig. 'Is dat zo vreemd?' De politiechef wreef met een slanke hand over zijn bleek gezicht. Hij wist dat een onwillige De Cock volkomen onhandelbaar was. 'Ik begrijp het,' zei hij langzaam. 'Elke discussie is zinloos. Er valt niet met je te praten.' Hij knikte voor zich uit. 'Goed… ik zal Vledder de opdracht geven de zaak van je over te nemen. Misschien is het ook wel beter. De politieke sfeer is niets voor jou. Bovendien… studenten zijn voor het merendeel jonge mensen en…' De Cock keek op. 'En ik word al een oude man?' Het klonk cynisch, een beetje droevig. De commissaris antwoordde niet.
De charmante en altijd jeugdig acterende mevrouw De Cock keek verbaasd, toen ze haar man al om twee uur in de middag zag thuiskomen. 'Wat ben je vroeg?'
De Cock slingerde zijn hoedje naar de kapstok en trok zijn oude regenjas uit. Het ging traag, loom. 'Moet je er vanavond nog op uit?'
Hij drukte een kus op haar voorhoofd. 'Nee, ik hoef er vanavond niet meer uit. Ik blijf thuis bij jou. Ik ben vrij.' 'Vrij?'
'Ja, gewoon, vrij.' Het klonk wat kribbig.
Er kwam een dwarse denkrimpel boven haar neus. 'Is… eh, is die moord op die student Alex Delszsen al opgelost? Ik dacht dat je er pas aan was begonnen? Gisteren kon je zelfs nog niet zeggen of het wel een echte moord was.' De Cock bukte zich, streelde de kop van zijn trouwe boxer. 'Vledder heeft het onderzoek.'
Ze keek hem verbaasd aan. 'Vledder het onderzoek… waarom?'
Hij ontweek haar blik. 'Die jongen wilde het zo graag.' Het klonk alsof hij over een jengelend kind sprak. 'Hij dacht dat hij het wel aankon… alleen.' Hij pauzeerde even, keek schuin naar haar op. 'Wat moet ik? Ik zou eigenlijk blij moeten zijn. Ik heb die jongen opgeleid met de bedoeling dat hij mij uiteindelijk zou gaan vervangen zodat ik het wat rustiger aan kon doen.' Hij maakte een vaag gebaartje in de ruimte. 'Wel… het is zover.'
Ze keek hem vertederd aan. 'En je vindt het niet prettig?' De Cock grinnikte wat dwaas. 'Het klinkt misschien onaardig ten opzichte van die jongen… maar nee, als je mij eerlijk vraagt… ik vind het niet prettig. Het geeft me zo'n akelig gevoel vanbinnen. Het is net alsof ik vanmorgen een beetje ben gestorven, begrijp je… uitgerangeerd, zonder stoom op een doodlopend zijspoortje.'
Ze glimlachte. 'En nu heb je verlof genomen om vast te wennen?'
De Cock ging in zijn fauteuil zitten en schoof zijn altijd wat pijnlijke voeten in een paar zachte pantoffels. 'Een paar dagen. Ik vond dat het tijd werd dat ik mijn hengels weer eens tevoorschijn haalde. Ik ga vissen. Ouwe Berendsen heeft ergens in de kop van Noord-Holland een viswatertje ontdekt waar de mooiste snoeken gewoon bij je haakje in de rij staan. Hij deelt er altijd volgnummertjes uit… zegt-ie.' Hij krabde zich op het hoofd en grijnsde. 'Ik denk dat ik daar eens heen ga. Als ik in de recherchekamer blijf rondhangen, ga ik mij er toch weer mee bemoeien. Ik weet hoe het gaat. Ik zou het gewoon niet kunnen laten.' Hij keek naar haar op. 'Daarom heb ik verlof genomen. Ik wil die jongen niet in de wielen rijden. Hij moet een faire kans hebben. Het komt hem toe.'
Ze was tegenover hem gaan zitten, aandachtig luisterend, de handen in haar schoot. Ze kende de moeilijkheden van haar man. Ze waren een deel van haarzelf geworden. 'Wat zei de commissaris ervan?'
De Cock haalde zijn schouders op. 'Hij voelde er aanvankelijk niet veel voor. Hij had nogal bedenkingen.' 'En?'
Hij schoof zijn onderlip naar voren. 'Ik heb gezegd dat Vledder het volgens mij wel aankon, dat die jongen zo langzamerhand rijp was om op eigen benen te staan. Ik zei ook dat ik niet verwachtte dat hij de zaak zou verprutsen. O… ik heb nog veel meer gezegd. Ik heb gewoon staan pleiten als een advocaat. Uiteindelijk stemde de Ouwe toe. Hij wilde de zaak wel aan Vledder opdragen, als ik geen verlof nam.' 'Wat?'
'Ja, ik moest in de buurt blijven.' De Cock maakte een wrevelig gebaartje. 'Maar daar voelde ik geen bliksem voor. Dat heb ik hem ook gezegd. Ik wil er niet bij zijn. Ik zou geestelijk in de knoop raken. Daarom… ik heb tegen de zin van de commissaris toch verlof genomen. Ik wil er een paar dagen tussenuit, gewoon weg, de stad uit. Ik ga vissen.' Ze keek hem een tijdje onderzoekend aan. De korzelige ondertoon in zijn stem was haar niet ontgaan. Ze kende zijn humeur, zijn stemmingen, en maakte zich zorgen. 'Kan ik mee?'
De Cock keek op. 'Vissen?' vroeg hij verwonderd. 'Ja, vissen.'
Hij grinnikte. 'Goed, als je wilt. We laden morgenvroeg alles in onze oude Volksfiets en gaan op stap. Ik zal collega Be-rendsen even bellen. Hij heeft in de buurt van Schagen, in het plaatsje Barsingerhorn, een aardig weekendhuisje. Als ik het hem vraag, mogen we daar best gebruik van maken.' 'En de hond?'
Er gleed een glans van vertedering over zijn breed gezicht. 'Bas gaat mee. Natuurlijk. In het huisje van Berendsen is plaats genoeg. Het is voor hem ook vakantie. Verandering van bomen zal hem goed doen.'
Ze stond uit haar stoel op. 'Mooi,' zei ze tevreden, 'dan zal ik straks wat spulletjes inpakken.'
Ze liep naar de keuken. Al na een paar minuten kwam ze terug en schonk koffie. De Cock keek ernaar. Hoeveel koppen koffie had ze in haar leven al voor hem ingeschonken? Hij bedacht het plotseling. Het viel hem zo in. Duizend… tienduizend… of nog meer? Hij grinnikte zachtjes voor zich uit. Een stoet koppen… een sloot vol koffie. Ineens keek hij haar scherp aan. 'Ik heb nooit geweten,' zei hij met een lichte achterdocht, 'dat jij van vissen hield. Je bleef altijd thuis. Je wilde nooit mee als ik ging vissen.' Ze deed of ze hem niet hoorde en schonk onverstoorbaar verder.
'Zeg, schat,' drong hij aan, 'ik begrijp het niet. Waarom wil je mee? Zover ik weet, heb je nog nooit een hengel vastgehouden.'
Ze deed een scheut room in de koffie en keek langzaam op. Om haar mond dartelde een glimlach. 'Ik heb ook nooit geweten,' zei ze liefjes, 'dat snoeken in de rij konden staan.'