6

Vledder zag bleek. Nerveuze trillingen trokken over zijn wangen. Met grote passen beende hij door de recherchekamer van het bureau Warmoesstraat. Soms ging hij even zitten. Niet lang. Dan stond hij weer op en begon opnieuw door de kamer te stappen. Hij voelde zich opgewonden, onrustig, en bovenal… onzeker. Aan de zijde van De Cock leek alles zo eenvoudig, zo simpel, en elke stap in het onderzoek zo vanzelfsprekend, dat hem al dikwijls de lust had bekropen om eindelijk eens uit de schaduw van zijn grote leermeester te komen en zelfstandig te worden. De moord op Alex Delszsen had hem een geschikte mogelijkheid geleken om nu eens te bewijzen waartoe hij in staat was. Gifmoorden behoorden voor een rechercheur tot de moeilijkste opgaven — hij wist dat best — en juist daarom had hij er bij De Cock op aangedrongen om deze zaak zelfstandig te mogen behandelen. Het was een mooie kans om in één keer zijn reputatie als speurder te vestigen. Zo had hij bij zichzelf geredeneerd. En om De Cock tot toestemming te verleiden had hij gezegd dat hij wel mogelijkheden zag om de moordenaar van student Delszsen te ontmaskeren. Het was grootspraak geweest, pure bluf, overmoed. Hij zag geen mogelijkheden. Hij wist niet eens precies hoe en waar hij zou beginnen.

Midden in de kamer bleef hij staan en zuchtte. Met nietsdoen kwam hij niet verder. Hora ruit… de tijd verstrijkt. Over een paar dagen zou de_ commissaris hem zeker vragen hoe het stond. En dan zou hij iets zinnigs moeten zeggen. De Ouwe was niet gek. Zeker niet. Met vage uitvluchten zou hij geen genoegen nemen.

De jonge rechercheur krabde zich eens achter het oor. Daarna zuchtte hij opnieuw en besloot — als eerste stap — tot een bezoek aan het dispuut. Tenslotte… hij moest toch ergens beginnen.

'Alex Delszsen… vermoord… belachelijk.' Emanuel Archibald Shepherd, student in de sociologie, keek de jonge Vledder verwonderd aan. 'Vermoord,' herhaalde hij bijna spottend. 'U meent het?' Vledder knikte ernstig. 'Vergiftigd.'

Emanuel Archibald Shepherd trok zijn neus iets op en grinnikte. Het klonk niet prettig.

'Vergiftigd nog wel,' sprak hij geforceerd ongelovig. 'Een dwaze veronderstelling… mag ik wel zeggen.'

'Dwaas?'

Student Shepherd stak beide armen omhoog in een theatraal gebaar vol ongeduld. 'Natuurlijk,' riep hij hartstochtelijk, 'volkomen dwaas. Waarom zou Alex Delszsen zijn vermoord? En wie zou dat gedaan moeten hebben? Ik bedoel maar… een moord veronderstelt toch ook een moordenaar.' Vledder knikte. 'Dat is juist,' antwoordde hij rustig. 'U hebt gelijk. Bij een moord zijn er altijd twee. Kaïn sloeg Abel. Het is van den beginne af zo geweest.' Hij pauzeerde even, glimlachte wat hautain. 'Alleen vroeger… vroeger zag God er persoonlijk op toe. Dat is nu niet meer te doen… denk ik. Het behoort nu tot mijn taak de moordenaar van Alex Delszsen op te sporen.'

Shepherd reageerde niet direct. Hij monsterde de uitdrukking op Vledders gezicht. Met een scherpe blik schatte hij zijn intelligentie. 'Is er…' zei hij met een lichte aarzeling, 'is er geen vergissing in het spel? Móórd… het klinkt zo gruwelijk. Moet het perse moord zijn? Ik bedoel… zijn er geen andere mogelijkheden?'

Vledder schoof zijn onderlip vooruit. 'Ik vrees van niet. Het toxicologisch onderzoek liet geen enkele twijfel. In het lichaam van Alex Delszsen zijn duidelijke sporen van vergif aangetroffen. Zo'n onderzoek geschiedt zeer nauwgezet.' Hij trok zijn gezicht in een brede glimlach. 'U begrijpt… we kunnen ons bij de politie geen vergissingen veroorloven.' Student Shepherd schudde langzaam het hoofd. 'Nee… dat begrijp ik… dat begrijp ik volkomen. Maar toch…' hij aarzelde, 'ziet u, rechercheur, het komt mij zo absurd voor. Ik kan er eenvoudig niet in geloven. Alex Delszsen… vermoord… wie had er nu belang bij zijn dood?' Hij haalde met schokkende beweginkjes zijn smalle schouders op. 'Niemand… niemand had daar belang bij. Alex was een verdomd aardige vent. Dat kunt u van mij aannemen. Een van de prettigste kerels van het dispuut. Ik persoonlijk mocht hem erg graag. Ik beschouwde hem als mijn vriend.' 'Uw vriend?'

'Ja, mijn vriend. En ik ben er trots op dat ik hem mijn vriend mocht noemen.'

Vledder knikte. 'U was zijn vriend. Had hij vijanden?' Shepherd grijnsde. 'Wie? Alex?' Hij schudde heftig het hoofd. 'Nee… Alex niet. Ik zei u toch al… hij was een beminnelijke vent. Iedereen mocht hem graag. En terecht, naar ik meen. Hij was opgeruimd, vrolijk, intelligent… ja bijzonder intelligent. En altijd vriendelijk, behulpzaam. Niemand deed ooit tevergeefs een beroep op hem. Daarom… het is eenvoudig niet denkbaar dat iemand…' Hij hield even in, peinzend. 'Kijk,' vervolgde hij traag, 'als… als het zelfmoord was… als u mij had gezegd dat Alex Delszsen zichzelf van het leven had beroofd, dan had ik er tenminste iets van kunnen begrijpen.' Hij trok een bedenkelijk gezicht. 'Maar moord… nee.'

Vledder keek hem onderzoekend aan. 'Dat is mij niet duidelijk,' reageerde hij aarzelend. 'Waarom geen moord en wel zelfmoord?'

Shepherd plukte nerveus aan een haarpiek. 'Het is wat moeilijk uit te leggen. Ziet u… het studentenwereldje heeft een eigen sfeer. Eenieder is voortdurend bezig een ander duidelijk te maken wat hij denkt, voelt, ervaart. U weet dat misschien niet zo, maar onder studenten wordt nogal wat afgekletst… hele disputen, meest tot diep in de nacht.' Hij zweeg even. Om zijn dunne lippen gleed een glimlach. 'Alex hield daarvan. Hij was een uitstekenddebater. Hij deed altijd hartstochtelijk mee. Fel, energiek. Vooral de laatste tijd, toen er nogal dikwijls over…' Hij stokte plotseling, maakte zijn zin niet af. Vledder fronste zijn wenkbrauwen. 'Wat… wat wilde u zeggen?'

Emanuel Archibald Shepherd grinnikte wat schaapachtig.

'Nu ik erover nadenk…moord was de laatste tijd dikwijls het onderwerp van ons dispuut.'

De student wreef met de toppen van zijn vingers over zijn hoge voorhoofd. Het was een wat typisch gebaartje, dat hij vaak maakte. Onbewust. Vooral wanneer hij nadacht, wanneer hij zijn woorden overwoog, leken die traag tastende vingertoppen boven zijn blonde wenkbrauwen een motorische begeleiding van zijn denken. 'Vreemd,' ging hij peinzend verder, 'zelfs op de avond voor Alex' dood werd door ons over moord gesproken.'

Shepherd stond langzaam op. Hij trok zijn schouders naar voren, scheen te huiveren. Over zijn vale wangen trilde een zenuwtrek. 'Het krijgt,' zei hij hijgend, 'een bijna luguber aspect.'

Vledder keek hem gespannen aan. 'Hoe bedoelt u?' Shepherd antwoordde niet direct. Hij liep naar het raam en bleef daar staan. Zijn silhouet tekende zich donker af tegen een strook blauw tussen de bomen op de gracht. Zijn gezicht lag in de schaduw. 'Het… eh, het was nogal heftig… ongewoon. Vooral Kluffert en Delszsen hadden het die avond met elkaar aan de stok. Ernst Kluffert kon zich absoluut niet verenigen met de stellingen van Delszsen, die zelfmoord verdedigde.'

Vledder keek verwonderd op. 'Verdedigde Alex Delszsen zelfmoord? Het dispuut ging toch over moord?' Shepherd knikte. 'Inderdaad, maar zelfmoord is uiteindelijk ook een vorm van moord. Het onderwerp viel dus niet buiten de orde. Delszsen, die het debat leidde, had het overigens zelf ter sprake gebracht.' 'Hoe?'

De student maakte een wrevelig gebaar. 'Alex lokte het uit. Hij verkondigde de stelling dat suïcide, zelfmoord, onder bepaalde omstandigheden moreel aanvaardbaar was en niet in strijd met de algemene normen. Hij ging zelfs zover om suïcide een daad van zedelijke moed te noemen.' Vledder schoof zijn onderlip naar voren. 'Een boude bewering.'

Shepherd glimlachte fijntjes. 'Ja… en als ik u dan zeg dat Ernst Kluffert uit een streng godsdienstig milieu stamt… dan begrijpt u dat hij de stellingen van Delszsen onmogelijk kon accepteren. Het ging lijnrecht tegen zijn karakter, zijn wezen in. Hij handhaafde en verdedigde het katholieke standpunt: zelfmoord is een doodzonde, waarvoor geen vergeving mogelijk is. Kluffert bestreed Delszsen fel, furieus, met een fanatieke, bijna christelijke onverdraagzaamheid.' Vledder fronste.'Christelijke onverdraagzaamheid?' 'Heeft u,' vroeg Shepherd zacht spottend, 'nooit van inquisitie gehoord? Vervolgingen, brandstapels?' Vledder knikte traag. Het was zijn enige reactie. Hij voelde weinig voor een godsdienstige discussie met de vlot formulerende student. Daar was hij tenslotte niet voor gekomen. Hij zocht slechts klaarheid in een duistere gifmoord. 'U sprak over Kluffert.'

Shepherd grijnsde. 'O ja, de brave… hij liep paars aan en tintelde van ingehouden woede, toen Delszsen aan het eind van een, ik moet zeggen, meesterlijk betoog de dood verhief tot niets meer of minder dan 's mans beste vriend.' 'Wat?'

Shepherd knikte met een ernstig gezicht. 'In zijn verdediging van zelfmoord hield Delszsen een pleidooi voor de dood.' Vledder keek de student ongelovig aan. 'Een pleidooi voor de dood?'

Shepherd drukte zijn hoofd tegen een raamstijl. Zijn adem bewasemde de ruit. 'Het was heel indrukwekkend,' zei hij traag. 'Beklemmend. Jammer… u had erbij moeten zijn. Het was Delszsen op zijn best. Wordt het leven u te zwaar… zo declameerde hij met zijn welluidende basstem, ga naar hem die alle pijnen stilt. Zijt gij vermoeid en belast, ga tot hem die u eeuwige rust biedt. Waarom zoekt ge vruchteloos naar vrede? Het leven zal het u niet schenken. Waarom zult ge u nog langer kwellen? Ontvlucht toch die afschuwelijke dreiging van de atoombom. Waarom blijft ge nog als een dwaas op deze woelige aarde dolen? Hier vindt ge slechts strijd, verdriet, onzekerheid. Geloof me, slechts hij geeft u vrede… vergetelheid.. hij, de dood… 's mans beste vriend. En zó nabij? Er viel een stilte. De woorden van de student zweefden door het kamertje, echoden wat na tegen de wanden. Ze hadden Vledder verward.

'Dat… eh,' stamelde hij onzeker, 'was… eh, was nogal macaber. Ik had het nog nooit gehoord… zo'n verheerlijking van de dood. Het is gewoon gruwelijk.' Hij grinnikte zacht, vreugdeloos. 'En het vreemde is, het klinkt nog overtuigend.' Shepherd knikte heftig. 'Overtuigend… precies. Dat was het. Dat is het juiste woord. Het klonk overtuigend toen… die avond… die avond voordat Alex stierf.' Hij zuchtte diep. 'Het klonk zo overtuigend, dat wij allen in het dispuut er een beetje stil van waren. Onder de indruk. Zelfs Ernst Kluffert zweeg. Er hing een beklemmende sfeer. Ongewoon. Er was iets. Iedereen voelde dat. Het leek alsof Delszsen meende wat hij had gezegd, alsof hij een pleidooi had gehouden, niet alleen voor zijn vriend de dood, maar ook voor zichzelf.'

Een tijdlang spraken zij niet. Vledder beet zachtjes op zijn onderlip. Hij dacht over de woorden na, trachtte zich voor te stellen hoe Delszsen te midden van de studenten had georeerd over de dood… en zo nabij. 'Ik begrijp u,' zei hij na een poosje. 'Ik begrijp volkomen wat u bedoelt. Het leek u alsof Alex Delszsen toen reeds zijn plan tot zelfmoord had beraamd en zich bij voorbaat verontschuldigde.' Shepherd knikte traag. 'Ja,' verzuchtte hij, 'zo ongeveer.' Hij trok zijn gezicht in een mistroostige plooi en haalde gebarend zijn schouders op. 'Het is natuurlijk moeilijk om met enige zekerheid te zeggen dat het inderdaad zo was, maar gezien in het licht van hetgeen volgde… ik bedoel zijn plotselinge dood, reeds de volgende dag…' hij aarzelde even, 'u moet toegeven… het frappeert. Nietwaar?' De jonge Vledder knikte begrijpend. 'Het frappeert,' herhaalde hij zacht. Zijn gedachten speelden met de mogelijkheden. Zelfmoord was niet uitgesloten. Zeker niet. Zelfmoord was onder de gegeven omstandigheden zelfs aannemelijker dan moord.

Emanuel Archibald Shepherd kwam bij het raam vandaan. Zijn gezicht gleed uit de schaduw. Hij liep langzaam achter Vledder om en ging op de rand van zijn bed zitten. De scherpe trekken van zijn gelaat waren nu duidelijk te onderscheiden, de weke spitse kin, de smalle neus met de brede neusvleugels, de diep weggezonken fletsblauwe ogen. Hij liet het hoofd iets zakken. 'Arme Alex,' verzuchtte hij, 'arme, arme Alex… mijn vriend.

Het klonk droevig en in zijn ogen glansden tranen. 'Wie had dat ooit kunnen denken? Het is toch verschrikkelijk…' Hij maakte een hulpeloos gebaar. 'Het is meer dan verschrikkelijk dat zonder dat je iets merkt… iemand uit je naaste omgeving zo in zielennood kan verkeren, dat hij tot het uiterste bereid blijkt.'

Vledder kwam uit zijn stoel overeind. 'Ja,' beaamde hij, 'u hebt gelijk, dat is verschrikkelijk.' Hij keek vanuit de hoogte op student Shepherd neer. Een gebogen hoofd. Een warrige kruin.

Een tijdje stond Vledder besluiteloos. Hij bepeinsde wat zijn leermeester De Cock in deze omstandigheden nog gevraagd of gezegd zou hebben. De oude rot had aan het eind altijd nog wat in petto… een vriendelijke nekslag, die tot nadenken stemde.

Er viel Vledder niets in. Hij draaide zich om, mompelde een groet en verliet het kamertje. Het ging nogal schielijk, abrupt. Buiten op de gang botste hij tegen een jongeman die kennelijk aan de deur van Shepherd had staan luisteren. Het was Ernst Kluffert.

Загрузка...