18

De Cock zat achter zijn bureau in de grote recherchekamer, enigszins dwars, met zijn benen op een uitgeschoven lade, en wreef langs zijn kuiten. De oude speurder had vermoeide voeten. Het was alsof een gros venijnige duiveltjes met sadistisch genoegen de ballen van zijn voeten en de ronding van zijn kuiten als speldenkussens gebruikten. Ze prikten aan alle kanten.

De pijn kroop langs zijn scheenbenen omhoog en trilde in de holte van zijn knieën. Een verlammend gevoel, dat hem somber stemde. Het was een slecht teken, wist hij. Als de zaken naar wens verliepen, voelde hij zijn voeten niet. Dan kon hij uren-, ja dagenlang langs 's Heren wegen sjouwen zonder dat hij iets van zijn trouwe onderdanen merkte. Maar wanneer het slecht ging, wanneer hij het niet meer wist, wanneer hij het gevoel had steeds verder van de oplossing weg te drijven, dan…

Hij keek omhoog naar Vledder, die naast zijn bureau stond. 'Was je niet tevreden vanmiddag?'

De jonge rechercheur trok wat onwillig zijn schouders op. 'Het meisje maakte op mij een goede indruk. Lief, zacht, een beetje hulpeloos. Ik vond dat je haar wat hard aanpakte.' De Cock knikte. 'Dat vond ik ook. Maar twee doden en een poging tot moord laten weinig ruimte voor sentiment. Heb je nog afspraken gemaakt?'

'Ze komt vanavond om tien uur naar bureau Warmoesstraat en neemt haar vriend Haverman mee.' 'Zo… dat is knap.'

'Ze heeft het mij uitdrukkelijk beloofd. Maar onder één voorwaarde.'

'En dat is?' vroeg De Cock. 'Dat je hem niet arresteert.' 'Wat heb je gezegd?'

Vledder glimlachte fijntjes. 'Dat we nooit onschuldige mensen arresteren.'

De Cock plukte aan zijn onderlip. 'Heel mooi. Een diplomatiek antwoord.'

'Dacht je dat Haverman schuldig was?'

De Cock maakte een kriegelig gebaar. 'Dat weet ik niet.'

'Hij vluchtte.'

De Cock knikte. 'Dat kan ook angst zijn.' Hij tilde zijn vermoeide voeten uit de lade van zijn bureau en schoof zijn stoel wat naar achteren. 'We kunnen gerust aannemen,' vervolgde hij, 'dat Haverman met Van der Duijn wel eens de mogelijkheid heeft overdacht om zich van Delszsen te ontdoen. Er werd in het dispuut vrijwel voortdurend over moord gesproken. Toen Delszsen werkelijk werd vermoord, trok Van der Duijn zijn conclusie… de dader was Haverman. Het lag voor de hand. Maar denk je nu eens de situatie van Haverman in wanneer hij onschuldig is.' Vledder knikte voor zich uit. 'Ellendig. Vooral na de aankondiging van Van der Duijn dat hij de politie zou inlichten.' 'Precies. Van der Duijn manoeuvreerde Wim Haverman in een dwangpositie. Let wel… in alle gevallen… schuldig of onschuldig. Daarom… de vlucht van Haverman naar zijn vriendinnetje behoeven we niet perse in zijn nadeel uit te leggen. Het kan ook angst zijn geweest.' 'Angst voor ons?' 'Ja, angst voor een arrestatie.' 'Wil je hem nu uitsluiten?'

De Cock schudde heftig het hoofd. 'Zeker niet. Haverman kan de man zijn geweest die Delszsen vergiftigde. Hij is een bijna ideale verdachte, vooral wanneer niet de politieke tegenstellingen, maar Louise de inzet van de moord vormde.' Vledder zuchtte. 'Het is vrijwel zeker dat hij Van der Duijn stak.'

'Waarom?'

'De aankondiging van Van der Duijn sloeg op Haverman. Hij had er belang bij dat Van der Duijn voor eeuwig zijn mond hield.'

De Cock schoof zijn dikke onderlip vooruit. 'Tenzij… tenzij nog iemand anders van het dispuut zich door de uitlatingen van Van der Duijn bedreigd voelde.'

Een tijdlang zwegen ze. Verzonken in gedachten.

'Ik zou graag even terug willen komen op de dood van de oude Zorghdrager.' Het gezicht van de jonge Vledder had een peinzende uitdrukking. 'Er zijn mij een paar dingen niet helemaal duidelijk.'

De Cock keek naar hem op. 'Zeg het maar.' Vledder schoof zijn stoel bij en ging zitten. 'Als ik vanmiddag goed naar je heb geluisterd,' begon hij, 'was het de moordenaar niet om de dood van de oude man te doen. Ik bedoel, het was geen moord in de ware betekenis van het woord. Het was een ongelukje.'

De Cock knikte. 'Zo zou je het kunnen noemen,' zei hij traag. Wettelijk kom je hoogstens tot dood door schuld. Zie je, de dader kon niet weten dat de oude Zorghdrager het tonicum uit de kamer van Delszsen zou wegnemen. Dat kon hij onmogelijk voorzien.'

Vledder wreef langs zijn kin. 'Ik begrijp het niet,' zei hij wat kriegel, 'waarom liet de moordenaar het vergiftigde tonicum in de kamer achter. Waarom haalde hij de fles niet weg? Het was toch gevaarlijk wat hij deed. Het tonicum had, wanneer het direct door ons was gevonden, een sterke aanwijzing in zijn richting kunnen zijn. Bovendien liep hij nog het risico onschuldige slachtoffers te maken. Denk maar aan de oude.' De Cock streek met de rug van zijn hand langs zijn neus en zuchtte. 'De oude Zorghdrager was te begerig, te snel. Hij was de moordenaar gewoon een stap voor. Je moet bedenken dat de dader pas wist dat zijn boze opzet was geslaagd, wanneer hij van de dood van Delszsen hoorde. Eerder niet. Door de parathion met het tonicum te vermengen was de dader nooit zeker van het tijdstip waarop zijn slachtoffer het gif tot zich nam. Hij moest gewoon afwachten tot Alex Delszsen zin kreeg in zijn drankje.'

Vledder knikte begrijpend. 'Toch sluw,' zei hij bewonderend, 'om voor de toediening van het gif gebruik te maken van het tonicum. Ik wed dat Delszsen niets heeft gemerkt… niets heeft geproefd. Het tonicum zelf heeft al een vreemd smaakje.'

De Cock antwoordde niet. Hij wreef nog eens langs zijn kuiten en stond langzaam op. 'Scharrel jij broer en zus Kluffert voor mij op en zorg dat ze vanavond om tien uur hier aan het bureau zijn. Ik wil met ze praten.' 'Ook om tien uur?'

De Cock knikte. 'Ook om tien uur.' Hij slenterde naar de kapstok en trok zijn regenjas aan.

Vledder volgde zijn bewegingen. 'En waar ga jij heen?'

De oude speurder schonk hem een vermoeide glimlach. 'Ik heb trek in een cognacje.'

Een uit het westen zeilend, steeds massiever wordend wolkendek had het vriendelijke blauw aan de hemel verdrongen. De zon was schuilgegaan achter een dikke, grauwe, pluizige massa, waaruit gestaag een miezerig regentje drupte. De Cock stond op de diep uitgesleten stoep van het oude politiebureau en staarde naar het smalle strookje lucht boven de Warmoesstraat. Het zag er vies uit. 'O land van mest en mist,' citeerde hij. Het was de enige versregel van De Genestet die hij uit zijn jeugd had onthouden. Hij knoopte zijn oude regenjas dicht, bond de ceintuur als een touw om zijn middel en trok zijn regenhoedje op zijn oren. Zo glipte hij de Heintje Hoekssteeg in.

De moord op Alex Delszsen zat hem dwars. En dat om meer dan één reden. Op de eerste plaats hield hij niet van gifmoorden. Ze waren hem te anoniem, te onpersoonlijk, te weinig emotioneel. En ten tweede stond hem het milieu niet aan. O, hij had niets tegen studenten. Zeker niet. Hij kon hun soms dwaze invallen wel waarderen… zolang het spel bleef. Maar spelen deden ze niet meer. Het studentikoze spel was verdwenen… had plaatsgemaakt voor ernst… grauwe ernst en agressie. Een van hen had Alex Delszsen vermoord. Koelbloedig, akelig koelbloedig en sluw geraffineerd. De Cock peinsde. Alex Delszsen… de laatste vrijbuiter. De eeuwige student van de oude stempel. Een man die leven nog met een hoofdletter schreef. Er was in feite geen motief, althans… zo leek het, want bij studenten wist men het nooit. Ze pasten zo weinig binnen het geijkte gedragspatroon. Ze waren vaak zo revolutionair, opstandig, en hanteerden een afwijkend normenpakket. Volgens welke code werd Alex Delszsen vermoord? Hij zuchtte diep. Hoe kwam hij daar ooit achter?

Aan het einde van de Heintje Hoekssteeg bij Onse Lieve Heer op Solder sloeg hij rechtsaf en slenterde de Oude Zijds Voorburgwal op. Voorbij het beruchte Oudekerksplein met zijn hoeren rond de kerk, nam hij het bruggetje naar de Oude Kennissteeg. Het regende steeds intenser en hij was blij dat hij op de Achterburgwal zijn stamkroegje bij de Barndesteeg in het oog kreeg. Hij had echt trek in een paar glaasjes uit de fles cognac Napoleon die Smalle Lowietje speciaal voor hem onder de tapkast had gereserveerd. Cognac stimuleerde zijn denken. Misschien dat een paar glaasjes uit zijn gedachten een aardig ideetje losweekten. Hij had het nodig. Hij streek met zijn hand over zijn nat gezicht en grinnikte zachtjes voor zich uit. Het moest toch komen. Ergens moest toch een oplossing zijn.

Door een spleet in de dikke, met leer afgezette gordijnen schoof hij de gelagkamer binnen. Hij keek even rond en hees zich op een kruk aan de bar. Hij had zo zijn vaste plek, aan het eind, een beetje achteraf.

Smalle Lowietje streek met zijn handen langs zijn morsig vest en kwam opgewekt naar hem toe. Op zijn vriendelijk muizengezicht lag een brede grijns. 'Nou, meneer De Cock, hoe was het? Hoeveel loeresen hebt u eruit gewipt?' De Cock bedacht plotseling dat hij na zijn kort visverlof niet meer in de zaak van Lowietje was geweest. Hij had het eenvoudig te druk gehad. 'Schenk eerst eens in,' zei hij lachend, 'dan zal ik je van mijn vissof vertellen.' De tengere caféhouder pakte de fles oude cognac en zette twee glazen op de tapkast. Hij dronk altijd een glaasje met de speurder mee. Klokkend schonk hij in. De Cock keek toe. Hij hield van de manier waarop Smalle Lowietje de fraaie fles hanteerde. Het was een ceremonieel, bijna devoot gebaar.

Ze namen het glas op, keken elkaar in de ogen… de oude rechercheur… de wat louche caféhouder… en lachten. 'Op de misdaad.' Het was hun gebruikelijke toast.

Toen het fluwelen vocht langs zijn dorstige keelgat was gegleden, vertelde De Cock van de snoeken die hij niet had gevangen.

Lowietje lachte hartelijk. 'En dan zeggen ze nog dat vissen stom zijn.' Hij sloeg van plezier op de tapkast. 'Van mij kunnen ze d'r wat van. Als u ze niet kunt vangen, zijn ze voor mij bijdehanter dan menig penozejochie.' De Cock lachte mee en genoot van zijn cognac. Het leven was alles bij elkaar nog zo slecht niet, vond hij. Men moest het niet te ernstig nemen. Dat was het. Hij nam nog een tweede glaasje en voelde hoe de stekelige pijn uit zijn voeten wegtrok. Het bracht hem in een wat zonniger humeur. 'Schenk nog eens in,' riep hij tegen Lowietje. 'Ik heb dit spul te lang gemist.'

Smalle Lowietje gehoorzaamde met de welwillendheid van een kastelein.

Na het derde glaasje voelde De Cock hoe de 'mest en mist' van De Genestet uit zijn denken wegtrok. Hij was weer bereid de wereld wat fleuriger te bekijken. Hij kon achter de wolken weer de zon zien. Maar verder wilde hij toch niet gaan. De hemel was niet helemaal blauw. Als een dreigende onweerswolk hing in het zwerk de moord… de gifmoord op Alex Delszsen.

Hij wenkte Lowietje naderbij.'Ken jij ene Ella Rosseling?' 'Een business-vrouwtje?'

De Cock maakte een hulpeloos gebaartje. 'Dat neem ik aan.' 'Hoe ziet ze eruit?'

De Cock haalde zijn schouders op. 'Mooi… denk ik, en jong. En ze draagt zwart glanzende onderjurken met kant' Lowietje schoot in de lach. 'En meer aanwijzingen heb je niet? Ik bedoel… is dit alles?' 'Ik vrees van wel.'

De Smalle verzonk in gepeins. Hij dacht. Het was te zien. Zijn vriendelijke muizengezicht was pijnlijk verwrongen. 'Vraag eens aan Brabantse Truus,' zei hij na een poosje. 'Misschien kan zij je helpen. Ze heeft vaak jonge meiden voor het raam.'

De Cock nam 'op de valreep' nog snel een vierde cognacje en gaf zijn vriend Smalle Lowietje tot afscheid een dreun op zijn tengere schouders. Toen waggelde hij het café uit. De zon in zijn hart. Een wolk aan elke voet. Buiten bemerkte hij onthutst dat het nog steeds regende. Het was een ontnuchterende ervaring.

Загрузка...