Het wilde gekrijs van Ella Rosseling klonk hem nog in de oren. Trilde na. Hij gordde met trage bewegingen zijn oude regenjas vast en zette zijn verfomfaaid hoedje op zijn grijze hoofd.
Buiten viel de regen nog steeds uit een inktzwarte hemel. Alles was nat, klam, mistroostig. De keitjes van de gracht glommen in het schaarse licht van de straatlantaarns. De bomen dropen.
Met zijn handen diep in de zakken stapte De Cock voort, de kraag omhoog, het hoedje vlak boven zijn ogen. Waarheen? Hij wist het niet. Door zijn hoofd tolden duizenden gedachten. Hij voelde zich wat vreemd, opgewonden, gespannen. En wist niet waarom. Hij schoof de mouw van zijn regenjas iets omhoog en keek op zijn horloge. De wijzers in een kring van cijfertjes straalden hem fosforescerend tegemoet. Negen uur, las hij. Hij had nog ruim een uur. Dan kwamen Louise van Camerijk en Wim Haverman. Dan zouden ook Ernst Kluffert en zijn zuster er zijn. En dan had hij nog een halfuur voordat zij er was… Ella Rosseling, de kat. Hij sjokte voort. Wat ging die meid tekeer. Fel, wild. De reflectie van haar fosforgroene ogen… Ineens bleef hij staan, midden op de gracht, stijf, onbeweeglijk, als gevangen in een straal… een onzichtbare bliksemschicht, die alle beweging in hem versteende. Een standbeeld in de regen. Het duurde niet lang. Al na een paar seconden ontstolde het beeld en stapte hij verder, traag, waggelend, in die zacht deinende cadans… zo typisch voor De Cock.
Op de hoek van de Oude Zijds Voorburgwal en de Lange Niezel keek hij opnieuw op zijn horloge. De groenig oplichtende wijzers en cijfertjes intrigeerden hem bovenmatig. Hij bezag ze met een haast kinderlijk plezier. Om zijn mond krulde een glimlach en in zijn grijze ogen twinkelden kleine, vrolijke pretlichtjes.
Brigadier Bijkerk lachte, toen hij De Cock druipnat zijn domein zag binnenstappen. 'Dat begrijp ik niet,' zei hij hoofdschuddend, 'dat jij je als ouwe rot nog laat natregenen.' De Cock sloeg zijn hoedje uit. De druppels kletsten tegen de muur. Met een zakdoek veegde hij zijn nek droog. 'Is Vledder al terug?'
'Ik heb hem nog niet gezien.'
De Cock peinsde even. 'Heb je Van Dijk in de wacht?' 'Welke Van Dijk. Ik heb er drie.' 'Robert Antoine.'
De brigges raadpleegde zijn dienstboek. 'Hij moet er zijn. Hij zal wel ergens rondhangen. Zijn dienst eindigt pas om twee uur.'
'Dat komt goed uit. Als je hem ziet, stuur hem naar mij toe. Ik zit boven.'
De Cock wipte de beide trappen op naar de recherchekamer. Het ging kwiek… opmerkelijk kwiek voor zijn doen, met twee en drie treden tegelijk. Van zijn pijnlijke voeten was niets meer te merken. Boven knipte hij alle tl's aan en hing zijn kleddernatte regenjas aan de kapstok. Vandaar overzag hij peinzend het slagveld van stalen bureaus en schrijfmachines onder hoezen. Hij overdacht hoe de kamer er straks zou uitzien als hij zijn séance hield. Hij grijnsde breed. Het kon een mooie vertoning worden. Hij hoorde voetstappen in de gang. Even daarna ging de deur open en Robert Antoine van Dijk stapte binnen. Hij zag er keurig uit in een donkerblauw pak, zwarte schoenen en een parelgrijze das.
De Cock keek hem verwonderd aan. 'Heb je feest?' De jonge rechercheur knikte. 'Mijn trouwdag… we vieren het ieder jaar… mijn vrouw en ik.' 'In dat pak?'
Hij glimlachte wat verlegen. 'Het hoort erbij. Mijn vrouw blijft op. Als ik straks om twee uur van de dienst kom… hebben we nog een klein onderonsje samen. Een wijntje, een hapje… bij kaarslicht. Het is een soort traditie.' 'Hoe lang al?'
'Twee jaar… we zijn vandaag twee jaar getrouwd.'
De Cock keek hem aan. Hij wreef zich achter in de nek en vroeg zich af hoe de traditie er na vijfentwintig jaar zou uitzien. 'Ik hoop dat het vanavond niet te lang gaat duren. Ik wil je… eh, traditie niet in gevaar brengen.' 'Wat moet ik doen?'
De Cock ging achter zijn bureau zitten. 'Zoals je weet,' begon hij, 'ben ik bezig met een gifmoord op een jonge student. Iemand heeft het tonicum, dat de jongeman als medicijn gebruikte, vermengd met parathion. Dit gif is bij een onderzoek in het studentenhuis waar het slachtoffer woonde, niet teruggevonden. Het moet er uiteraard wel zijn geweest. Nu heeft het geen zin om je alle bijzonderheden over deze moord te vertellen. Je hebt dat ook niet nodig. Wat je moet doen is het volgende. Je vraagt beneden aan de brigadier een collega in uniform mee en rijdt met ons Volkswagenbusje naar het studentenhuis aan de Brouwersgracht. Je zet het busje pal voor de ingang neer. Dan kom je met veel bravour binnen en zegt dat je in opdracht van mij. De Cock, alle heren van het dispuut komt afhalen voor een bijeenkomst hier in de recherchekamer van het politiebureau aan de Warmoesstraat. Ik zal je een notitie geven met de namen van de studenten, die je moet hebben.' Hij zette een vel papier in de schrijfmachine voor hem en typte de namen zorgvuldig uit. 'De mogelijkheid bestaat dat de student Kluffert er niet meer is. En van student Haverman weet ik dat je hem zeker niet zult treffen. Maar dat is niet erg. Je vraagt wel naar hen. En als men in het dispuut zegt dat ze er niet zijn, schrap je ze eenvoudig van je lijstje. Overigens zorg je ervoor dat ze allen meekomen. Je laat niemand… luister goed… niemand in het huis achter. Begrepen?' 'Volkomen.'
De Cock zuchtte. 'Ik geloof niet dat ze zo zonder meer met je mee zullen gaan. Het zou mij sterk verbazen als het anders was. De heren zullen wel bedenkingen hebben. Uitvluchten. Maar je laat je niet van de wijs brengen. Je laat je niet bepraten. Onder geen voorwaarde. Je toont je welwillend, maar houdt het been strak. Hoe dan ook… je brengt alle bewoners hier. Zonder geweld natuurlijk. Er mag geen narigheid uit voortvloeien. Dan krijgen we beiden de grootste last. Je optreden daar is niet helemaal legaal, begrijp je. We kunnen wettelijk nergens op terugvallen. Ik vertrouw gewoon op je handigheid.'
Robert Antoine van Dijk knikte met een ernstig gezicht. 'Ik zal mijn best doen,' zei hij simpel.
De Cock stak zijn wijsvinger omhoog. 'En dan is er nog iets. En dat is heel belangrijk. Je vertelt aan de heren studenten… vergeet dit vooral niet… dat ik de bijeenkomst hier in de Warmoesstraat heb belegd, omdat het studentenhuis toch tijdelijk ontruimd moet worden in verband met de doorlichting.'
Robert Antoine keek verbaasd op. 'Doorlichting, zei je?' De Cock knikte nadrukkelijk. 'Dat zei ik… doorlichting. Vermoedelijk zullen de heren wel vragen wat voor een doorlichting dat is.' 'En dan?'
'Dan zeg je heel simpel dat je het niet weet.'
De jonge rechercheur glimlachte wat verlegen. 'Ik wéét het ook niet.'
De Cock grinnikte. 'Mooi,' zei hij gelaten, 'dat is goed. Dan hoefje ook niet te liegen.'
Van Dijk keek hem niet-begrijpend aan. 'Ma… maar,' begon hij stotterend.
De Cock stak afwerend een hand op. 'Niets te maren,' zei hij wat geprikkeld. 'Ik zal het je later allemaal wel uitleggen. Dat beloof ik je. Ga nu maar op pad. De tijd dringt. Zorg dat je zo tegen half elf met de schare hier bent.' 'Het komt in orde.' Robert Antoine vertrok. De Cock keek hem na en hoopte dat het zou lukken.
Leunend tegen de voorkant van zijn bureau liet De Cock zijn blik langs de kring van aanwezigen glijden. Daar zaten ze dan, de luitjes van het dispuut… het macabere moorddispuut… Willem Jacob Haverman… Johan van Gelder… Emanuel Archibald Shepherd… Ernst Kluffert… Hendrik Jan van Marle… onwennig, onrustig, op ongemakkelijke stalen bureaustoelen. Haverman en Shepherd gewild nonchalant, de benen over elkaar geslagen. Van Gelder iets voorover gebogen, aandachtig, geïnteresseerd. Kluffert en Van Marle rechtop, bleek, zichtbaar gespannen. Opzij, eenzaam, nerveus trekkend aan haar sigaret, zat Louise van Camerijk, haar donkergroene ogen rood omrand. Niet ver van het raam, naast een opgewekte Robert Antoine, zat de blonde Ria Kluffert, stoer, ongenaakbaar als een lijfelijke Lorelei. Ze staarde boosaardig naar de jonge Vledder, die haar zonder veel plichtplegingen naar de Warmoesstraat had gesleept. Achter de rij studenten, leunend tegen de muur, opzichtig, uitdagend, stond Ella Rosseling, veruit de kleurrijkste van het gezelschap.
De Cocks aanvankelijke plan om vooraf een verhelderend gesprek tussen broer en zus Kluffert aan te moedigen, had hij noodgedwongen moeten laten varen. Ria Kluffert had halsstarrig haar medewerking geweigerd. Ze wilde onder geen beding een confrontatie met haar autoritaire broer en weigerde met Vledder mee te gaan. Uiteindelijk… zeer tot zijn spijt, had Vledder zijn verzoek met enig vertoon van manlijke kracht moeten onderstrepen. Dat had nogal tijd gekost. Voor hij met haar aan het politiebureau verscheen, had Robert Antoine zijn schare al, compleet met Kluffert, bekwaam aan De Cock afgeleverd. Voor een onderonsje vooraf was toen geen tijd meer.
De Cock overwoog of er nog iets mis kon gaan, of hij misschien nog ergens een regiefout had gemaakt. Hij liet in zijn gedachten nog snel alle facetten de revue passeren, maar kon geen lacunes ontdekken. Toch voelde hij zich niet helemaal zeker. Er waren altijd factoren die niet vooruit te berekenen waren, eenvoudig omdat de menselijke emotie niet in wetten of formules is te vangen. Ze vormt het onzekere element in elk onderzoek. En het vreemde was… juist op die emotie, dat onzekere, speculeerde hij.
Het mocht niet mislukken. Het zou voor het onderzoek fataal zijn. Er mocht niets scheef gaan. Hij had nu eenmaal alles op één kaart gezet. Vledder las een grijns op het verder zo onaangedane gezicht van De Cock. Hij begreep dat zijn oude leermeester de ontknoping van het raadsel in de ene hand had, dat hier in de recherchekamer, binnen de muren van het aloude politiebureau, de moordenaar of moordenares van Alex Delszsen aanwezig was. Wie? Wist De Cock het? Hoe… hoe wist hij het dan?
Opnieuw maakte zich een lichte wrevel van hem meester. En weer, zoals eigenlijk steeds bij dergelijke zaken, had hij het afschuwelijke gevoel buiten het feitelijke onderzoek te staan, niet meer te zijn dan een toeschouwer van nabij. Verdomme nog aan toe, leerde hij het nooit? Hoe lang moest hij nog aan de hand van zijn oude leermeester lopen, voordat hij er iets van begreep?
'Het wordt zo langzamerhand tijd dat u ons opening van zaken geeft.' Willem Jacob Haverman was opgestaan en gebaarde met de brede armzwaai van een toekomstig strafpleiter. 'Ik ben hier al bijna een uur. U kunt ons hier niet ongelimiteerd vasthouden.'
De Cock lachte hem beminnelijk toe. 'Nee, meneer Haverman.' Zijn stem klonk uitermate vriendelijk. 'Dat kan ik inderdaad niet. Ik heb u allen hier alleen laten komen, omdat het huis aan de Brouwersgracht toch doorgelicht moet worden en waarom zou u die tijd niet benutten om samen met mij te disputeren over moord? Het onderwerp — zo weet ik — heeft uw bijzondere belangstelling.' Haverman liet zich op zijn stoel terugvallen. 'We zullen deze bijeenkomst openen met het inachtnemen van twee minuten stilte ter nagedachtenis aan de beide slachtoffers,' zo begon De Cock. 'Het is mede ter wille van hen, dat wij allen hier zijn.'
Hij boog het grijze hoofd en zweeg. Onderwijl overwoog hij of zijn start goed was geweest, dramatisch genoeg om de juiste sfeer te scheppen. Toen twee minuten waren verstreken, keek hij op. 'Het is,' zo ging hij verder, 'niet mijn gewoonte om in een soort beladen slotscène, te midden van een uitgebreide kring van belangstellenden, de oplossing van moord te openbaren. Ik ben niet zo extravert. Ik houd doorgaans niet van dergelijke vertoningen, maar de omstandigheden dwongen mij min of meer. Bovendien leek het mij dienstig om op deze wijze een eind te maken aan een reeks disputen die u al over dit onderwerp hebt gehouden. Men zou deze bijeenkomst zonder bezwaar de epiloog van moord kunnen noemen.' Hij aarzelde even, plukte nadenkend aan zijn dikke onderlip. 'Of misschien is het Latijnse dura lex, sed lex… de wet is hard, maar het is nu eenmaal de wet… een betere titel?'
Haverman keek hem argwanend aan. 'De harde wet,' zei hij weifelend. 'Wilt u daarmee zeggen dat u op het punt staat de dader te arresteren?' 'Zo is het.'
Haverman grinnikte wat verdwaasd. 'Dat… eh, dat betekent dus dat de moordenaar hier in ons midden is.' De Cock zuchtte diep. 'Inderdaad, meneer Haverman, de moordenaar van Alex Delszsen is hier in deze kamer.' Hij keek even rond. 'En ik weet wie hij is.' Ria Kluffert slaakte een angstige kreet. Het geluid weerkaatste tegen de kale wanden van de recherchekamer en echode nog wat na. De studenten zagen bleek en zelfs Ella Rosseling had een verschrikte blik in haar ogen. Het gezicht van De Cock was als een masker. Strak, zonder uitdrukking. Vanonder zijn stoppelige wenkbrauwen gluurde hij naar de gezichten voor hem. Zijn blik registreerde elke reactie, ontleedde iedere zenuwtrek.
'Alex Delszsen,' zo ging hij wat luider verder, 'werd vergiftigd met een dodelijke dosis parathion en parathion is een landbouwvergif, behorende tot de groep van de organische fosforzure esters.' Hij keek in de richting van student Van Gelder. 'Zo is het toch?' De jonge bioloog knikte.
'Dat is juist.' De Cock gebaarde.
'Parathion bevat dus fosfor. En fosfor… de heren van het dispuut zijn erudiet genoeg om dat te weten… heeft de bijzondere eigenschap uit te stralen. Het verschijnsel van de fosforescentie is, dacht ik, bekend genoeg. U behoeft maar te denken aan de wijzerplaten van uw horloges, wekkers en aan tal van andere toepassingen.' Hij zweeg even, buiten adem. Hij had de laatste zinnen snel achter elkaar gesproken, rap, overrompelend, bijna zonder adempauze. 'Parathion laat dus, hoe zorgvuldig ook behandeld, sporen na. En bij een juist onderzoek komen die sporen onherroepelijk te voorschijn. Ze lichten op.'
De Cock zweeg opnieuw, even maar, en wees toen met een theatraal gebaar naar de grote elektrische klok in de recherchekamer. 'Nu,' sprak hij met nadruk, 'nu op dit moment, wordt door een staf van politietechnici het studentenhuis aan de Brouwersgracht nauwkeurig doorgelicht. En hoewel ik, zoals ik al zei, de identiteit van de moordenaar reeds ken, zal de doorlichting mij het afdoende bewijs van zijn schuld leveren.' Hij keek even rond en ging toen met zachte stem verder. 'Het wachten is nu op een telefoontje. De heren technici weten van deze bijeenkomst en zullen mij onmiddellijk berichten. En als dat telefoontje komt, kunt u allen vertrekken… allen, op één na… de moordenaar van Alex Delszsen.'
Tot het uiterste gespannen keek De Cock opnieuw de kring van verdachten rond. Zijn dikke ronde vingers trommelden nerveus tegen de metalen wand van zijn bureau. Het geluid deed zijn trommelvliezen bijna barsten. Maar toen hij zijn vingers even stilhield, was de stilte zo intens, zo beklemmend, dat hij haastig verder trommelde. Het was het enige geluid in de stilte van de kamer. Zelfs in de anders zo rumoerige Warmoesstraat scheen alle lawaai verstomd. Traag vergleden de seconden.
Na een paar minuten sprong Van Marle op. 'Waarom martelt u ons zo!' riep hij wild. 'Waarom? Waarom houdt u niet eenvoudig de moordenaar vast en laat mij en de anderen vertrekken?'
De Cock fronste zijn wenkbrauwen. 'U… meneer van Marle? Was u niet de man die Alex Delszsen tonicum voorschreef?' 'Ja… dat was ik.'
De Cock snoof. 'Dan zal het u interesseren dat juist dat door u voorgeschreven tonicum gebruikt werd om Alex Delszsen het dodelijke gif toe te dienen.'
Student Van Marle slikte. Zijn ogen waren groot, angstig. 'Het tonicum…' stamelde hij hees, 'maar ik heb niet… ik was… ik…'
De Cock knikte hem vriendelijk toe. 'Gaat u maar weer rustig zitten meneer Van Marle. U hebt Alex Delszsen niet vermoord. Ik weet het. U niet. Waarom ook? U had toch geen enkele reden om Alex Delszsen naar het leven te staan? U hebt geen zuster, die…'
Kluffert sprong gepijnigd overeind. 'Ik,' riep hij fel, emotioneel, 'ik heb een zuster.' Hij draaide zich half om en strekte zijn arm in de richting van Ria Kluffert. 'Daar… daar zit ze… idioot… denkt met haar schamele achttien jaren dat ze iets van het leven weet… van liefde.'
Hij trok zijn mond scheef, snoof verachtelijk. 'Dwaas schepsel.'
Een ogenblik leek het alsof Ria Kluffert haar broer te lijf zou gaan. Ze zwaaide driftig met het blonde haar en knarste met haar sterke tanden.
De Cock keek rustig toe. Hij genoot van het spel… het spel der emoties. De Lorelei in toorn, bedacht hij gnuivend. Robert Antoine, naast haar, legde rustig zijn hand op haar arm. Het kalmeerde haar zichtbaar.
Ernst Kluffert draaide zijn gezicht weer naar De Cock. 'Ik wist,' zei hij kalmer, 'dat Alex Delszsen een grote belangstelling voor mijn zuster toonde. Ik wist ook dat ze elkaar nog in het geheim ontmoetten, ondanks dat ik het haar had verboden nog langer met hem om te gaan. Ik ben geen puritein, meneer De Cock, echt niet. Maar ik kende Alex Delszsen. Ik wist hoe immoreel hij was.' Hij haalde wat nonchalant zijn schouders op.
'Och,' verzuchtte hij berustend, 'ik besef dat ik uiteindelijk weinig had kunnen doen om haar tegen te houden.' Hij wreef met de rug van zijn hand langs zijn voorhoofd. Plotseling begonnen zijn ogen vervaarlijk te flikkeren. De uitdrukking op zijn gezicht veranderde ineens. Fel, woest, onbeheerst gebaarde hij met opgestoken hand, indrukwekkend als een hel en verdoemenis profeterende prediker oude stijl. 'Maar ik zeg u, meneer De Cock… en de goede God is mijn getuige… ik had Alex Delszsen eigenhandig gewurgd als hij mijn zuster ook maar één haar had gekrenkt.'
De Cock maakte een simpel handgebaar. 'En…?' De student keek hem niet-begrijpend aan. 'Wat?' 'Heeft hij haar een haar gekrenkt?' Het klonk bijzonder laconiek.
'Nee… niet dat ik weet.'
De Cock maakte een grimas. 'Dan hebt u Alex Delszsen dus niet vermoord?'
Ernst Kluffert keek hem wat dom aan en schudde toen zijn hoofd, traag, onzeker. 'Nee,' zei hij zacht, 'ik niet.' De Cock keek hem aan. 'Mooi,' zei hij toonloos, 'gaat u dan maar weer zitten.' Hij wreef met zijn hand langs zijn breed gezicht. Het was een loom gebaar. 'De kring van verdachten,' zei hij met een zweem van sarcasme, 'wordt steeds kleiner.' Zijn blik gleed langs de gezichten. 'Is er nog iemand die zijn hart wil luchten? U… meneer Haverman? Stelde de verslagen Alex Delszsen ook u niet voor problemen?'
Wim Haverman boog het hoofd en zweeg. 'O… u wilt er nog niet over praten? Oké, dan straks.' Hij keek op zijn horloge en daarna, demonstratief, naar de grote elektrische klok aan de wand van de recherchekamer. 'De doorlichting zal nu wel bijna zijn voltooid,' sprak hij wat vermoeid. 'Het verlossende telefoontje van de technici kunnen we nu zo verwachten. Ik schat nog een paar luttele minuten. Ik heb in ieder geval nog wel even de tijd om een verzuim goed te maken. Ik heb namelijk vergeten u een lieve gast voor te stellen.' Hij wenkte naar achteren. 'Ella, kom eens hier.'
Ze kwam van de muur vandaan en schoof heupwiegend langs de rij van studenten. Een mooi, opwindend vrouwtjesdier.
'Dit,' zei De Cock, 'is Ella Rosseling… intieme vriendin van Alex Delszsen.' Ze kwam naast hem staan. 'Ella,' zei hij liefjes, 'ken jij een van deze heren?' Ze knikte met een grijns om haar lippen. 'Ja, ik ken er een.' Ze kroop wat dichter naar De Cock, als zocht ze bij hem bescherming. 'Hij.'
Haar uitgestoken hand wees naar Shepherd.
'En vertel eens,' ging De Cock verder, 'hoe heb je hem leren kennen?'
Alex stelde hem aan mij voor.'
'Juist… en toen?'
Ze haalde wat onwillig haar schouders op. 'Toen… eh, toen niets.' De Cock glimlachte haar toe. 'Kom, kom,' zei hij bemoedigend, 'hij kwam je toch een paar dagen later een voorstel doen?' 'Een voorstel?'
'Ja, hij bood je toch geld voor bepaalde gunsten. Ik bedoel… hij wenste toch gebruik te maken van jouw… eh, bekoorlijkheden?'
Ella Rosseling grinnikte. 'O, bedoelt u dat… ja, dat wilde hij.'
De Cock grijnsde zijn gemeenste grijns. 'En zullen we de aanwezigen hier nu eens uitgebreid vertellen hoe… eh, hoe dat in zijn werk ging?'
Shepherd kwam overeind, langzaam, zijn gezicht zag asgrauw. Zijn brede neusvleugels trilden. 'Nee… ' brulde hij, 'nee, dat zul je niet… dat zul je niet.'
Hij sprong op Ella Rosseling toe. Zijn armen gestrekt. Zijn lange vingers tot klauwen gebogen. In zijn donkere ogen blonk haat, felle haat en moordlust. Ella deinsde achteruit en gilde.
Plotseling rinkelde de telefoon, luid, doordringend, overstemde het gegil. Het deed Shepherd verkrampen. Als verstijfd bleef hij staan, zijn mond halfopen, zijn armen nog steeds gestrekt. De Cock nam de hoorn op en luisterde. De intense spanning lag op alle gezichten. Kluffert kauwde nerveus op zijn onderlip. Van Marle plukte aan zijn haar. Het ontging De Cock. Hij hield zijn blik strak gericht op de halfgebogen gestalte voor hem. Hij registreerde iedere beweging, elke trilling van de spieren van de man van wie hij wist dat hij tot een moord in staat was. Zonder een woord te hebben gezegd, legde hij na een paar seconden de hoorn terug op het toestel. 'Emanuel Shepherd,' zei hij zacht, 'het is tijd voor een bekentenis.'