2

Bij zijn eerste rondgang had agent van Beveren in cel zeven nog een zwaar snurkend geluid gehoord. Bij zijn tweede ronde om kwart over een was dat geluid er niet meer. Het viel hem op. Hij deed het licht aan en keek door het kleine vierkante luikje naar binnen. Maar bij de armetierige celverlichting kon hij haast niets zien. Daarom deed hij de celdeur open, zodat ook het licht van de gang naar binnen viel. De arrestant van cel zeven lag op zijn rug, languit op de schuin aflopende houten brits. Het lange, ravenzwarte haar hing langs het gezicht. Rond zijn lippen lag een vreemde, bijna gelukzalige glimlach. Van Beveren bleef er even naar staan kijken. Het stelde hem niet gerust. Wat argwanend boog hij zich over de man. Ineens bemerkte hij dat de ademhaling ontbrak en ontwaarde hij het grauwe masker van de dood. Hij schrok, slikte zijn angst weg en keek nog eens. Hij had het goed gezien. De glimlach van de arrestant was koud, kil, verstard. Behoedzaam achteruitlopend, half op zijn tenen, verliet hij de dronkemanscel en sloot gewoontegetrouw de celdeur met sloten, stangen en grendels. Ook de dood mocht niet ontsnappen. Wat bleekjes meldde hij zijn bevindingen aan de brigadier.

Vergezeld van een paar oudere, meer door de wol geverfde dienders toog brigadier Bijkerk naar de onderaardse gewelven van het aloude politiebureau aan de Amsterdamse Warmoesstraat. Agent van Beveren liep voorop. Hun voetstappen klonken hol, weerkaatsten tegen de kale muren. Ze spraken niet. Bij cel zeven stopte de processie. Van Beveren stak de sleutel in het slot en schoof de stangen en grendels weg. Licht piepend draaide de celdeur open. Ze bekeken de man om beurten. De arrestant was dood… daar waren ze het over eens. Dood… zonder twijfel. De haastig gealarmeerde dokter van de Geneeskundige Dienst kon daar niets meer aan veranderen.

Met zijn oude vilten hoedje nonchalant achter op het hoofd geschoven, zijn jas nog aan, waggelde De Cock langs de verlaten bureaus van de grote recherchekamer. Hij waggelde altijd. Zijn bovenlijf was eigenlijk te zwaar en zijn benen naar verhouding te kort. Na zijn veertigste was alles wat dieper op de heupen gezakt, waardoor hij een wat compacte indruk maakte, massaal, met koddige, wat vertraagde bewegingen.

De oude, grijze rechercheur was in een slecht humeur. Zijn gezicht, gewoonlijk vol vriendelijke plooien, droeg de markante trekken van een dreigende donderwolk, grimmig, vol opgehoopte spanning. Een dringend telefoontje van de commissaris had hem uit een zoete sluimer gewekt. Het was midden in een bekoorlijke droom, gesitueerd in een vredig, vriendelijk wereldje zonder misdaad. De Cock had het overstapje naar de werkelijkheid met het verkeerde been genomen. Hij wees met een dikke mollige vinger naar de grote klok aan de wand. 'Twee uur,' bromde hij. 'Twee uur, midden in de nacht. Een christelijk mens ligt om deze tijd in zijn bed.' Hij snoof. 'Wat wil de Ouwe in godsnaam van ons? Wat valt er midden in de nacht te onderzoeken?' Vledder zuchtte: 'De man is dood.'

De Cock wreef met de rug van zijn hand langs zijn stompe neus. 'Goed, goed,' zei hij afwerend, 'er is beneden in de cel een man gestorven. Hij is de eerste niet. En hij zal ook de laatste niet zijn. Het is natuurlijk heel akelig en erg verdrietig… voor de man, ja… maar wat kan ik eraan doen? Wat verwacht de Ouwe van me? Dat ik voor die vent ga bidden? Verdomme nog aan toe… had die kerel maar niet moeten zuipen… was hij niet dronken geworden… hadden ze hem niet opgepikt… was hij ergens anders gestorven… misschien wel gewoon in bed, keurig, netjes, thuis, zoals het hoort… tussen schone witte lakens en tranen pinkende familieleden aan het voeteneinde.' De Cock zeurde nog een tijdje door over oorzaak en gevolg, dol, onzinnig, soms belachelijk. Hij had nu eenmaal gloeiend de pest in.

De jonge Vledder luisterde geduldig tot zijn leermeester was uitgeraasd. Toen stond hij op en liep naar het gaskomfoortje. 'Ik zal,' zei hij gelaten, 'om te beginnen maar een kop koffie voor je zetten. Flink sterk. Misschien kikker je er wat van op. Ik hoop het. Zie je, ik zou graag wat redelijkheid van je verwachten.'

De Cock gebaarde wild voor zich uit. 'Redelijkheid,' schreeuwde hij geërgerd, 'redelijkheid. Men kan een man van mijn leeftijd niet van zijn mooiste dromen beroven en dan nog verwachten dat hij redelijk zal zijn.' Hij schudde heftig het hoofd. 'Nee, mijn brave, dat is te veel verlangd. De commissaris had dat moeten beseffen. Voor nachtelijke uitstapjes in de criminaliteit moet hij geen oudjes nemen, maar jonge energieke lieden, zoals jij.'

Vledder zuchtte opnieuw. 'Ik heb de piketdienst,' legde hij geduldig uit. 'De commissaris heeft eerst mij gebeld. Hij vertelde mij dat hij van brigadier Bijkerk de melding had ontvangen dat er in een van de cellen een man was gestorven. Hij vroeg of ik een kijkje wilde nemen.' 'En?'

'Nou, dat heb ik gedaan. Ik ben naar het bureau gegaan en heb de zaak bekeken. Het leek mij nogal ernstig. Daarom heb ik de commissaris teruggebeld en hem gevraagd of hij ook jou wilde waarschuwen.' De Cock stond met een ruk stil. 'Wat?' Vledder knikte met een beteuterd gezicht. 'Het spijt me echt,' zei hij benepen, 'maar je hebt dit aan mij te danken.' De Cock leek sprakeloos. Hij keek zijn jonge collega aan, onthutst, zijn brede gezicht in een plooi van opperste verbazing.

'Jij… bedoel je dat jij…' Hij maakte zijn zin niet af. Vledder likte aan zijn droge lippen. 'Het is… eh, het is,' zei hij bijna stotterend, 'volgens mij geen gewone dood. Ik bedoel… eh, die jongeman in de cel beneden… hij is… eh, dacht ik… niet gewoon dood gegaan. Het is geen natuurlijke dood. De man is vermoord.'

De Cock schoof zijn onderlip vooruit en duwde zijn hoedje nog verder achter op het hoofd. Zijn vriendelijke grijze ogen glinsterden uitdagend. 'Zo…' zei hij met een licht sarcasme, 'zo, zo.. en uit welke omstandigheden trekt onze jonge vriend deze… eh, geniale conclusie?'

Vledder slikte iets weg. 'Er zijn geen omstandigheden,' zei hij weifelend. 'Ik bedoel… er zijn geen directe aanwijzingen in de richting van moord. Ik kan je echt niets concreets noemen. Ik vind hef alleen vreemd. Een jongeman van tweeëndertig jaar sterft volgens mij niet zomaar na het drinken van een paar borrels. Daar geloof ik niet in. Mijn gevoel…' De Cock lachte schamper. 'Jouw gevoel kost mij mijn nachtrust.'

De jonge Vledder stak zijn kin naar voren. 'Luister eens, De Cock,' riep hij fel, 'ik heb je niet voor niets laten komen. Geloof dat. Je denkt toch zeker niet dat ik mijzelf in de ogen van jou en de commissaris bespottelijk wil maken? Ik ben toch niet gek? Ik zeg je nogmaals… ik geloof niet dat die jongeman in cel zeven een natuurlijke dood stierf. Ik heb het stellige idee dat er een misdrijf in het spel is. Hoe of wat… ik weet het niet. Het is zomaar een idee. Het is best mogelijk dat ik mij totaal vergis… dat er helemaal niets aan de hand is, maar ik wil het onderzoeken.' Hij kneep zijn lippen op elkaar. 'En zo is het. En als jij te knorrig bent om mij bij te staan, wel, heel simpel, dan doe ik het alleen.' De Cock keek zijn jonge collega onderzoekend aan. Hij had in de stem van Vledder iets gehoord dat hem verraste. Een ondertoon van wrevel, vermengd met koele vastberadenheid.

Het was feitelijk voor het eerst dat hij bij zijn meest geliefde leerling zo'n duidelijk blijk van zelfstandigheid zag. De Cock constateerde het met genoegen. Het deed hem oprecht goed en langzaam verdween zijn slechte humeur. De innerlijke omwenteling tekende zich op zijn gezicht af. Duidelijk. De verticale plooien van zijn wangen vervormden zich tot dartele accolades, omlijsting van een glimlach vol vriendelijke welwillendheid. Hij gebaarde vrolijk in de richting van het gaskomfoortje. 'Waar blijft mijn koffie?' Vledder slaakte een zucht van verlichting. 'Nog even pruttelen…'

De Cock schoof de lege koffiekop wat opzij en legde zijn beide benen op zijn bureau. De koffie had hem weer met het leven verzoend en de gedachte aan de verstoorde nachtrust wat op de achtergrond gedrongen. Behaaglijk onderuitgezakt hing hij in zijn stoel en keek naar Vledder, die levendig gebaarde. 'Begrijp me goed, De Cock. Ik wil echt niet eigenwijs zijn, maar ik heb die jongeman beneden in de cel gezien. Het is een flinke vent, atletisch gebouwd, sterk, stevig. Echt een man in de volle kracht van zijn leven.' Hij spreidde beide armen. 'Dat is natuurlijk geen garantie voor onsterfelijkheid… dat begrijp ik best, maar toch… zie je, zijn dood komt mij zo onwezenlijk voor.'

De Cock knikte begrijpend. 'Uiterlijke tekenen van geweld?'

Vledder trok zijn schouders omhoog. 'Ik heb hem maar oppervlakkig bekeken. Samen met brigadier Bijkerk. Ik heb alleen zijn hemd losgemaakt. Aan zijn borst, rug en buik hebben we zo met het blote oog geen verwondingen kunnen ontdekken. Maar je weet hoe donker het in die cellen is.' 'Heb je wat geroken?'

'Een vrij sterke dranklucht. Meer niet. Ik bedoel, niets bijzonders. Geen geur van bittere amandelen of iets dergelijks.' 'Wat zei de dokter?'

Vledder maakte een hulpeloos gebaartje. 'Toen ik aan de Warmoesstraat kwam, was de dokter van de Geneeskundige Dienst al verdwenen. Brigadier Bijkerk vertelde mij dat hij alleen maar even naar het slachtoffer had gekeken en toen had gezegd dat de man was overleden. Meer niet. De brigadier had hem nog wel naar een doodsoorzaak gevraagd, maar daarover had de dokter niets kunnen of willen zeggen.' De Cock knikte. 'Begrijpelijk. Er was, zoals je zei, uiterlijk aan het lijk niets te zien. We zullen moeten wachten tot na de sectie en een toxicologisch onderzoek. Als hier werkelijk sprake is van een misdrijf, is er maar één mogelijkheid… vergif.'

Vledder staarde voor zich uit. 'Vergif,' zei hij peinzend. 'Je hebt gelijk. Dat moet het welhaast zijn.' Hij streek met zijn hand langs zijn brede kin. 'Ook alcohol is een vergif. En de uiterlijke tekenen van een alcoholvergiftiging noemen we dronkenschap.' Hij keek naar De Cock. 'Zou er veel verschil zijn?' 'Hoe bedoel je?'

'Wel, tussen de symptomen van een alcoholvergiftiging en een vergiftiging met een andere stof?' De Cock schoof zijn onderlip naar voren. 'Het hangt natuurlijk van het vergif af… de aard… de hoeveelheid. Maar in grote trekken komen de verschijnselen wel met elkaar overeen.'

Vledder knikte. 'Het is dus achteraf niet zo vreemd dat die agenten het slachtoffer voor openbare dronkenschap oppikten. Hij zal op straat beslist wel het beeld hebben getoond van een zwaar beschonken man… wettelijk compleet… met een waggelende gang en het spreken van wartaal.' De Cock keek op. 'Wartaal… heeft hij nog iets gezegd?' Vledder haalde zijn schouders op. 'Ik weet niet of hij nog iets heeft gezegd. Volgens brigadier Bijkerk heeft hij zijn mond niet meer opengedaan.' 'En de jongens die hem binnenbrachten?' 'Dat waren Kraaijenbrink en De Vries. Toen ik aan het bureau kwam, waren ze allang naar huis. Hun dienst liep tot elf uur. We moeten morgen maar eens met ze gaan praten. Of misschien is het nog beter dat ze een uitgebreid rapport van hun bevindingen maken.'

De Cock knikte. 'Ze zullen zich voor die arrestatie toch wel moeten verantwoorden, denk ik. Let maar op. Ook brigadier Bijkerk, die de man uiteindelijk voor dronkenschap insloot, kan nog heel wat narigheid verwachten. Dit gevalletje lekt natuurlijk uit en dan volgen onvermijdelijk grote artikelen in onze kranten. Man overlijdt in cel. Onvoldoende toezicht? Kwam medische hulp te laat? Ik zie de krantenkoppen al voor me. Ik heb dit meer meegemaakt. Je kunt erop rekenen dat de commissaris precies het naadje van de kous wil weten. De Ouwe is als de dood voor de pers.' Vledder stoof op. 'Maar hier kan toch niemand iets aan doen? Dit is toch niet de schuld van de politie?' De Cock stak zijn hand op. 'Wacht even… dat beweer ik niet. Het kan mij eigenlijk ook niet zoveel schelen wie hier schuld heeft. Maar als deze man, zoals wij nu aannemen, werkelijk is vergiftigd en ten gevolge daarvan waggelend over de straat liep, is het toch wel verdomde triest dat hij in een dronkemanscel werd opgesloten en daar uiteindelijk op een kale houten brits moederziel alleen stierf, zonder dat iemand het in de gaten had.'

Vledder zuchtte diep. 'Ja,' zei hij zacht, 'je hebt gelijk, dat is inderdaad triest, verrekte triest. Eigenlijk moest je daar niet bij stilstaan. Je zou er opstandig van worden.' Hij staarde een tijdje nadenkend voor zich uit. 'Toch vraag je je af hoe dergelijke dingen in de toekomst zijn te voorkomen.' De Cock haalde zijn schouders op. 'Och,' zei hij gelaten, 'zulke dingen gebeuren. Overigens… volkomen te goeder trouw. Daar moeten we toch van uitgaan.' Vledder grijnsde. 'Om het volk te dienen.' Het klonk bijzonder cynisch.

3

De Cock slenterde naar het komfoortje en schonk zich nog eens in. 'Wat weten we van het slachtoffer?' Vledder krabde zich achter in de nek. 'Niet veel,' zei hij wat mistroostig. 'Ik heb alles wat de jongeman bij zich had goed bekeken. Zijn kleding is modern, van goede snit en kwaliteit. Een tikkeltje opzichtig, dat wel. In zijn portefeuille zat ongeveer een honderd gulden en dan verder papieren ten name van ene Alex Delszsen.'

De Cock fronste zijn wenkbrauwen. 'Alex Delszsen,' zei hij nadenkend. 'Ik heb die naam wel eens meer gehoord… of gelezen. Ik weet alleen niet meer hoe of waar. Hoe oud is hij?'

'Tweeëndertig.' 'En wat doet hij?' 'Student.'

De Cock lachte. 'Een beetje oud voor een student. Vind je niet?'

Vledder knikte. 'Bij zijn papieren was een collegekaart van de Vrije Universiteit van Amsterdam. Het schijnt dus wel te kloppen. Bovendien woonde hij op het adres Brouwersgracht 317. Je weet wel, dat is dat kleine smalle huis bijna op de hoek van de Prinsengracht. Zover ik weet, wonen daar een stel studenten bij elkaar." Hij kauwde peinzend op zijn onderlip. 'Hoe noemt men zo'n studentenclubje ook weer?' 'Een dispuut.'

Vledder knikte langzaam. 'Dispuut,' herhaalde hij, 'ja, dat woord ben ik een paar maal op de papieren in zijn portefeuille tegengekomen. Dispuut Hora ruit.'' De Cock keek verrast naar hem op. 'Dat is een mooie naam,' zei hij bewonderend. Hora ruit. Weet je wat dat betekent?' 'Nee, mijn Latijn is niet zo goed.' 'De tijd verstrijkt.'

'Wel toepasselijk.'

De Cock streek met zijn hand door zijn grijze haar. 'Ik vind het mooi,' zei hij zacht. 'Hora ruit.' Hij proefde de woorden op zijn tong. 'Heel mooi.' Hij gebaarde naar Vledder. 'Verder nog bijzonderheden?'

De jonge rechercheur pakte zijn notitieboekje. 'Een paar nogal oproerige pamfletten over acties en andere studentenfestiviteiten. En dan twee ongebruikte toegangskaarten voor een voorstelling in de stadsschouwburg.' 'Welke voorstelling?'

'Dertien september.William Shakespeares Much ado about nothing.'

'Dat is vanavond.'

'Ja, de voorstelling van vanavond. Het begon om half negen. Ik heb dit nagegaan. De kaartjes zijn al een paar dagen geleden gekocht.'

De Cock wreef met zijn hand langs zijn brede kin. 'Het ziet ernaar uit dat Alex Delszsen op weg was naar een afspraak… een afspraak voor een bezoek aan de stadsschouwburg.' Hij keek op. 'Als ik mij goed herinner, werd hij om acht uur vanaf het Damrak binnengebracht?' Vledder knikte. 'Precies. Zo staat het in het mutatierapport van brigadier Bijkerk.' Hij citeerde letterlijk. 'Twintig uur, cel zeven, man voor 453 ter ontnuchtering ingesloten. Te dronken om zijn naam te kunnen opgeven.' De Cock zuchtte diep. 'Arme kerel,' zei hij medelijdend. 'Hij heeft het niet meer gehaald.'

Vledder schudde het hoofd. 'Het lijkt mij interessant te weten wie er op hem stond te wachten.' 'Met andere woorden… voor wie was dat tweede kaartje?' Vledder knikte. 'Hij of zij wachtte tevergeefs.' De Cock stond langzaam van zijn stoel op en slenterde naar het raam. Daar bleef hij staan in zijn geliefkoosde houding: de handen op de rug, zachtjes wippend op de ballen van zijn voeten.

Beneden, voor de ingang van het bureau, stond een crèmekleurige ambulancewagen van de Geneeskundige Dienst, de deuren uitnodigend open.

Het slachtoffer werd weggehaald. Twee levensgrote dienders hielpen bij het dragen van de brancard. De Cock verzonk in gepeins. 'Hora ruit,' mompelde hij na een poosje. 'Voor Alex Delszsen niet meer. Voor hem riep de pedel van de dood… Hora est.' Vledder keek hem vragend aan. 'Hora est?' De Cock knikte traag. 'Het is tijd.'

Commissaris Buitendam, de lange, statige politiechef van het aloude politiebureau aan de Warmoesstraat, zwaaide driftig met een ochtendblad.

'Dit is… eh, dit is toch wel het toppunt.' Hij likte aan zijn droge lippen. Zijn anders wat bleek gezicht had een rode gloed. 'Dit heb ik in mijn lange politieleven nog niet meegemaakt. Dat men kritiek heeft op ons werk… dat is nog tot daar aan toe. Dat mag. We leven tenslotte in een democratische staat.' Hij klapte met de krant op de rand van zijn bureau. 'Maar dit…'

De Cock keek hem niet-begrijpend aan. 'Wat?' De politiechef wierp hem de verkreukelde krant toe. 'Lees de frontpagina. Er wordt duidelijk gesuggereerd dat wij Alex Delszsen hebben vermoord.' 'Wij!?'

De commissaris knikte heftig. 'Vermoord. We hebben hem rustig in zijn cel laten verrekken. Opzettelijk. Niet op eigen houtje… nee, maar heel keurig en heel discreet in opdracht van een reactionaire regering, die bevreesd was voor de groeiende invloed van het genie Delszsen.' 'Dwaas.'

'Inderdaad, maar het publiek leest het.' De Cock trok zijn platte neus op. 'Delszsen een genie… zei u? Ik dacht dat hij een wat verlate student was. Meer niet. Maar een genie… dat betwijfel ik.'

De commissaris gebaarde voor zich uit. 'Hij was een van die… eh, politiek bewuste jongeren die het studentenwereldje de laatste jaren zo in beroering brengen. Hij geldt… gold als een van de voornaamste animators van diverse studentenrellen.'

De Cock haalde zijn schouders op. 'Dat is toch geen reden om hem te vermoorden.'

De commissaris liet zich in zijn stoel zakken. 'Niet voor ons. En uiteraard ook niet voor onze regering. Maar er zijn blijkbaar groeperingen die ons graag een moord op Alex Delszsen in de schoenen zouden schuiven. Het is koren op hun molen. Begrijp je, De Cock, de dood van Alex Delszsen kan politiek gezien tal van consequenties hebben.' De Cock bromde. 'Wij zijn simpele, rechtlijnige politiemensen… geen warrige politici. Wat interesseert ons politiek. Laten die kranten schrijven wat ze willen.' Buitendam schudde het hoofd. 'Of je het leuk vindt of niet,' zei hij geduldig, 'de politiek interesseert zich voor ons. Laten we in godsnaam hopen dat de jongeman in cel zeven gewoon een natuurlijke dood stierf.' Hij boog zich iets naar voren, strekte zijn hand naar De Cock uit. 'Maar als Alex Delszsen werd vermoord, is het zaak dat zijn moordenaar snel wordt gepakt. Beter nog vandaag dan morgen. Wij zijn dat aan onszelf verplicht.' 'Waarom?'

De commissaris slikte iets weg. 'Waarom… waarom?' reageerde hij fel. 'Om… eh, omdat ik geen narigheid wil… omdat ik vanmorgen vroeg al allerlei belangrijke mensen aan de telefoon had… omdat ik er weinig voor voel de dupe te worden van een of ander politiek spelletje. Begrijp je?' De Cock schudde het hoofd. 'Nee,' zei hij stug, 'ik begrijp het niet.'

De commissaris sloot zijn ogen en zuchtte. 'Ga maar,' zei hij berustend. 'Ik wacht op je rapporten.'

De Cock slenterde de kamer uit, een zoete grijns om zijn lippen.

Vledder keek zijn collega glunderend aan. 'Je kunt het niet laten, hè? De Ouwe zit in een moeilijk parket. Daar behoor je begrip voor te hebben. De dood van Alex Delszsen is politiek-explosief.'

De Cock snoof. 'So what? Ik ben rechercheur. Ik onderzoek misdrijven. Dat is mijn werk. Dat heeft met politiek niets te maken. Een chirurg vraagt zich toch ook niet af of het gezwel dat hij verwijdert politiek rechts of links is georiënteerd. Hij snijdt het weg.' De grijze speurder gebaarde wild voor zich uit. 'Als Alex Delszsen werd vermoord, zal ik zijn moordenaar vinden, ongeacht diens politieke motieven en/of interessen.'

Vledder schudde het hoofd. 'Je bent een vreemde kerel.' De Cock knikte. 'Mooi,' zei hij gelaten, 'dat wil ik dan blijven.' Hij wuifde het onderwerp wat geërgerd weg. 'Terzake.. hoe was de sectie?'

Vledder haalde zijn schouders op. 'Niets bijzonders. Alex Delszsen zag er van binnen gaaf uit. Dokter Rusteloos heeft geen afwijkingen geconstateerd. Althans geen afwijkingen die zijn vroege dood konden verklaren. Volgens de patholoog-anatoom stierf Delszsen aan vergiftiging.' 'Maar dat kon hij niet aantonen.'

'Nee. Het toxicologisch onderzoek doet doctorandus Eskes. Ik heb hem maag en darminhoud, bloed en urine gebracht.' 'En verder?'

'Stukjes van de lever, de nieren, de longen… het gebruikelijke recept.' 'Geen punctieplekjes?'

'Dokter Rusteloos is alles zeer nauwkeurig nagegaan. Als Alex Delszsen door vergiftiging stierf, werd het gif niet met een injectienaald toegediend.'

De Cock lichtte zijn hoedje. 'Beste Eskes, kun je al iets zeggen?' Hij maakte een dwaas, bijna hulpeloos gebaartje. 'Vergeef me dat ik zomaar jouw domein binnenstap. Hoever sta je met je toxicologisch onderzoek? Je begrijpt dat ik nieuwsgierig ben. Ik zou nu toch eindelijk wel eens willen weten waar ik aan toe ben. Werd Alex Delszsen vermoord of niet?'

Drs. Eskes, groot politiedeskundige van het onvolprezen Amsterdamse recherchekorps, legde vriendschappelijk zijn arm om de brede schouders van De Cock en leidde hem naar het rommelige zijkamertje van zijn laboratorium, waar hij altijd te vinden was als… als hij niet toevallig met een van zijn proefjes bezig was. Drs. Eskes was een pure alchimist… op z'n minst een vijfhonderd jaar te laat geboren. 'Ja, ja,' zei hij traag. 'Ik begrijp je, De Cock. Ik begrijp je volkomen. Als uit mijn onderzoek zou blijken dat die Alex een natuurlijke dood is gestorven, heb jij er geen bemoeienis meer mee. Dan zou je de zaak rustig kunnen vergeten.' Hij keek hem van terzijde aan, steels, met een kleine twinkeling in zijn ogen. 'In je hart hoop je natuurlijk dat er geen vergif is. Het zou mij tenminste niets verbazen als je helemaal geen zin had in weer een nieuwe moordzaak.' De Cock grijnsde breed. 'Je schijnt me te kennen.' De politiedeskundige glimlachte. 'Allang… al heel lang. Ik schat zo ruim twintig jaar. Wil je geloven dat ik mij nog precies alle moordzaken die jij tot oplossing bracht herinner? En dat zijn er toch heel wat geweest. Het moet gezegd… je bent altijd bijzonder succesvol geweest.' De Cock staarde voor zich uit. 'Ja,' zei hij loom. 'Succesvol. Het klinkt misschien vreemd, maar ik ben er niet eens blij mee. Weet je, succes schept verplichtingen. Ik heb soms het gevoel dat ik voortdurend op de toppen van mijn tenen loop.' Drs. Eskes grinnikte. 'Dat loopt wat moeilijk.' De Cock negeerde het grapje. 'Je begrijpt wat ik bedoel. Men schijnt wel eens te denken dat ik een soort helderziende ben, een man met paranormale begaafdheden. En jij weet misschien wel beter dan wie ook dat het oplossen van moorden heel weinig met koffiedik te maken heeft.' Hij zweeg even, krabde zich achter in de nek. 'Ik vraag mij wel eens af wat men zou zeggen als ik eens faalde, als ik de dader eens niet vond. Ik geloof niet dat men zich dat kan voorstellen.' Hij zweeg opnieuw, keek de politiedeskundige wat somber aan. 'Ik… ik, voor mij, ik hoop dat Alex Delszsen niet werd vermoord.'

Drs. Eskes blikte terug. 'Ik begrijp je, je zou weer opnieuw moeten bewijzen hoe goed je bent.' Hij liet zich met een zucht in zijn stoel achter zijn bureautje zakken en schudde mistroostig het hoofd. 'Het spijt me, De Cock. Eerlijk, het spijt me. Ik moet je teleurstellen. Ik ben nog wel niet helemaal klaar met mijn onderzoek, ik moet nog een paar reacties afwachten, maar ik kan je nu toch al wel zeggen dat de maag- en darminhoud van Alex Delszsen een dodelijke hoeveelheid diethylparanitrofenylthiofosfaat bevatte.' De Cock trok rimpels in zijn voorhoofd. 'Wat bevatte?' Drs. Eskes lachte luid. 'Diethylparanitrofenylthiofosfaat, een praktisch niet uit te spreken woord. Maar och, met een beetje inspanning lukt het wel. Het zijn precies tweeëndertig letters. Tel ze maar na.' 'Ik denk er niet over.'

De politiedeskundige lachte opnieuw. 'Het is zo. Je hoeft er je tong ook niet over te breken. Ik zet het keurig voor je in mijn analyserapport. Dan kan je het later zonder moeite in je proces-verbaal overnemen.' De Cock knikte. 'En wat is diethyl-dinges?' Drs. Eskes stak een sigaret op en greep een van zijn vele boeken met chemische formules. Hij bezat een exclusieve bibliotheek over alle soorten dodelijk venijn. 'Diethylparanitrofenylthiofosfaat,' las hij zonder enige hapering, 'is de werkzame stof van parathion, een land- en tuinbouwvergif, behorende tot de groep van de organische fosforzure esters met anticholiesterasewerking.'

De Cock schoot in de lach. 'Gooi maar in mijn pet,' grinnikte hij. 'Het is voor mij puur abracadabra. Maar het klinkt wel mooi, moet ik zeggen… zo indrukwekkend.' Hij keek de politiedeskundige onderzoekend aan, zijn hoofd een beetje schuin. 'Als ik,' grijnsde hij, 'als ik nu eens alle franje weglaat, houd ik dan gewoon parathion over?' Drs. Eskes knikte bedaard. Hij boog zich weer over zijn boek. 'Parathion,' las hij onverstoorbaar verder, 'is een uiterst zwaar vergif, zowel bij het opnemen door de mond als na inademing. Het kan zelfs door de huid heen een dodelijke vergiftiging veroorzaken.' 'Dat is nogal wat. En de verschijnselen?' De politiedeskundige dook weer in zijn boek. 'Hoofdpijn, duizeligheid, misselijkheid, beklemd gevoel op de borst, onrust en angstige droombeelden, tranenvloed en slecht zien. In een wat later stadium komen daar nog bij hevige buikkrampen, diarree, sterk zweten en pijnlijke trekkingen in de spieren.'

De Cock trok een vies gezicht. 'Rot spul,' bromde hij. Drs. Eskes zuchtte diep. 'Dat kan je gerust zeggen. Rot spul. Tweehonderdvijftig milligram is al een letale… dodelijke dosis. En dan te bedenken dat dit uiterst gevaarlijke vergif in duizenden, ja, misschien wel in tienduizenden gezinnen voorhanden is. Hele literflessen vol. In de regel staat het zomaar open en bloot in het gootsteenkastje of buiten in het schuurtje, waar eenieder bij kan. Het is gewoon een griezelig idee.'

Een tijdlang zwegen beiden.

De Cock streek met zijn hand langs zijn brede kin en staarde naar de rooksliertjes die van zijn sigaret langzaam naar de zoldering dreven. 'Parathion,' zei hij peinzend, 'een beetje ongewoon. Ik bedoel… ongewoon voor de grote stad. Ik ben het in Amsterdam nog nooit tegengekomen.' De politiedeskundige schudde het hoofd. 'Nee,' zei hij bedachtzaam, 'nee. Ik kan mij tenminste geen Amsterdams geval herinneren.' Om zijn lippen speelde een fijn glimlachje. 'Het is ook een land- en tuinbouwvergif en de Amsterdammer is nu eenmaal niet zo agrarisch ingesteld. Maar buiten, op het platteland gebeuren er nog wel eens ongelukken mee. Je behoeft er de krantenverslagen maar op na te lezen. Het is ook voor moord dikwijls gebruikt. Het werkt snel.' De Cock keek op. 'Hoe snel?'

Drs. Eskes gebaarde voor zich uit. 'Tja, dat is wat moeilijk te zeggen. Dat kan zijn van een aantal minuten tot een aantal uren. Het hangt van een stel factoren af.' 'Welke?'

De politiedeskundige plukte aan zijn onderlip. 'De hoeveelheid van het toegebrachte vergif speelt natuurlijk een belangrijke rol. De weerstand van het slachtoffer. Zijn lichamelijke toestand. En dan… ook belangrijk: wat heeft het slachtoffer gegeten en/of gedronken kort voor- en nadat het gif werd toegediend. Sommige voedingsmiddelen en dranken werken vertragend. Andere hebben een stimulerende werking… bijvoorbeeld alcohol.' De Cock knikte begrijpend.

'Had Alex Delszsen alcohol in zijn bloed? De brigadier en de beide agenten zijn ervan overtuigd een dranklucht te hebben waargenomen.'

Drs. Eskes tastte de stapels papieren op zijn bureau af. 'Ja,' zei hij knikkend, 'er was alcohol. Ik moet mijn aantekeningen hier nog ergens hebben liggen.' Hij deed een greep in een van de laden van zijn bureau. 'Hier heb ik het. Het is 0,65 promille.' 'En dat betekent?' 'Twee à drie borrels.'

De Cock streek met zijn hand door zijn haar. 'Dat is niet veel.'

Drs. Eskes schudde het hoofd. 'Nee. Maar we kunnen toch wel aannemen dat bij Alex Delszsen de parathion snel heeft gewerkt. De alcohol werkte stimulerend… zorgde voor een snelle opname van het gif in het bloed.' De Cock kauwde op zijn onderlip. 'Zou het mogelijk zijn een soort tijdschema op te stellen?'

De politiedeskundige trok een bedenkelijk gezicht. 'Ik zou je aanraden met de tijd erg voorzichtig te zijn. Je kunt er weinig staat op maken. Je weet bijvoorbeeld niet eens het tijdstip van overlijden. Ja… ergens tussen acht uur 's avonds en één uur 's nachts. Maar dat is dan ook alles. Wanneer je zou willen terugwerken tot het tijdstip van het toedienen van het gif, mag je wel met een hele ruime marge rekening houden, wil je tenminste niet voor onaangename verrassingen komen te staan.'

De Cock schudde geërgerd het hoofd. 'Verdomde gifmoorden,' riep hij kwaad. 'Het is maar gelukkig dat ze zo weinig voorkomen.'

Drs. Eskes kwam moeizaam uit zijn stoel overeind. Hij liep naar het raam en keek over de daken van de oude stad. 'Ik geloof,' zei hij traag, nadenkend, 'dat we daar erg voorzichtig mee moeten zijn.' 'Hoe bedoel je?'

De politiedeskundige gebaarde naar buiten. 'Weet je,' zei hij aarzelend, 'ik geloof dat wij politiemensen er geen flauw idee van hebben hoe groot het aantal gifmoorden in werkelijkheid is.'

De Cock haalde zijn schouders op. 'Och wat,' zei hij nonchalant, 'zoveel zijn het er niet. Wat hebben we in ons lieve landje nu voor gifmoorden? Ze komen sporadisch voor. Ik schat alles bij elkaar hoogstens een of twee per jaar.' Drs. Eskes draaide zich van het raam af. Zijn gezicht stond ernstig. 'Volgens de statistieken heb je gelijk. Dan valt het ook wel mee. Niets om je druk over te maken.' Hij stak waarschuwend een vinger omhoog. 'Maar bedenk dat in de statistieken alleen die gifmoorden zijn opgenomen die openbaar zijn geworden, waarbij op het slachtoffer sectie is verricht, gevolgd door een toxicologisch onderzoek. Maar van die andere gevallen weten we niets.' De Cock keek de politiedeskundige niet-begrijpend aan. 'Ik kan je redenering niet helemaal volgen,' zei hij verwonderd. 'Natuurlijk weten we niets van die andere gevallen. We kennen uiteraard alleen de gifmoorden die uitkomen. De rest blijft voor ons verborgen. Dat is… dat is bij alle misdrijven zo. Er is altijd eenmissing link, een percentage verscholen feiten.'

Drs. Eskes knikte heftig. 'Juist,' zei hij met opgestoken vinger,'heel juist… en juist dat percentage verscholen gifmoorden schat ik bijzonder hoog.'

De Cock trok rimpels in zijn voorhoofd. 'Je bedoelt,' zei hij met een zweem van achterdocht, 'dat er volgens jou een groot aantal mensen dood-ge-moe-de-reerd onder de groene zoden wordt gestopt, zomaar, zonder dat er ooit politie of justitie aan te pas komt, terwijl… terwijl ze in feite zijn vermoord?'

De politiedeskundige lachte. 'Doodgemoedereerd,' zei hij fijntjes,'is een understatement, maar zo bedoel ik het inderdaad.' De Cock grinnikte wat schaapachtig. 'Ma… maar,' stamelde hij, 'dat is toch te gek. Hoe kom je in godsnaam op die dwaze gedachte?'

Drs. Eskes schudde het hoofd. 'Het is geen dwaze gedachte. Het is helemaal niet dwaas. Het is een simpele en volgens mij volkomen gerechtvaardigde conclusie.' Hij ging weer achter zijn bureau zitten en gebaarde naar de De Cock. 'Ik ga uit van het aantal pogingen.' 'Pogingen?'

Drs. Eskes knikte. 'Het aantal bekend geworden pogingen tot vergiftiging ligt namelijk vrij hoog. Je zou er gewoon van schrikken als je wist hoe vaak er geprobeerd wordt iemand door middel van vergif om het leven te brengen. En dat is niet alleen in Nederland zo, maar vrijwel overal in de wereld waar een criminele statistiek wordt bijgehouden.' De politiedeskundige ging er eens goed voor zitten. 'Bij een "poging" tot vergiftiging is de moordaanslag dus niet gelukt… nog niet. Hij werd op tijd ontdekt. Hoe ontstaat de ontdekking? Met andere woorden… hoe komt zo'n poging aan het licht? Wel, het object, het slachtoffer voelt zich niet prettig en gaat naar de dokter. In sommige gevallen zal het slachtoffer zelf het vermoeden opperen dat er sprake is van vergiftiging, in andere gevallen zal een oplettende arts de verschijnselen onderkennen. Maar hoe dan ook, het is altijd het slachtoffer zelf die het onderzoek, het criminele onderzoek op gang helpt.' Hij pauzeerde even. 'Maar wat gebeurt er als het slachtoffer niet meer in staat is om te spreken, met andere woorden… als de poging tot vergiftiging is gelukt?' De heer Eskes grijnsde breed. 'Dan, mijn beste vriend, kraait er geen haan naar… zelfs geen De Cock.' De Cock glimlachte om de woordspeling. 'Toch geloof ik,' zei hij ernstig, 'dat je de zaak te simpel voorstelt. Zo eenvoudig is een gifmoord nu ook weer niet. Je zult eerst vergif moeten bemachtigen en dan het slachtoffer om de tuin leiden. Vrijwillig neemt hij geen vergif in. En als dat allemaal lukt, komt er toch altijd een dokter voor de doodschouw. Wanneer een van zijn patiënten vrij plotseling sterft, ik bedoel zonder een voorafgaande ziekte, zal hij niet zo gemakkelijk een verklaring van overlijden afgeven. Bij de geringste twijfel wordt toch al een sectie verricht.' Hij zuchtte diep. 'Maar je hebt gelijk… het is zaak om voorzichtig te zijn. Een goed opgezette gifmoord blijft gemakkelijk onopgemerkt.'

De politiedeskundige staarde voor zich uit. 'Het is om te huiveren,' zei hij zacht.

Een tijdlang zwegen beiden. Ineens verscheen er op het vriendelijke gelaat van drs. Eskes een zoete glimlach. 'Weet je, De Cock,' zei hij gnuivend, 'ik moet bij vergiftiging altijd denken aan Arsenicum en oude kant, dat toneelstuk waarin twee schattige oude dametjes heel genoeglijk een dozijn argeloze eenzame mannetjes om zeep helpen. Kostelijk. En dan niet te vergeten onze eigen vaderlandse Goede Mie, de zo zorgzame Leidse gifmengster, die terwille van een paar verzekeringspenningen een vijftal families compleet uitroeide. Ze werd Goede Mie genoemd, omdat ze zo zorgzaam, lief en vriendelijk was. In het buurtje waar ze moordend rondging, gold ze als een engel der weldaad.' De politiedeskundige bracht zijn wijsvinger voor zijn neus. 'Kijk, De Cock, dat is juist zo merkwaardig, zo opvallend… de luitjes die voor hun moorden vergif gebruiken, hebben heel vaak een vriendelijk masker.'

De Cock krabde zich achter in de nek. 'Een vriendelijk masker,' herhaalde hij peinzend. 'Wist ik maar welk masker de moordenaar van Alex Delszsen gebruikt.' Drs. Eskes keek naar hem op. 'Het zou de zaak aanmerkelijk vereenvoudigen.'

Загрузка...