Rechercheur De Cock reageerde nauwelijks. Hij schoof zijn dikke onderlip naar voren, vatte het papieren servetje aan een van de hoeken vast en trok het smalle mes naar zich toe. Hij boog zich naar voren en bekeek het aandachtig. In het geronnen bloed was een duidelijk papillairlijnenbeeld zichtbaar.
Van Marle slikte. 'Ik vrees,' zei hij zacht, 'dat die vingerafdruk van mij is. Ik ben niet erg zorgvuldig geweest. Ik heb het mes opgeraapt zonder erbij na te denken.' De Cock keek naar hem op. 'Wie waren erbij toen u het opraapte?'
'Niemand… niemand heeft ook gezien dat ik het had. Ik hield het in de mouw van mijn pyjama verborgen.' 'Waarom?'
Van Marle trok wat sullig zijn schouders op. 'Ik weet het niet. Ik had gewoon het gevoel dat ik het niet moest laten zien.'
De Cock streek met zijn hand over zijn kin. 'Waren ze er allemaal? Ik bedoel, toen u riep, kwamen toen alle studenten van het dispuut naar boven?'
Van Marle staarde peinzend voor zich uit. 'Ja… allemaal… behalve dan Van der Duijn. Hij was verdwenen… Ik neem aan dat hij op eigen kracht het huis heeft verlaten. Ziet u, ook zijn kleren zijn weg.'
De Cock knikte. 'Hij ligt met een messteek in het ziekenhuis.' 'Ernstig?'
'Het valt mee. Als alles goed gaat, mag hij over een paar dagen het ziekenhuis weer verlaten.' 'Kan ik hem bezoeken?'
De Cock schudde het hoofd. 'Ik heb opdracht gegeven dat niemand bij hem mag komen. Hij wordt dag en nacht door ons bewaakt. U begrijpt, we willen niet het risico lopen…'
'U hebt al met hem gesproken?' 'Ja.'
'En… wie was het?'
De Cock antwoordde niet direct, glimlachte. 'Dat,' loog hij vriendelijk, 'willen we nog even geheimhouden.' Hij keek naar de student op. 'Gaat u weer zitten. Ik wil nog eens ernstig met u praten. Uiteindelijk bent u medeverantwoordelijk voor hetgeen is gebeurd.' 'Ik?'
De Cock knikte. 'Gelukkig dat wij op die zelfmoordsuggesties van u en de anderen niet al te serieus zijn ingegaan…' Hij keek over het hoofd van de jonge student heen naar een blozende Vledder, 'het had ons onderzoek ernstig kunnen belemmeren. Van wie was eigenlijk het idee?' 'Om zelfmoord te suggereren?' 'Ja.'
De student tastte nadenkend naar het hoofd. 'Shepherd… ja, Shepherd. Hij was het. Hij kwam met het voorstel.' Van Marle zweeg even, staarde voor zich uit in het niets. 'Ik geloof dat wij allen er direct mee instemden, juist omdat het voorstel van hem kwam.' 'Hoezo?'
De student glimlachte. 'Delszsen en Shepherd… voor ons een begrip. Zoiets als Laurel en Hardy, Van Gend en Loos, Johnny en Rijk. Toen Shepherd het voorstel deed, was het alsof hij namens Delszsen sprak, begrijpt u, zo nauw waren in onze gedachten die twee met elkaar verbonden… verweven tot een eenheid.'
De Cock reageerde niet direct. Hij overwoog de woorden van de jonge student en trachtte zich een beeld te vormen van de onderlinge verhoudingen in het dispuut. 'Laurel en Hardy,' zei hij aarzelend, 'Johnny en Rijk… U noemde komische duo's. Had de relatie Delszsen en Shepherd iets lachwekkends… iets komisch?'
Van Marle grinnikte. 'Delszsen was veruit de meerdere van Shepherd… in elk opzicht. Hij liet dat trouwens wel blijken ook. Het was voor ons wel eens amusant om aan te horen hoe Alex Delszsen Shepherd bejegende… vaak neerbuigend… Ik zou bijna zeggen… meestal neerbuigend, soms zelfs vernederend, maar haast altijd geestig.' Hij maakte een wat verdrietig gebaar. 'Shepherd verdroeg dat. Hij wel. Hij adoreerde Delszsen… wilde nooit een kwaad woord over hem horen.'
De Cock knikte begrijpend. 'Als ik goed ben ingelicht,' zei hij voorzichtig, 'werd er de laatste tijd in het dispuut nogal dikwijls over het onderwerp "moord" gediscussieerd. Misschien een zuiver toeval… maar gezien in het licht van de moord op Alex Delszsen toch hoogst merkwaardig. Wie bracht het onderwerp moord steeds ter sprake tijdens die discussies?'
Van Marle haalde zijn schouders op. 'Dat is moeilijk te zeggen,' antwoordde hij peinzend. 'Plotseling zit men midden in de problematiek en dan is het achteraf moeilijk meer na te gaan wie het onderwerp aanvankelijk aanroerde.' De Cock krabde zich achter in de nek. 'Er bestond,' zei hij traag, 'over het onderwerpmoord weinig eenstemmigheid. Ik heb gehoord dat de debatten heftig waren, fel, op het onfatsoenlijke af. De meningen liepen blijkbaar nogal uiteen.' 'Inderdaad.'
De Cock gebaarde. 'Wat waren de grootste twistpunten?' Van Marle staarde naar het plafond, trachtte kennelijk de disputen weer in zijn herinnering te laten herleven. 'Kluffert…' zei hij nadenkend, 'Kluffert en Delszsen… zij waren de onverzoenlijkste tegenstanders.' 'In welk opzicht?'
'Delszsen verdedigde een stelling die hij het recht van zelfmoord noemde.' 'Het recht van zelfmoord?'
Van Marle glimlachte. 'Ja,het recht van zelfmoord, zo noemde Delszsen dat. Volgens hem had de mens op aarde slechts één werkelijk bezit… zijn leven. Hij kreeg dit leven bij zijn geboorte en behield het tot aan zijn dood. Wat de mens zich ook in die tijd vergaarde, slechts het leven behoorde hem werkelijk in eigendom toe. De mens, als individu, bezat dat leven als een exclusief recht, volkomen soeverein, en kon daar dus naar believen over beschikken.'
De Cock knikte. 'Dus ook vernietigen.' Van Marle zuchtte. 'Precies… het recht van zelfmoord.' De Cock glimlachte hem toe. 'U wilt,' zei hij zoet sarcastisch, 'toch niet opnieuw een zelfmoordsuggestie doen?' Van Marle schudde verontwaardigd het hoofd. 'Nee, nee,' riep hij afwerend, 'absoluut niet. Ik geloof niet dat Delszsen zelfmoord pleegde. Ik tracht slechts de diverse standpunten weer te geven, omdat ik dacht dat het uw interesse had.' De Cock maakte een verontschuldigend gebaar. 'Het heeft mijn interesse,' zei hij vriendelijk. 'Gaat u door.' Van Marle verschoof iets op zijn stoel. 'Kijk,' vervolgde hij, 'dat dispuut over zelfmoord vloeide voort uit de debatten over moord. U begrijpt dat Alex Delszsen, die leven als een onvervreemdbaar recht van elk individu beschouwde, zich ook onmogelijk kon verenigen met zoiets als de doodstraf. Hij was daarvan een vurig tegenstander en noemde elk doodvonnis eenvoudig een staatsmoord. Trouwens elk doden van een medemens, in welke vorm ook, hoe ook gemotiveerd, was voor hem een moord… en dus verwerpelijk.' De Cock keek de jonge student onderzoekend aan. 'Dat klinkt toch wel prettig. Vindt u niet?'
Van Marle knikte heftig. 'Zeker,' riep hij enthousiast, 'heel prettig. Als toekomstig medicus was ik het ook volkomen met Alex eens.' 'Wie dan niet?'
'Kluffert… zoals ik al zei… op grond van zijn geloofsovertuiging… en dan Haverman.' De Cock trok zijn wenkbrauwen op. 'Haverman?' De jonge student knikte bevestigend. 'Haverman vond dat er omstandigheden waren waaronder moord wel aanvaardbaar was.'
De Cock trok een vies gezicht. 'Moord… aanvaardbaar?' Van Marle gebaarde voor zich uit. 'Haverman studeert rechten, moet u weten. Hij kwam met het begrip noodweer.' De Cock glimlachte opgelucht. 'Noodzakelijke verdediging,' citeerde hij, 'van eigen of anders lijf, eerbaarheid of goed.' Van Marle knikte. 'Precies, zo was het. Hij bracht het geloof ik wel beroemde voorbeeld ter tafel van twee eenzame schipbreukelingen op een klein vlot midden in een onmetelijke oceaan. Het vlotje is zo nietig, dat het slechts één man kan dragen. Met beiden op het vlot zinkt het onherroepelijk. Een van de schipbreukelingen zal dus moeten loslaten en verdrinken. De vraag… wie?'
De Cock grijnsde breed. 'Wanneer de ene schipbreukeling de andere… in feite dus uit lijfsbehoud van het vlotje stoot en laat verdrinken, is hij niet strafbaar. Zijn daad is dan volkomen gerechtvaardigd.' 'Dat zei Haverman, ja.'
De Cock lachte. 'Ik ken het voorbeeld, maar ik vermoed zo, dat vriend Haverman zijn colleges in het recht slecht volgt. Dit is namelijk niet een voorbeeld van noodweer, maar van overmacht.''
Van Marle lachte mee. 'U zult wel gelijk hebben. Het verschil tussen overmacht en noodweer zegt mij als leek niet zoveel. Wetten hebben trouwens niet mijn interesse.' De Cock knikte traag. 'Dat begrijp ik. Voor een aanstaand medicus zijn ze niet zo interessant. A propos… hoe reageerde Delszsen op het voorbeeld?'
Van Marle schudde krachtig het hoofd. 'Hij wilde er niets van weten. Niemand had volgens hem het recht, onder welke omstandigheden dan ook, over het leven van zijn medemens te beschikken… ook niet op een wankel vlotje te midden van een onmetelijke oceaan. Het bleef moord… pure moord.'
De Cock keek de student onderzoekend aan. 'Wat moest er volgens Delszsen in het gegeven geval gebeuren?' De student glimlachte. 'Alex draaide de zaak om. Hij zei dat de ene schipbreukeling de ander niet mocht toestaan een moordenaar te worden. Zij dienden beiden het wankele eenmansvlotje af te wijzen en verder te zwemmen tot hun krachten het begaven. Volgens Delszsen was het beter dat beiden stierven dan dat een van hen overleefde met de schuldenlast een medemens te hebben gedood.' De Cock knikte peinzend voor zich uit. 'Dit klinkt zeer ethisch.'
Van Marle streek met de rug van zijn hand over zijn voorhoofd. 'Ja, zeer ethisch. Zo was Delszsen. Hij verdedigde zijn standpunt meesterlijk en, zoals altijd, met veel allure. Maar hij kon toch niemand tot zijn mening bekeren. Men was algemeen van oordeel dat men in zo'n geval niet van moord kon spreken en dat zijn benadering van het probleem in strijd was met de menselijke natuur.' De student pauzeerde even, grinnikte zachtjes. 'Tot Delszsens zichtbare verbazing was zelfs Shepherd het dit keer niet met hem eens.' 'Was dat zo ongewoon?'
'Jazeker. Shepherd ging nooit tegen de mening van Delszsen in.' Van Marle gnuifde. 'Wat Delszsen deed, was welgedaan. Shepherd vond gewoonlijk alles goed. Bijna slaafs. Maar hij diende die avond Alex toch goed van repliek. We stonden er verbaasd van. Hij bracht zelfs een nieuw element in het geding.'
'Een nieuw element?'
Van Marle trok rimpels in zijn voorhoofd. 'Het was nogal ingewikkeld, herinner ik mij, haast filosofisch. Shepherd vond moord in bepaalde omstandigheden niet alleen aanvaardbaar, maar in sommige gevallen zelfs niet te vermijden. Wanneer iemand zijn leven in ernstige mate door een ander zag bedreigd, zodat er in feite slechts sprake was van de keuze "hij of ik" — dan achtte hij moord zelfs geboden… een dwingende eis… ook al was de daad op zich niet in overeenstemming met het geweten van de dader. Volgens Shepherd kon de dader gebukt gaan onder de morele last van zijn daad, terwijl hij toch diezelfde daad verstandelijk volkomen aanvaardbaar achtte. Als een duidelijk voorbeeld hiervan noemde hij de romanSchuld en Boete, waarin een intelligente, zachtaardige student een oude geldschietster vermoordt.'
De Cock wreef met duim en wijsvinger in zijn ooghoeken. Het was een vermoeid gebaar. 'Moord,' zei hij loom, 'het onderwerp is schier onuitputtelijk. Overigens… ik maak u mijn compliment. U hebt een uitstekend geheugen. Bewonderenswaardig. Wat was eigenlijk uw persoonlijke standpunt?' 'Inzake moord?' 'Ja.'
Van Marle gebaarde zuchtend. 'Het leven is heilig. Niemand heeft het recht daarover te beschikken… ook het individu zelf niet. Verder was ik het in grote trekken wel met Delszsen eens.'
Een tijdlang zaten ze zwijgend tegenover elkaar… de jonge student Van Marle, de lome, wat vermoeide De Cock. Schuin achter de stoel van de student zat Vledder. Hij maakte aantekeningen. Buiten in de Warmoesstraat klonk het rumoer van een jengelende jukebox. Flarden muziek drongen vaag, vervormd tot de recherchekamer door. Soms werden ze overstemd door het schelle gegiechel van business-meiden en het lallend gezang van benevelde lieden. 'Alex Delszsen…' zei De Cock peinzend, 'een markante, haast indringende persoonlijkheid. Ik had hem graag in leven ontmoet… misschien begreep ik dan meer van zijn dood.' Hij schonk de student een matte glimlach. 'Vertel me eens… hoe was uw houding tot hem?' Van Marle tuitte zijn lippen. 'Vriendschappelijk… ja, zo kunt u het wel noemen. Hij klaagde bij mij nog wel eens zijn nood.' 'Nood?'
'Ja, Alex meende bij zichzelf al tekenen van lichamelijk verval te bespeuren.'
De Cock keek de student verwonderd aan. 'Lichamelijk verval,' herhaalde hij verbaasd. 'Delszsen was nog geen drieëndertig jaar.'
Van Marle knikte. 'Hij was van mening dat zijn vitaliteit de laatste maanden wat te wensen overliet. Hij meende dat hij niet meer zoveel… eh, zoveel liefdeskracht had als vroeger.'
De Cock schoot in de lach. 'En wat heeft onze toekomstige medicus daaraan gedaan… als therapie?'
Van Marle maakte een komisch gebaartje. 'Ik heb hem een tonicum voorgeschreven.'
'Een tonicum?'
'Ja.'
Het gezicht van De Cock veranderde plotseling. De geamuseerde trek om zijn mond verdween. De lijnen van zijn gezicht werden ineens strak, ernstig. 'En heeft hij uw raad opgevolgd?' 'Zeker. Hij heeft een fles tonicum gekocht. Hij heeft hem mij op zijn kamer laten zien. Een grote fles. Hij verwachtte er, geloof ik, wonderen van.'
Over het hoofd van de jonge student heen keek De Cock even naar Vledder, die gebarend was opgestaan en achter de rug van Van Marle heftig nee stond te schudden. Daarna richtte hij zijn blik weer op de student. 'Waar,' vroeg hij dwingend, 'waar is die fles tonicum gebleven? In zijn kamer werd hij niet gevonden.'
Van Marle haalde verbaasd zijn schouders op. 'Die fles moet er zijn,' antwoordde hij resoluut. 'Ze was nog lang niet leeg.' De Cock staarde de student aan. Zijn gezicht had geen uitdrukking, maar zijn hersenen werkten op volle toeren. Ineens, in een felle gedachteflits, raadde hij de oplossing, wist hij waar het tonicum was… en een angstig voorgevoel maakte zich van hem meester. Het verlamde hem… even maar. Toen sprong hij op en rende naar de deur. 'Schiet op,' schreeuwde hij naar Vledder, 'voor het te laat is.' Met rappe bewegingen schoof hij de lange gang door. Vledder volgde hem op de voet.
Van Marle bleef achter, alleen, op zijn stoel midden in de grote recherchekamer. Met zijn mond halfopen van verbazing zag hij er wat dom uit.