De Cock glimlachte.
‘Nood breekt wet. Dat zeg jij. En ik neem aan, dat de gemiddelde burger er ook zo over denkt.’ De oude rechercheur schudde zijn hoofd. ‘Die regel geldt echter niet voor ons. Van ons wordt geen nood veronderstelt, voor ons geldt alleen de wet. Wij kunnen ons nooit op een noodsituatie beroepen. Zelfs een beroep op het wettelijk noodweer is twijfelachtig. Ik heb nog nooit meegemaakt dat de rechter een beroep op noodweer van een politieman of — vrouw heeft gehonoreerd. Als wij onze wettelijke bevoegdheden overschrijden, dan gaan we zonder mankeren de petoet in. Zo simpel is dat.’
De oude rechercheur maakte een grimas.
‘Toch heb ik… als ik meende daarmee de gerechtigheid te dienen… dikwijls mijn bevoegdheden als rechercheur overschreden. Bewust. Tot nu… gelukkig… zonder gevolgen. Al was het wel eens kantje boord.’
Vledder keek hem aan.
‘Doen we het… of doen we het niet?’
De Cock knikte.
‘We doen het,’ sprak hij overtuigend. ‘Ik laat Marie van den Heuvel vanavond, zo rond de klok van tien uur, door de wachtcommandant ontbieden. Die houdt haar aan bureau Warmoesstraat een tijdje onnozel aan de praat en in de tussentijd doorzoeken wij haar woning.’
De ogen van Vledder glansden.
‘Prachtig.’
De Cock gebaarde afwerend.
‘Je moet wel bedenken,’ sprak hij waarschuwend, ‘dat bij het aantreffen van een vuurwapen in haar woning… al is het een echte Nagant… wij er niets mee kunnen doen.’
‘Hoe bedoel je?’
‘We kunnen het wapen niet in beslag nemen. We kunnen er geen onderzoeken mee doen, zonder toe te geven dat wij onbevoegd haar woning zijn binnengedrongen. En dan bezegelen we ons eigen lot.’
Vledder grijnsde.
‘Het is dus in feite zinloos?’
De Cock schudde zijn hoofd.
‘Niet helemaal. Als we het geluk zouden hebben om een Nagant revolver in haar woning aan te treffen, dan laten we dat wapen rustig liggen, maar concentreren onze aandacht wel geheel op Marie van den Heuvel… in de hoop sporen of aanwijzingen te vinden waarmee we wettelijk gezien wel voor de dag kunnen komen.’
Vledder snoof.
‘Ik wil die gok toch wagen. Als wij geen opening in deze zaak kunnen vinden, dan moeten we er een forceren. Ik wil dat rotte gevoel kwijt dat wij in deze zaak…’
De jonge rechercheur stokte, omdat er op de deur van de grote recherchekamer werd geklopt.
Vledder riep: ‘Binnen.’
De deur ging open en in de deuropening stond een jonge vrouw. De felrode, doch slobberige regenkleding die zij droeg, compleet met een modieuze zuidwester, verhulde haar uitbundige vormen nauwelijks.
Toen ze de zuidwester afnam, golfde een weelde van goudblond haar tot op haar schouders. Bijna zwevend, met een zware aktetas bungelend aan haar rechterhand, trad ze naderbij. Bij het bureau van De Cock bleef ze staan en glimlachte.
De oude rechercheur voelde hoe zijn hart weer onstuimig begon te kloppen.
‘Goedemiddag!’ riep hij opgewekt. ‘Welkom, Josee van de Weetering.’
Ze lachte en toonde een parelend gebit.
‘U hebt een goed geheugen voor namen.’
De Cock had willen zeggen, dat hij ook een goed geheugen had voor uitbundige vormen en proporties, maar hij bedwong zich.
Vledder kwam ineens overeind en ging aan een ander bureau zitten. De oude rechercheur zag het, maar reageerde niet. Hij keek op naar Josee van de Weetering en wees naar de stoel naast zijn bureau.
‘Ga zitten,’ sprak hij vriendelijk.
Josee van de Weetering nam plaats en zette de zware aktetas op haar knieën.
‘Mevrouw Van Nibbixwoud heeft u gebeld dat ik zou komen?’ vroeg ze.
De Cock knikte.
‘Een slotenman,’ sprak hij samenvattend, ‘heeft het bureau van Hendrik Zuiderman opengepeuterd en u en mevrouw Van Nibbixwoud hebben, zonder toezicht van het overige personeel, de inhoud geïnspecteerd.’
Josee van de Weetering keek hem verwonderd aan.
‘Hoe weet u dat mevrouw Van Nibbixwoud het personeel heeft weggejaagd?’
De Cock lachte.
‘Een geheim agent,’ antwoordde hij ontwijkend. ‘Wij hebben overal oren en ogen.’
Josee van de Weetering keek hem even wantrouwend aan en trok daarna haar schouders op.
‘Mevrouw Van Nibbixwoud wilde voorkomen, dat… mochten wij in het bureau van Zuiderman iets bijzonders aantreffen… daarvan ook maar iets naar buiten zou uitlekken. Wij vertrouwen erop, dat ook u niets aan de openbaarheid prijsgeeft, wat de naam van ons reclamebureau kan schaden.’
De Cock gniffelde.
‘Ik geef alleen iets prijs aan die geblinddoekte dame met haar zwaard en weegschaal.’
‘Justitie?’
‘Precies.’
Josee van de Weetering knikte gelaten.
‘Oké, dat is uw plicht.’
De Cock glimlachte.
‘En,’ riep hij vrolijk, ‘hebben jullie in het bureau van Hendrik Zuiderman bijzonderheden aangetroffen?’
Josee van de Weetering maakte een droef gebaar.
‘Die Zuiderman blijkt achteraf een vreemde, achterdochtige man. Dat had ik beslist niet verwacht. Sinds de dood van de heer Van Nibbixwoud noteerde hij vrijwel alles wat er in het kantoor van ons reclamebureau gebeurde… werktijden… bezoeken van opdrachtgevers… opmerkingen van het personeel.’
‘Een soort dagboek.’
‘Ja, een soort kroniek.’
De Cock hield zijn hoofd iets schuin.
‘Porno gevonden?’
Josee van de Weetering nam de aktetas van haar knieën en zette die naast zich op de vloer.
‘Veel porno. Laden vol,’ sprak ze langzaam.
‘Ook kinderporno?’
Josee van de Weetering knikte.
‘Ook kinderporno.’
Ze zweeg even en keek De Cock aan.
‘Voor ik u daarvan iets laat zien,’ ging ze verder, ‘moet ik u namens mevrouw Van Nibbixwoud zeggen, dat zij zich van de handelingen van Hendrik Zuiderman volkomen distantieert. Ze heeft nooit opdracht gegeven tot het vervaardigen van de rommel die wij in zijn bureau op ons kantoor aan de Herengracht hebben aangetroffen.’
Ze bukte zich, maakte de aktetas open en nam daaruit een map met foto’s, die zij De Cock overhandigde.
‘Ronduit schunnig.’
De oude rechercheur bekeek de foto’s aandachtig. Het waren kleurenfoto’s van folio formaat waarop steeds een naakte Christiaan Adriaansen was te zien in gezelschap van een lichtgebouwd jongetje van rond de twaalf jaar.
De Cock wees naar het jochie.
‘Is dat Albert van den Heuvel?’
Josee van de Weetering schudde haar hoofd.
‘Albert van den Heuvel als model, dat is jaren geleden. Dit zijn recente foto’s. We kunnen dat zien aan het fotopapier, dat wij nog maar kort… sinds een paar maanden in ons reclamebureau gebruiken.’
‘Wie is dat kereltje?’
Josee van de Weetering zuchtte.
‘Vermoedelijk heet hij Freddy van Alshoven. Kort voor de dood van Hendrik Zuiderman heeft mevrouw Van Nibbixwoud via een advocaat een claim binnen gekregen van een man, die beweert de vader te zijn van een jongetje, dat door personeel van reclamebureau Het Intellect voor het vervaardigen van kinderporno werd gebruikt.’
De Cock fronste zijn wenkbrauwen.
‘Daar heeft mevrouw Van Nibbixwoud,’ sprak hij verwonderd, ‘mij niets van gezegd.’
Josee van de Weetering maakte een verontschuldigend gebaar.
‘Mevrouw Van Nibbixwoud heeft aanvankelijk niet gereageerd op die claim… ze heeft hem ook niet ernstig genomen.’
‘Waarom niet?’
‘Ze begreep niet waarop de claim berustte… dacht aan een misverstand. Voorzover haar bekend, werd bij reclamebureau Het Intellect geen kinderporno gemaakt. De naam van een twaalfjarige Freddy van Alshoven, die in de claim werd genoemd, zei haar niets. Ze had die naam nooit, in geen enkel verband, horen noemen.’
‘Ze heeft geen navraag gedaan bij het personeel?’
Josee van de Weetering schudde haar hoofd.
‘Pas na de moord op Hendrik Zuiderman kwam mevrouw Van Nibbixwoud op de gedachte, dat hij wellicht in zijn oude fout was vervallen en opnieuw tot het vervaardigen van kinderporno was overgegaan… nu met een twaalfjarige Freddy van Alshoven als model. Daarover wilde ze eerst zekerheid. Vandaar dat wij zo geheimzinnig deden bij het openen van het bureau van Zuiderman.’
De Cock keek haar schattend aan.
‘Als ik die claim goed begrijp,’ formuleerde hij voorzichtig, ‘deed Hendrik Zuiderman het aan anderen voorkomen, dat hij kinderporno vervaardigde in dienst en in opdracht van reclamebureau Het Intellect?’
Josee van de Weetering knikte met toegeknepen lippen.
‘De schoft.’
Het kwam uit de grond van haar hart.
Toen Josee van de Weetering, door De Cock nagestaard, licht heupwiegend op haar rode laarsjes uit de grote recherchekamer was verdwenen, slaakte de oude rechercheur een diepe zucht. Zijn hart zakte weer naar een vertrouwd ritme.
‘Wijlen Van Nibbixwoud,’ memoreerde hij hardop, ‘noemde zijn secretaresse “ons mooi en lief Jozeetje” en de schatrijke Charles Vandenberg… groot, knap, romantisch en charmant… werd op haar verliefd en nam haar gretig tot zijn vrouw. Het lijkt een sprookje uit een Bouquet-reeks.’
Vledder ging aan de mijmeringen van De Cock voorbij. Hij verliet zijn vreemde plek en ging weer aan zijn eigen bureau zitten.
‘Ik heb genoten van jouw verhoor,’ sprak hij opgewekt. ‘Het verloopt bijna achteloos. Die techniek moet ik mij nog eigen maken.’
De Cock negeerde de lof.
‘Hendrik Zuiderman,’ resumeerde hij, ‘was met zijn oude kompaan Christiaan Adriaansen weer begonnen aan het maken van kinderporno.’
Vledder glunderde.
‘En ik weet,’ jubelde hij, ‘wie die twee heeft omgebracht.’
De Cock keek hem verstoord aan.
‘Wat weet jij?’
In zijn stem trilde ongeloof.
Vledder glimlachte.
‘Ik weet wie Hendrik Zuiderman en Christiaan Adriaansen heeft vermoord.’
‘Nou?’
‘Mathilde van Nibbixwoud.’
De Cock trok een denkrimpel in zijn voorhoofd
‘Mathilde van Nibbixwoud?’ herhaalde hij vragend.
Vledder knikte.
‘En ik ken haar motief.’
De Cock grijnsde breed.
‘Dat is knap. En mag ik weten,’ sprak hij licht spottend, ‘waarop jouw wetenschap berust?’
Vledder keek hem verwonderd aan.
‘Ik dacht dat jij dat zelf ook wel had begrepen. Het is zo helder als glas.’
De Cock trok zijn schouders op.
‘Voor mij niet.’
Vledder knikte nadrukkelijk.
‘Voor mij wel.’
De Cock schoof zijn onderlip naar voren.
‘Vertel.’
De jonge rechercheur zwaaide enthousiast.
‘Josee van de Weetering,’ opende hij blij, ‘gaf… bewust of onbewust… een verkeerde voorstelling van zaken.’
‘In welk opzicht?’
‘Mathilde van Nibbixwoud kwam niet pas na de moord op Hendrik Zuiderman op de gedachte dat hij weer in zijn oude fout was vervallen.’
De Cock keek hem verward aan.
‘Wanneer dan?’
Vledder gebaarde heftig.
‘Onmiddellijk. Op hetzelfde moment, dat die claim van de vader van dat jochie… Freddy van Alshoven… bij haar binnen dwarrelde, begreep ze dat Hendrik Zuiderman weer met kinderporno was begonnen. Ik denk dat er bij haar zelfs geen moment van twijfel is geweest.’
De Cock kneep zijn ogen halfdicht.
‘Dat is geen slechte redenering, Dick Vledder. Dat is zelfs heel goed,’ sprak hij bewonderend. ‘Er was voor Mathilde van Nibbixwoud op dat moment ook een duidelijk motief. Door de activiteiten van Hendrik Zuiderman dreigde de ondergang van haar gehele reclamebedrijf. Wilde ze voorkomen dat Zuiderman en Adriaansen haar geheel te gronde richtten, moest ze snel en adequaat handelen.’
Vledder was opgetogen.
‘Zie je wel. Het is zo helder als glas. Ze vermoordde eerst Zuiderman en de dag daarop Christiaan Adriaansen. Het is nu ook duidelijk waarom beide mannen hun moordenaar zonder enige argwaan binnen lieten. Zij meenden dat ze van Mathilde van Nibbixwoud geen kwaad hadden te duchten.’
Vledder kwam half uit zijn stoel overeind.
‘Gaan we haar arresteren?’
De Cock negeerde de vraag. Over het gezicht van de oude rechercheur gleed een schaduw.
‘De moeilijkheid is… hoe bewijzen we dat? Ik wil ook eerst wat meer weten over die claim. Wat is dat voor een claim? Wat eist de vader van die Freddy van Alshoven?’
Vledder grinnikte.
‘Het zal wel neerkomen op een beleefde en gelegaliseerde vorm van chantage. Daar schijnen onze Nederlandse advocaten in navolging van hun Amerikaanse collega’s ook enige handigheid in te krijgen.’
De jonge rechercheur sloeg plotseling zijn rechterhand voor zijn gezicht.
‘Ik moet naar Westgaarde… de gerechtelijke sectie op het lijk van Christiaan Adriaansen.’
‘Hoe laat word je door dokter Rusteloos verwacht?’
‘Zes uur.’
De Cock keek omhoog naar de grote klok boven de toegangsdeur van de recherchekamer en tuitte zijn lippen.
‘Als het verkeer niet te veel tegen zit, ben je nog wel op tijd.’
Vledder aarzelde.
‘Voor ik ga, moet ik je nog iets zeggen.’
De Cock keek hem achterdochtig aan.
‘Nog een verassing?’
Vledder knikte.
‘Ook Josee van de Weetering beweegt haar voeten op een manier, die overeenkomt met de krassen in de vloerlak bij de secretaire in de woning van Christiaan Adriaansen.’
De jonge rechercheur greep zijn regenjas van de kapstok en rende het vertrek uit. Bij de deur stuitte hij op een lange, statige man, die hij bijna omver kegelde.
De man kwam naderbij. Hij draaide zich half om.
‘Die jongeman had haast.’
‘Inderdaad. Dokter Rusteloos, onze patholoog-anatoom, is een strenge man. Te laat komen duldt hij niet.’
‘Bent u rechercheur De Cock?’
De grijze speurder knikte.
‘De Cock, met ceeooceekaa,’ antwoordde hij bijna automatisch. ‘En de jongeman die zo haastig dit vertrek verliet, is mijn collega Vledder.’
‘Mevrouw Van Nibbixwoud zei mij, dat ik mij bij u diende te vervoegen.’
De Cock knikte.
‘U bent Peter van Waardenburg, gehuwd, vader van twee studerende kinderen.’
‘Dat is juist.’
De Cock wuifde naar de stoel naast zijn bureau.
‘Neemt u plaats.’
Peter van Waardenburg knoopte zijn mantel los en ging zitten. De Cock nam de tijd om hem nauwkeurig op te nemen. Hij schatte de man op achter in de veertig. Peter van Waardenburg had, zo concludeerde de oude rechercheur, een vriendelijk open gezicht met een iets geprononceerde neus. Zijn stug kastanjebruin haar vertoonde kleine inhammen en golfde boven de oren. Zijn lichtgrijze ogen stonden helder en waakzaam.
‘U bent lid van een schietvereniging?’
Peter van Waardenburg knikte.
‘Schietvereniging Altijd in de Roos. Bijna dertig jaar. Ik ben lid geworden toen ik uit militaire dienst kwam en mijn wapen moest inleveren.’
‘Wat is uw wapen?’
‘Een revolver negen millimeter Webley Scott.’
‘Uit de Tweede Wereldoorlog?’
‘Inderdaad.’
‘Kent u de Nagant?’
De grijze ogen van Peter van Waardenburg lichtten op.
‘Een juweeltje. Ik heb hem één keer even in mijn handen mogen nemen. Een geloofsgenoot heeft een Nagant.’
‘Een rijk man?’
‘Absoluut. Ik denk, dat hij er een klein vermogen voor heeft betaald.’
‘U bent met uw gezin verbonden aan een sektarische geloofsgemeenschap?’
Peter van Waardenburg glimlachte.
‘U bent goed geïnformeerd.’
‘Zoals gewoonlijk.’
‘Wij zijn met ons vieren lid van het genootschap De Steenen Tafelen.’
‘De stenen tafelen, waarop volgens het bijbelverhaal Mozes de wet ontving?’
Peter van Waardenburg ging ervoor zitten.
‘Ons genootschap streeft ernaar om de mensen weer attent te maken op de Tien Geboden. Wie de Tien Geboden naleeft heeft geen andere wetten nodig.’
De Cock glimlachte.
‘Gij zult niet echtbreken,’ citeerde hij uit het hoofd, ‘gij zult niet stelen, gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste, gij zult niet begeren uws naasten huis; uws naasten vrouw…’
‘Precies.’
‘Gij zult niet doodslaan?’
‘Ook dat.’
De Cock grijnsde.
‘Wie zei: als het Zuiderman wordt, maak ik hem van kant.’
Peter van Waardenburg liet zijn hoofd iets zakken.
‘Dat heb ik geroepen nadat mevrouw Van Nibbixwoud mij had gezegd dat ik de plaats van haar gestorven man niet zou innemen.’
De Cock keek hem niet-begrijpend aan.
‘Waarom zo’n kreet?’
Peter van Waardenburg zuchtte.
‘Ik heb er spijt van. U moet bedenken: Hendrik Zuiderman was de kwade genius van ons reclamebedrijf. Hij is met die viezigheid begonnen… pornografie, zelfs kinderporno. Hij sleepte iedereen mee… zelfs een goeie vent als Alex van de Boogaard. Als ik het juist heb ingeschat, dan waren Zuiderman en Adriaansen tot kort voor hun dood opnieuw met kinderporno in de weer. Ik wil hun moordenaar niet vrijpleiten, maar hij was een werktuig in Gods hand.’
De Cock negeerde zijn opmerking. Hij boog zich iets naar hem toe.
‘U bent onder het personeel niet erg geliefd. U wekt voortdurend irritaties op. Men verwijt u hoogmoed en eigendunk.’
Het gezicht van Peter van Waardenburg kleurde.
‘Begrijpelijk. Ik wilde aan het maken van die viezigheid niet meewerken. Ik heb mij daar steeds tegen verzet. Ik nam het hun openlijk kwalijk… wees op hun verantwoordelijkheid. En daarmee kweek je geen vrienden.’
De Cock fronste zijn wenkbrauwen.
‘Waarom hebt u de heer Van Nibbixwoud en later zijn vrouw niet ingelicht over wat er in hun bedrijf gebeurde?’
Peter van Waardenburg reageerde emotioneel.
‘Dat heb ik… meerdere malen. Men heeft nooit naar mij willen luisteren. Mij werd te verstaan gegeven, dat ik mij alleen met mijn eigen werk moest bemoeien. Volgens mij lieten Van Nibbixwoud en zijn vrouw het oogluikend toe… profiteerden zij ervan.’
’U fotografeerde modellen?’
‘Ja.’
‘Naaktmodellen?’
Peter van Waardenburg knikte.
‘Als ze een mooi lijf hadden, dan wilde ik dat wel vastleggen. Maar een naaktstudie is nog geen pornografie.’
’Hebt u wel eens een naaktstudie van Josee van de Weetering gemaakt?’
‘Ik niet.’
‘Wie wel?’
‘Hendrik Zuiderman.’