4

De Cock keek de vertrekkende Christiaan Adriaansen met gemengde gevoelens na. De man had geen sympathieke indruk op hem gemaakt. De oude rechercheur overwoog bij zichzelf hoe dat kwam. De ervaring had hem geleerd nooit op het uiterlijk van iemand af te gaan. Dat leidde steevast tot foute inschattingen. Hij vermoedde dat het gedrag van de man hem onbewust had geïrriteerd. De vraag die hem kwelde was hoe dat kon gebeuren. Eerst toen de deur achter de man dicht viel wendde hij zich tot Vledder.

‘Is de post van manager een moord waard?’

Vledder reageerde niet op de vraag, hij glimlachte en vroeg hoofdschuddend: ‘Christiaan Adriaansen is jouw vriend niet?’

De Cock keek zijn jonge collega verwonderd aan.

‘Waaruit concludeer jij dat?’

Vledder grinnikte.

‘Ik zag het aan je gezicht, aan je houding, aan de manier waarop je hem benaderde.’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Ik heb nooit geweten, dat ik zo’n open boek was.’

‘Trek het je niet aan,’ sprak Vledder en lachte droog. ‘Christiaan Adriaansen maakte ook op mij geen prettige indruk. Integendeel, het kriebelde bij mij van binnen als ik hem hoorde praten. Persoonlijk schat ik hem op het type van een achterbaks gluipertje.’

De Cock negeerde de opmerking van zijn jonge collega.

‘Nog eens… is de post van manager van het reclamebureau Het Intellect een moord waard?’

Vledder maakte een verontschuldigend gebaar.

‘Mij niet. Ik ambieer een dergelijke positie niet. Ik zou zelfs de functie van commissaris Buitendam niet willen overnemen. Maar het is moeilijk in te schatten hoe anderen daar over denken. Christiaan Adriaansen sprak van een paleisrevolutie. Het is heel goed mogelijk dat men elkaar bij reclamebureau Het Intellect om die functie van manager naar het leven staat.’

De Cock maakte een schouderbeweging.

‘Wat moeten wij als rechercheurs met zo’n kreet, als Zuiderman het wordt, maak ik hem van kant?’

De oude rechercheur schudde zijn hoofd.

‘Ik ben niet van plan om er zwaar aan te tillen,’ sprak hij licht geprikkeld. ‘Het is naar mijn gevoel een in woede en kwaadheid geuite kreet. Een ondoordachte reactie van een man die door mevrouw Van Nibbixwoud werd afgewezen voor die managersfunctie.’ Hij ademde diep. ‘Meer wil ik er niet in zien.’

‘Je bedoelt… geen aankondiging van moord?’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Het is te impulsief, te openbaar. Vermoedelijk hebben ook anderen de uitroep van Peter van Waardenburg aangehoord. Zo kondig je geen moord aan. Een moord overweeg je in het geniep.’

Vledder grijnsde.

‘Maar Hendrik Zuiderman is wel dood.’

Het klonk laconiek.

‘Iemand joeg hem heel precies en heel vrolijk drie kogels in zijn borst.’

De Cock snoof.

‘Onmiskenbaar. Maar ik neem niet aan dat dit met enige vrolijkheid gepaard ging.’

Vledder gniffelde.

‘Bij wijze van spreken dan. Mijn taalgebruik is niet zo zindelijk als dat van jou.’

De jonge rechercheur hield zijn wijsvinger voor zijn neus.

‘Je moet verder bedenken,’ ging hij verder, ‘dat de dader voor Hendrik Zuiderman vermoedelijk geen onbekende was. Hij heeft hem of haar vrijwel zeker zonder enige argwaan tot zijn woning toegelaten.’

De Cock knikte instemmend.

‘Je wilt zeggen, dat het best Peter van Waardenburg had kunnen zijn?’

‘Precies. Of een andere deelnemer van de bij het reclamebureau heersende paleisrevolutie.’

De Cock wees naar de klok boven de toegangsdeur van de grote recherchekamer.

‘Let op je tijd. Je moet naar de sectie van Zuiderman. Dokter Rusteloos neemt geen genoegen met het excuus dat je in de file stond.’

Vledder kwam uit zijn stoel overeind. Op dat moment werd er geklopt. De jonge rechercheur ging weer zitten en riep: ‘Binnen.’

De deur werd geopend en in de deuropening stond een jonge vrouw. De adem van De Cock stokte even. Ze was mooi, vond hij, uitzonderlijk mooi. De oude rechercheur schatte haar op rond de vijfentwintig jaar. De felrode, doch slobberige regenkleding die ze droeg, compleet met een modieuze zuidwester, verhulde haar aangenaam uitbundige vormen nauwelijks.

Toen ze de zuidwester afnam, golfde een weelde van goudblond haar tot op haar schouders. Bijna zwevend trad ze naderbij. Bij het bureau van de grijze speurder bleef ze staan en schonk hem een glimlach, zo betoverend, dat zijn oude hart met een hogere frequentie ging kloppen.

‘Rechercheur De Cock, I presume?’

De grijze speurder slikte.

‘Met… eh, met… eh,’ stotterde hij, ‘met ceeooceekaa.’ Hij wees voor zich uit. ‘Dat is Dick Vledder, mijn onvolprezen hulp. Wat verschaft ons het genoegen van uw charmante aanwezigheid,’ opende hij galant.

‘Een dankwoord.’

De Cock keek haar niet-begrijpend aan.

‘Een dankwoord?’ herhaalde hij vragend.

Zonder daartoe te zijn uitgenodigd, gleed ze op de stoel naast zijn bureau. Ze knoopte haar regenkleding los en liet die langs haar schouders glijden. De Cock constateerde tot zijn genoegen, dat zijn aanvankelijke observatie geen correctie behoefde.

Ze draaide zich naar hem toe.

‘Ik ben Josee,’ presenteerde zij zich vrolijk. ‘Josee van de Weetering. Mevrouw Van Nibbixwoud heeft mij verteld dat ik het aan u heb te danken, dat ik voorlopig leiding mag geven aan reclamebureau Het Intellect. Dat is mij wel een dankwoord waard.’

De Cock glimlachte.

‘Het was slechts een advies.’

‘Ik ben blij dat mevrouw Van Nibbixwoud dat advies heeft opgevolgd. Het lijkt mij een geweldige uitdaging om een nieuw elan aan het bureau te geven. De laatste jaren… mede door de ziekte van de heer Van Nibbixwoud… zakte de spirit tot een bedenkelijk niveau.’

De Cock keek haar schuins aan.

‘Heeft u zich al als de nieuwe manager van Het Intellect aan het personeel gepresenteerd?’

Josee schudde haar hoofd.

‘Mevrouw van Nibbixwoud wilde daarmee wachten tot ze alle procedures had afgewikkeld.’

‘Procedures?’

Josee maakte nonchalant wapperende gebaren met haar handen.

‘Voor ze bij u te rade ging, hadden diverse personeelsleden bij haar reeds naar de post van manager gesolliciteerd. Mevrouw Van Nibbixwoud vond het verstandig om eerst een persoonlijk gesprek met hen te voeren. Het resultaat van die gesprekken zou zij met mij doornemen.’

‘Waarom?’

‘Mevrouw Van Nibbixwoud beschouwt die gesprekken als een soort test… een onderzoek om te ervaren wat er zo onder het personeel leeft.’

‘Een goed idee.’

Josee glimlachte.

‘Ik heb het vermoeden dat mevrouw Van Nibbixwoud toch wel enige invloed op het functioneren van het reclamebureau wil behouden.’

De Cock knikte begrijpend.

‘Kent u de namen van de personeelsleden die hebben gesolliciteerd?’

Josee schudde haar hoofd.

‘Mevrouw Van Nibbixwoud heeft mij dat niet verteld en ik heb er niet naar gevraagd. Misschien vond ze het niet juist dat ik die namen kende.’

De Cock keek haar strak aan.

‘Er is u inmiddels een belangrijk medewerker ontvallen.’

Het gezicht van Josee versomberde.

‘Verschrikkelijk. Ik hoorde het vanmorgen. Hendrik Zuiderman zou in koelen bloede zijn vermoord.’

De Cock zuchtte diep.

‘Op ons rust de ondankbare taak om zijn moordenaar te ontmaskeren. Hebt u enig idee in welke richting wij de dader moeten zoeken?’

Josee trok haar schouders op.

‘Ik heb geen enkel idee wat het motief voor de moord kan zijn geweest. Hendrik Zuiderman was de oudste medewerker van het reclamebureau. Naar mijn mening, en ook naar de mening van wijlen de heer Van Nibbixwoud, was Zuiderman een intelligente man en een excellente fotograaf met artistieke gaven.’

De Cock gebaarde in haar richting.

‘Gezien zijn anciënniteit, heb ik begrepen, kwam hij het meest in aanmerking om de nieuwe manager te worden.’

Josee knikte instemmend.

‘Mevrouw Van Nibbixwoud vond hem niet geschikt. Te sloom, te passief.’

‘Dat was haar standpunt van het begin af aan?’

‘Dat neem ik aan. Toen ik suggereerde dat Hendrik Zuiderman eerder voor de functie van manager in aanmerking kwam dan ik, reageerde mevrouw Van Nibbixwoud resoluut. Zuiderman, zei ze, is mijn man niet.’

‘Te sloom, te passief.’

‘Dat zei ze.’

‘Waren er nog andere overwegingen?’

Josee trok haar schouders op.

‘Dat zou u haar moeten vragen.’

De Cock nam een kleine pauze voor het effect.

‘Een van de leden van het personeel,’ ging hij rustig verder, ‘openbaarde mij vertrouwelijk, dat er sinds de dood van de heer Van Nibbixwoud bij het reclamebureau een soort paleisrevolutie was uitgebroken.’

Josee keek hem niet-begrijpend aan.

‘Paleisrevolutie?’

‘Ja. Personeelsleden zouden om wille van de vrijgekomen positie elkaar naar het leven staan.’

Josee grinnikte vreugdeloos.

‘Het is toch niet waar?’

De Cock spreidde zijn handen.

‘Het is mij in ernst verteld,’ reageerde hij kalm. ‘Iemand zou hebben gezegd, als het Zuiderman wordt, maak ik hem van kant.’

Josee keek hem verschrikt aan. Ze sloeg een hand voor haar gezicht.

‘Onze tekstschrijver.’

De Cock toonde verbazing.

‘Tekstschrijver?’

‘Alex van de Boogaard…’ zei Josee, ‘hij en Hendrik Zuiderman konden elkaar niet uitstaan. Het is in het verleden zelfs een paar maal tot een ernstig handgemeen gekomen.’


Toen Josee van de Weetering, weer gehuld in haar felrode regenkleding, zwoel heupwiegend het kale recherchevertrek had verlaten, liet De Cock zich in zijn bureaustoel onderuitzakken.

‘In de oude bijbel,’ verzuchtte hij, ‘staat heel duidelijk: wie een vrouw aanziet om haar te begeren, heeft in zijn hart reeds echtbreuk met haar gepleegd.’[4]

Vledder lachte vrijuit.

‘Jij,’ riep hij ongelovig, ‘echtbreuk?’

De Cock schudde zijn hoofd.

‘Ik heb haar niet aangezien om haar te begeren. Ik heb in haar alleen de schepping bewonderd.’

‘Dat mag?’

‘Dat mag,’ antwoordde De Cock.

‘Het wordt volgens diezelfde bijbel toegestaan en aangemoedigd.’

Vledder stak zijn armen naar voren.

‘Het begint een dolle boel te worden!’ riep hij jolig. ‘We hebben nu al twee verdachten. Christiaan Adriaansen tipt Peter van Waardenburg en Josee van de Weetering komt met Alex van de Boogaard.’

De jonge rechercheur kwam plotseling met een ruk overeind. Zijn gezicht kleurde.

‘Stom. Ik ben bij het verhoor van Josee van de Weetering blijven zitten luisteren. Ik had al lang naar Westgaarde gemoeten.’ Hij blikte op zijn polshorloge. ‘Ik hoop dat ik nog op tijd ben voor de sectie.’

Vledder greep zijn notitieboek uit een lade van zijn bureau en rende de grote recherchekamer af. Bij de deur botste hij tegen een wat gezette man, die bijna tegen de grond tuimelde. Nog enigszins waggelend liep de man naar het bureau van De Cock en duimde over zijn schouder.

‘Wordt er bij de recherche altijd in zo’n ijltempo gewerkt?’ vroeg hij verrast.

De Cock gniffelde.

‘Ik ben blij,’ sprak hij ernstig, ‘dat u daarvan een keer getuige bent.’

De man boog zich iets naar hem toe.

‘U… eh, u bent rechercheur De Cock met ceeooceekaa?’ Hij schoof zijn onderlip naar voren. ‘Volgens de omschrijving, die ik van u kreeg, moet dat kloppen.’

De oude rechercheur blikte omhoog.

‘Van wie is die omschrijving?’

‘Van mevrouw Van Nibbixwoud. Zij adviseerde mij om me met u in verbinding te stellen.’

De Cock gebaarde naar de stoel naast zijn bureau.

‘Neemt u plaats,’ sprak hij vriendelijk. ‘Wat is uw relatie tot mevrouw Van Nibbixwoud?’

De man ontdeed zich van een doorschijnend plastic omhulsel en ging zitten.

‘Zij… eh, zij is mijn werkgeefster, of beter, haar man was mijn werkgever. Toen hij het reclamebureau startte was ik daar al bij betrokken.’

‘Een oudgediende.’

‘Dat mag u wel zeggen.’

‘U bent?

‘Alex… Alex van de Boogaard.’

De Cock keek de man verrast aan.

‘Van de Boogaard?’ herhaalde hij.

De man knikte.

‘Ik was als schrijver van reclameteksten altijd erg succesvol. Ik hoop oprecht, dat mijn grote verdiensten voor reclamebureau Het Intellect, voorheen Succes, zullen worden gehonoreerd.’

De Cock keek de man onderzoekend aan. Hij schatte hem op rond de vijftig jaar. Alex van de Boogaard, zo constateerde hij, had een ovaal gezicht, donker haar en priemende bruine ogen.

Vermoedelijk om de operatie aan een hazenlip te verhullen, droeg hij een snor.

‘In welk opzicht hoopt u gehonoreerd te worden?’

Alex van de Boogaard zette zijn handen op zijn knieën.

‘Ik verwacht de opengevallen plek van wijlen de heer Van Nibbixwoud in de toekomst te mogen vervullen.’

‘Manager.’

‘Precies.’

De Cock fronste zijn wenkbrauwen.

‘Is dat de reden, dat mevrouw Van Nibbixwoud u heeft geadviseerd contact met mij op te nemen?’

Van de Boogaard schudde zijn hoofd.

‘Het is de gewelddadige dood van Hendrik Zuiderman.’

De Cock reageerde scherp.

‘Wat is daarmee?’

‘Daar heb ik niets mee te maken.’

De Cock keek hem verwonderd aan.

‘Wie zegt dat dan?’

Van de Boogaard zuchtte diep.

‘Vrijwel iedereen bij ons op het bureau weet dat Zuiderman en ik geen goede verstandhouding hadden. En dan druk ik mij erg voorzichtig uit. We hadden ronduit een pest aan elkaar. We hebben zelfs een paar maal met elkaar gevochten.’

Van de Boogaard pauzeerde even.

‘Toen vanmorgen bekend werd dat Hendrik Zuiderman was vermoord, werden onder het personeel die tegenstellingen tussen hem en mij weer eens breed uitgemeten. Er werden ook bedekte toespelingen gemaakt.’

‘Zoals?’

‘Dat ik mogelijk verantwoordelijk was voor zijn dood.’

De Cock knikte begrijpend.

‘Dat was voor u de reden om naar mevrouw Van Nibbixwoud te stappen.’

‘Zeker. Ik wil niet voor de moordenaar van Zuiderman te worden versleten. Ik ben zijn moordenaar niet. Ik heb wel eens gedacht: vent, sterf. Maar nu hij werkelijk dood is heb ik wroeging om die gedachte.’

‘Het zou voor u een opluchting zijn als ik snel de ware moordenaar kon ontmaskeren?’ vroeg De Cock aan de tekstschrijver.

‘Absoluut.’

De Cock gaf aan zijn gezicht een sombere expressie.

‘Ik ben echter bang, dat het nog lang kan duren voor ik hem of haar heb gevonden. Er zijn weinig aanwijzingen en ik tast volkomen in het duister over het motief.’

Van de Boogaard kneep zijn lippen op elkaar en liet zijn hoofd iets zakken. Na enkele seconden keek hij op.

‘Over de doden niets dan goeds.’

De Cock glimlachte.

‘Dat is een Oudhollands gezegde. In het Latijns: de mortuis nil nisi bene.’ De oude rechercheur schudde zijn hoofd. ‘Maar het biedt voor de doden geen enkele garantie.’

Het grapje ontging Alex van de Boogaard. De man zuchtte diep.

‘Ik kan u wellicht op weg helpen naar een moordenaar met een duidelijk motief.’

De Cock keek hem verwachtingsvol aan.

‘En?’

Van de Boogaard liet zijn hoofd opnieuw even zakken.

‘Albert… Albert van den Heuvel.’

De Cock reageerde geschrokken.

‘De rechten studerende zoon van Hendrik Zuiderman en Marie van den Heuvel?’

‘Inderdaad.’

De Cock trok rimpels in zijn voorhoofd.

‘Zoon Albert heeft een motief?’

‘Absoluut.’

‘Welk?’

Van de Boogaard gebaarde met trillende handen.

‘Een van de redenen dat ik een hekel aan Hendrik Zuiderman had, was het feit dat hij kinderporno maakte. En weet u wie zijn voornaamste model was?’

De Cock slikte.

‘Zijn zoon Albert?’

‘Ja,’ was het antwoord van de man. ‘Die jongen heeft daardoor een intense haat jegens zijn natuurlijke vader opgebouwd. Ik weet, dat hij zijn moeder wel eens heeft toevertrouwd, dat hij aan moord dacht.’

‘Moord op zijn vader.’

Van de Boogaard schonk De Cock een droevige grijns.

‘Schunnige fotootjes van dat joch zijn onder pedofielen nog volop in omloop.’

Загрузка...