3

Toen Marie van den Heuvel uit de grote recherchekamer was vertrokken, stak De Cock in een theatraal gebaar zijn armen schuin voor zich in de lucht.

‘Merkwaardig,’ riep hij luid, half spottend, ‘hoogst merkwaardig.’

Vledder fronste zijn wenkbrauwen. ‘Wat?’

De Cock zwaaide. ‘De moord op Hendrik Zuiderman.’

Vledder keek hem niet-begrijpend aan.

‘Ik welk opzicht hoogst merkwaardig?’

‘Mathilde van Nibbixwoud vraagt in verband met de recente dood van haar echtgenoot advies voor zijn opvolging als leider van het door hem gedreven reclamebureau.’

De oude rechercheur zweeg even voor het effect.

‘En nog geen uur later worden wij geconfronteerd met de moord op een van de prominente personeelsleden van Het Intellect.’

De grijze speurder trok een vies gezicht.

‘Het Intellect… ik vind het nog steeds een naam om er de kriebels van te krijgen.’

Vledder maakte een schouderbeweging.

‘Beide zaken,’ sprak hij achteloos, ‘behoeven uiteraard niet met elkaar in verband te staan. Reclamebureau Het Intellect is vermoedelijk in geen enkel opzicht bij de moord op Hendrik Zuiderman betrokken.’

‘Waar baseer je dat op?’ vroeg De Cock.

‘Nergens op. Het is een idee.’

De jonge rechercheur zuchtte.

‘Wij weten tot nu niet veel meer van die man dan dat hij negenenveertig jaar oud is geworden, het beroep van fotograaf uitoefende en vijftien jaar lang heeft samengeleefd met ene Marie van den Heuvel.’

De Cock glimlachte.

‘En dat uit die verhouding,’ vulde hij aan, ‘een zoon Albert werd geboren, die in Leiden rechten studeert en vermoedelijk de naam Van den Heuvel draagt.’

‘Waarom?’

‘Er was geen echtverbintenis met Zuiderman.’

‘Al met al,’ sprak Vledder spottend, ‘een prachtige basis voor het begin van een onderzoek naar een duistere moord. De gegevens leiden zonder omwegen en zonder bedenkingen onmiddellijk naar de dader.’

De Cock lachte om de cynische toon.

‘Wees blij dat zijn identiteit al vaststaat.’

Vledder schoof de mouw van zijn colbert iets terug en keek op zijn polshorloge.

‘Om te beginnen zullen we uitgebreid het doopceel van Hendrik Zuiderman lichten. Maar niet eerder dan morgen. Op dit uur krijg je nergens inlichtingen. Geen wonder dat Bram van Wielingen soms narrig wordt. Het is bij ons altijd nachtwerk.’

De Cock krabde zich achter in zijn nek.

‘Ik ben toch echt benieuwd,’ sprak hij peinzend, ‘of Hendrik Zuiderman een van de mensen is… was, die bij Mathilde van Nibbixwoud naar de vrijgekomen functie van haar man heeft gesolliciteerd.’

Vledder keek naar hem op.

‘Jij ziet toch een verband tussen reclamebureau Het Intellect en de moord op Hendrik Zuiderman?’

De Cock knikte.

‘Het tintelt in de toppen van mijn vingers.’

Vledder grinnikte.

‘Dat is voldoende?’

De oude rechercheur stak in een theatraal gebaar opnieuw zijn armen schuin naar voren.

‘Het is een frappante coïncidentie. Ik mag wel zeggen… merkwaardig, hoogst merkwaardig.’

Vledder keek hem hoofdschuddend aan.

‘Jij bent de Schaduw[3] niet,’ sprak hij misprijzend. ‘Die kreet past niet bij jou. Ik heb maar weinig zaken meegemaakt die jij merkwaardig vond.’

De Cock stapte de volgende morgen op het drukke Stationsplein gemangeld en geplet uit een overvolle tram. Zijn wat corpulente habitus had tijdens de rit fikse deuken opgelopen.

Hij voelde nog even of hij wellicht een van zijn ledematen in de gemeentetram had achtergelaten en voegde zich toen in de stroom haastige reizigers op het brede trottoir van het Damrak.

Het was vies, druilerig herfstweer. Aan de hemel hing al dagen een wolkendek als een grauwe moltondeken die de stad versluierde en van geen wijken wilde weten. Gestaag, zonder ophouden zakte daaruit een ragfijne motregen.

De Cock keek even omhoog. De regen prikkelde zijn huid. Hij schoof zijn hoedje iets naar voren en blikte om zich heen.

Tot grote ergernis van de oude rechercheur werd schaamteloos de verjaardag van Sinterklaas, de statige goedheilig man met zijn daken bedwingende schimmel genegeerd. De meeste etalages toonden nu al een uitbundig blozende kerstman in een arrenslee op kunstsneeuw. De Cocks naar tradities hunkerende ziel kwam daartegen in opstand.

Bij de Oudebrugsteeg stak de oude rechercheur in galop voor een aanstormende tramtrein van lijn 9 de rijbaan van het Damrak over. Een in doorschijnend plastic gehuld hoertje op het trottoir lachte. Terecht. De Cock in draf was een komisch gezicht.

In de Warmoesstraat keek hij met ambtelijke verwondering naar een hem vriendelijk groetende man, die naar de stellige overtuiging van de grijze speurder nog vele maanden in de petoet diende te zitten, en stapte toen het politiebureau binnen.

Hij glipte wuivend aan de wachtcommandant achter de balie voorbij en besteeg de stenen trappen naar de tweede etage. In de grote recherchekamer zwaaide hij zijn oude hoedje missend naar de kapstok, wurmde zich uit zijn natte regenjas en raapte zijn gevallen hoedje op.

Vledder gluurde naar hem over het scherm van zijn computer.

‘Je bent laat,’ riep hij luid, bestraffend. Hij wees naar de grote klok boven de toegangsdeur. ‘Het is bijna half elf.’

De Cock liep naar Vledder toe en nam plaats aan het bureau tegenover zijn jonge collega.

‘Het was vannacht drie uur voor ik in bed lag,’ verweerde hij zich, ‘en volgens de nieuwe Arbo-wet heb ik recht op een behoorlijke nachtrust.’

Vledder schudde zijn hoofd.

‘Die Arbo-wet geldt niet voor ambtenaren, maar voor mensen die werkelijk werken.’

De Cock liet het grapje over zich heen glijden.

‘Jij was vanmorgen op tijd?’ vroeg hij belangstellend.

Vledder trok een grijns.

‘Zoals gewoonlijk.’

‘Heb je Hendrik Zuiderman al opgevraagd?’

‘Ja.’

‘En?’

‘Ik heb een verrassing voor je.’

De Cock grinnikte. ‘Dat kan ik mij nauwelijks voorstellen.’

Vledder knikte met zijn gezicht in een ernstige plooi.

‘Toch,’ reageerde hij gelaten, ‘een verrassing… Hendrik Zuiderman heeft een strafblad.’

‘Terzake wat?’

‘Hij is enkele jaren geleden veroordeeld ter zake pornografie.’

De Cock trok zijn neus iets op.

‘Pornografie?’

Vledder knikte opnieuw.

‘Kinderporno.’

De Cock keek hem geschrokken aan.

‘Allemachtig.’

Vledder strekte zijn wijsvinger naar hem uit.

‘En weet je wie hem daarbij destijds assisteerde?’

‘Nou?’

‘Marie van den Heuvel.’

De Cock liet zich in zijn stoel terugzakken. De mededeling van Vledder had hem verrast. Hij hield niet van het wereldje van de pornografie. Hij had er in het verleden ook weinig mee te maken gehad. Dergelijke zaken bleven niet aan de Warmoesstraat. Ze werden in de regel door de zedenpolitie afgewikkeld.

‘Hoe laat is de sectie?’ vroeg hij na een poosje.

‘Om twee uur vanmiddag,’ antwoordde Vledder. ‘Dokter Rusteloos heeft eerst nog een autopsie in Rotterdam en Den Haag. Dan komt hij naar Westgaarde.’

De Cock kwam uit zijn stoel overeind.

‘Dan hebben we nog tijd om naar het kantoor van reclamebureau Het Intellect aan de Herengracht te gaan. Ik wil nog eens praten met mevrouw Van Nibbixwoud. Als ik mij goed herinner woont zij boven de zaak.’

Vledder keek hem schuins aan.

‘Jij wilt weten wie naar de vacante post van haar man heeft gesolliciteerd?’

‘Precies.’

Vledder glimlachte.

‘Dat heb ik al gedaan. Mathilde van Nibbixwoud belde vanmorgen. Ze vroeg naar jou omdat ze van Marie van den Heuvel had gehoord dat Hendrik Zuiderman was vermoord. Ze vroeg om nadere bijzonderheden. Ik heb gezegd dat ik die niet had. Ik heb toen meteen voor jou geïnformeerd.’

‘Met als resultaat?’

‘Hendrik Zuiderman was één van de sollicitanten.’

De Cock hield zijn hoofd schuin.

‘En wie waren de anderen?’

Het gezicht van Vledder versomberde.

‘Dat heb ik haar ook gevraagd. Uiteraard. Maar om een of andere stomme reden wilde mevrouw Van Nibbixwoud mij dat niet zeggen.’

‘Je hebt haar wel naar de reden van die weigering gevraagd?’

‘Ja.’

‘En?’

Voordat de jonge rechercheur kon antwoorden, werd er op de deur van de grote recherchekamer geklopt en Vledder riep: ‘Binnen!’

De deur werd langzaam geopend en in de deuropening verscheen de gestalte van een forsgebouwde man. De Cock schatte hem op achter in de veertig. Hij droeg een groene trenchcoat met brede schouderflappen, waar het regenwater van af drupte. Toen hij zijn hoed afnam kletsten de druppels op het marmoleum. In een wat trage tred liep hij op de grijze speurder toe en keek hem schattend aan.

‘U… eh, u bent rechercheur De Cock?’

De oude rechercheur knikte.

‘De Cock,’ reageerde hij haast automatisch, ‘met… eh, met ceeooceekaa.’ Met een gestrekte arm wees hij recht voor zich uit. ‘En dat is collega Dick Vledder, mijn onvolprezen hulp.’ Vriendelijk glimlachend zweeg hij even. ‘Waarmee zouden wij u van dienst kunnen zijn?’

‘Ik heb gehoord dat u de moord op mijn collega Hendrik Zuiderman behandelt.’

De Cock fronste zijn wenkbrauwen.

‘Collega?’

‘Ik ben lid van de reclamefamilie die zich zonder enige bescheidenheid Het Intellect noemt.’

‘Een verschrikkelijke naam.’

‘Zeker.’

De Cock wees naar de stoel naast zijn bureau.

‘Neemt u plaats.’

De man ging zitten en knoopte zijn regenjas los. Zijn hoed balanceerde op zijn rechterknie.

De Cock nam de man nauwkeurig in zich op. Hij had een rond gezicht met opbollende wangen, waarachter zijn kleine groene ogen bijna schuilgingen. Dun sluik haar lag in sliertjes op zijn hoofd.

‘Mag ik u vragen wie u bent?’

De man glimlachte.

‘Dat mag u zeker vragen. Ik ben Adriaansen… Christiaan Adriaansen.’

‘Beroep?’

‘Fotograaf.’

De Cock speelde verrassing.

‘Net als Hendrik Zuiderman?’

Christiaan Adriaansen schudde zijn hoofd.

‘Niet precies hetzelfde. Zeker niet. Zuiderman was de man van de reportages… het werk buiten. Ik ben veel meer vormgever… ontwerper.’

‘Hoe weet u van de moord?’

Christiaan Adriaansen zuchtte.

‘De dood van Hendrik is bij ons op kantoor het gesprek van de dag. Het is ongelofelijk. Wij zijn er allen kapot van. Hendrik Zuiderman was een perfecte vent. Hij werd door ons zeer gewaardeerd.’

‘Hoe kwam het bericht bij u op kantoor terecht?’

Christiaan Adriaansen toonde enige onrust.

‘Hoe bedoelt u?’

‘Wie bracht de droeve tijding?’

‘Marie… Marie van den Heuvel. Zij heeft jaren met Zuiderman samengewoond. Marie heeft mevrouw Van Nibbixwoud vannacht al ingelicht en die heeft vanmorgen het voltallige personeel bijeengeroepen en ons geïnformeerd over wat Hendrik Zuiderman is overkomen.’

‘Verbaast het u?’

‘Wat?’

‘De moord op Zuiderman?’

Adriaansen verschoof iets op zijn stoel. Nerveus. Zijn handen trilden en zijn hoed gleed van zijn knie. Met een rood hoofd pakte hij het hoofddeksel van de vloer. Het duurde even voor hij antwoordde.

‘Sinds de dood van de heer Van Nibbixwoud,’ sprak hij licht hijgend, ‘heerst er bij ons in het bedrijf een soort paleisrevolutie. Een paar oudgedienden menen dat zij in aanmerking komen om hem op te volgen.’

De Cock boog zich iets naar de man toe.

‘Hendrik Zuiderman was zo’n oudgediende?’

Adriaansen knikte.

‘Qua anciënniteit maakte hij de meeste aanspraak. Hij was de oudste medewerker. Hij was er al bij toen de heer Van Nibbixwoud zijn bedrijf startte.’

De Cock keek hem strak aan.

‘Vermoedt u,’ formuleerde hij voorzichtig, ‘dat Hendrik Zuiderman het leven heeft verloren om die positie… dat hij werd vermoord omdat hij de meeste aanspraak kon maken op de post van manager van het reclamebureau?’

Adriaansen antwoordde niet. Hij staarde langs De Cock heen in het niets.

De oude rechercheur strekte een hand naar hem uit.

‘Ik vroeg u wat,’ sprak hij scherp.

De blik van de man kwam terug.

‘Ja?’

Het klonk weifelend, afwezig.

‘Werd Hendrik Zuiderman vermoord,’ sprak De Cock luid, indringend, ‘omdat hij mogelijk de opvolger van de heer Van Nibbixwoud zou worden?’

Christiaan Adriaansen zuchtte diep.

‘Het is voor mij zo moeilijk,’ sprak hij ontwijkend, ‘om daar rechtstreeks op te antwoorden.’

De Cock nam een kleine pauze.

‘Wat,’ vroeg hij rustig en kalmerend, ‘is de feitelijke reden van uw gang naar het bureau Warmoesstraat?’

Adriaansen maakte een hulpeloos gebaar.

‘De… eh, de moord op Hendrik Zuiderman,’ antwoordde hij hakkelend. ‘Dat is… eh, dat is de reden van mijn komst, de reden waarom ik hier zit. Ik meen, dat het mijn plicht is om u in te lichten.’

‘Waarover?’

De fotograaf slikte. ‘Een uitspraak van een van mijn collega’s.’

‘Een oudgediende?’

‘Een oudgediende… Peter van Waardenburg… onze tekenaar en tekstschrijver.’

De Cock spreidde zijn handen.

‘Zijn uitspraak?’ vroeg hij dwingend.

Adriaansen liet zijn hoofd iets zakken.

‘Als… eh, als het Zuiderman wordt, maak ik hem van kant.’

De Cock keek hem hoofdknikkend aan.

‘Dat waren zijn woorden?’

‘Ja.’

‘Wanneer was dat?’

Adriaansen deed zijn ogen even dicht.

‘Twee dagen geleden, nadat hij van mevrouw Van Nibbixwoud te verstaan had gekregen, dat hij… Van Waardenburg… het in ieder geval níet werd.’

Загрузка...